Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7963

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2001
Datum publicatie
09-01-2002
Zaaknummer
00/2847
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De behandeling van particulier verzekerde patiënten door de medisch specialisten van het ziekenhuis geschiedt mede voor rekening van belanghebbende (neurochirurg). Belanghebbende heeft de desbetreffende resultaten terecht als winst uit een door hem gedreven onderneming aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 augustus 2000. Bij brief van 28 augustus 2000 van A (B Belastingadviseurs) is ter aanvulling van het beroepschrift een kopie van het besluit waartegen het beroep is gericht toegezonden. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 26 juni 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995. De aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 141.660. Het aanslagbiljet is gedagtekend 31 augustus 1999. Bij de uitspraak op het tegen de aanslag ingediende bezwaarschrift is deze gehandhaafd.

1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 127.343.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4. Ter zitting van 12 juni 2001 zijn verschenen belanghebbende en A, alsmede C namens de inspecteur tot bijstand vergezeld van D. Partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Deze pleitnota's worden tot de gedingstukken gerekend. Bij de pleitnota van de inspecteur zijn twee bijlagen gevoegd waarvan belanghebbende heeft kunnen kennisnemen en zich erover heeft kunnen uitlaten.

1.5. Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van belanghebbende inzake de aansla-gen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 1995, 1996 en 1997, kenmerken respectievelijk 00/2847, 00/2848 en 00/2849.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren 12 augustus 1950 en gehuwd, is als medisch specialist verbonden aan de afdeling Neurochirurgie van het E Ziekenhuis van F te P (hierna: EZ). Uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij F heeft belanghebbende in 1995 ƒ 105.444 als loon genoten.

2.2. Naast zijn inkomsten uit dienstbetrekking geniet belanghebbende als lid van de Maatschap Neurochirurgen EZ te P winst uit de onderneming. In het kader van deze maatschap worden uitsluitend behandelingen buiten het EZ verricht. Het aan belanghebbende toekomende aandeel in de winst van deze maatschap bedroeg over 1995

ƒ 39.684.

2.3. Voorts geniet belanghebbende inkomsten voor het behandelen in het EZ van particulier verzekerde patiënten. In zijn aangifte heeft belanghebbende de uit deze werkzaamheid voortvloeiende inkomsten aangemerkt als winst uit onderneming. Uit hoofde van deze werkzaamheden heeft belanghebbende in de bij zijn aangifte over 1995 gevoegde winst- en verliesrekening ƒ 59.945 als omzet Maatschap G verantwoord.

2.4. Na aftrek van onder meer diverse kosten en het in aanmerking nemen van de beperking van aftrek voor gemengde kosten, een bijtelling voor privé-gebruik auto en vermogensaftrek, bedraagt de door belanghebbende in zijn aangifte verantwoorde winst uit onderneming in totaal ƒ 80.846.

2.5. In het onderhavige jaar was H hoofd van de afdeling Neurochirurgie van het EZ. In een bij het verweerschrift gevoegd ongedateerd geschrift heeft H de inspecteur onder meer als volgt geïnformeerd:

"Voorgeschiedenis

Sinds 1972 ben ik als medisch specialist in diverse Z ziekenhuizen, en met name de beide cd ziekenhuizen, werkzaam geweest. Deze werkzaamheden zijn altijd deels in dienstverband deels in vrij beroep uitgevoerd.

(…)

Aard van de beroepswerkzaamheden in vrije praktijk

De werkzaamheden van het zelfstandig uitgeoefend beroep vallen in 2 groepen te onderscheiden.

1. Particuliere-patiëntenzorg

a. Deze werkzaamheden werden overwegend in het academisch ziekenhuis uitgevoerd, zowel klinisch als poliklinisch. Zoals u bekend is had ik als hoogleraar/medisch specialist hiervoor zelfstandig declaratierecht. De betreffende declaraties voor deze activiteiten werden door de Stichting I. De werkzaamheden werden niet in maatschapsverband uitgevoerd. Er was dan ook geen maatschapsovereenkomst.

b. Een klein gedeelte van de werkzaamheden in de directe patiëntenzorg werd, voor eigen rekening en risico, in de huispraktijk uitgevoerd en betrof consultaties en second opinions.

(…)

2. Werkzaamheden als expert in aansprakelijkheidsaangelegenheden, m.n. beroeps-aansprakelijkheid. Deze werkzaamheden worden op free lance basis met uurloonver-goeding uitgevoerd (…)."

2.6. In een brief van 1 december 1993 informeert H onder meer belanghebbende als volgt:

"Amica, Amici,

Per 1 januari 1994 komt J de geledingen van onze staf versterken. (…) Ik stel voor met dezelfde ingang de verdeelsleutel voor de particuliere inkomsten van de afdeling (…) als volgt vast te stellen:

H: 24%

K 24%

X: 24%

L: 12%

J: 12%

afdeling neurochirurgie: 4%

Het ligt in de lijn der verwachtingen dat L per 1 mei 1994 bij F zal worden aangesteld voor onbepaalde tijd. Per die datum kan de verdeelsleutel als volgt worden vastgesteld:

H: 21%

K: 21%

JX: 21%

L: 21%

J: 11%

afdeling neurochirurgie: 5%

Ik hoop dat jullie je met dit voorstel kunnen verenigen."

2.7. In een brief van 6 januari 1994 meldt H belanghebbende onder meer:

"Amica, Amici,

Na enig onderling overleg naar aanleiding van mijn brief dd 01.12.1993 zal de verdeelsleutel voor de particuliere inkomsten van de afdeling (…) per 1 januari 1994 als volgt zijn:

H 25%

K 25%

X 25%

L 12%

J 10%

afdeling neurochirurgie 3%

Per 1 mei 1994 zal de verdeelsleutel naar de dan ontstane situatie worden aangepast."

2.8. In een brief van 14 november 1995 schrijft het Hoofd Financieel Economische Zaken van het EZ aan de Belastingdienst Grote ondernemingen te Q onder meer het volgende:

"Onderwerp

Informatie inzake de medisch specialisten

(…)

Bij uw kennismakingsgesprek (…) hebt u gevraagd informatie te verstrekken inzake de medisch specialisten. Onderstaand volgen onze antwoorden (…). Omdat de antwoorden opgesteld zijn in overleg met de Stichting I is (…) het beantwoorden van uw vragen wat langer geweest dan wij verwacht hadden.

(…)

3. DECLARATIERECHT:

Alle hoofden van medische afdelingen hebben declaratierecht.

(…)

4. STICHTING VOOR CENTRALE INNING

(…)

7. ARBEIDSVERHOUDING MED. SPEC.:

a. Medisch specialisten in dienst van het ziekenhuis genieten loon via de

loonadministratie.

(…)

b. De overige inkomsten betreffen particulier verzekerden zijn niet aan te merken als 'loon', aangezien deze inkomsten niet als gevolg van de dienstbetrekking worden genoten. De medisch specialisten genieten de inkomsten veelal als winst uit onderneming. Overigens bestaat er tussen het afdelingshoofd en de medisch specialisten geen dienstbetrekking.

8. INVESTERINGEN:

Op de honorariuminkomsten van particuliere patiënten wordt door de Stichting

15% ingehouden en doorgestort naar het ziekenhuis voor faciliteitengebruik en

administratiekosten."

2.9. Een brief van 3 januari 1997 van de voorzitter van de raad van bestuur van het EZ aan de Belastingdienst Grote ondernemingen te Q vermeldt onder meer het volgende:

"Hierbij ontvangt u een opgave van de hoofden van de medische afdelingen die op de peildatum, zijnde 1 oktober 1995, beschikten over het zogenoemde declaratierecht.

(…)

neurochirurgie H

(…)

Het declaratierecht berust op toekenning door het toenmalige bestuur respectievelijk de raad van bestuur van het ziekenhuis."

2.10. In een memo van 22 juli 1999 informeert M, Hoofd Patiënten Administratie van het EZ belanghebbende als volgt:

"Naar aanleiding van uw vraag hoe de declaraties van verrichtingen bij particuliere patiënten geregeld zijn binnen het EZ, kan ik u het volgende mededelen.

1. Als specialist heeft u zelfstandig declaratierecht van de door u uitgevoerde behandelingen c.q. verrichtingen van particuliere patiënten. Aangezien u binnen een N Ziekenhuis werkzaam bent, is de - door de overheid opgelegde - 'Regeling Centrale Inning' (…) voor u van toepassing. Kort samengevat komt de regeling er op neer dat, de door de specialisten gedeclareerde honoraria middels een centraal debiteurensysteem bewaakt dienen te worden c.q. op een gezamenlijke bankrekening ontvangen dienen te worden. De bewakings- en inningsrol is toebedeeld aan het ziekenhuis.

2. Naar aanleiding van de Regeling Centrale Inning is binnen het EZ op 25 februari 1985 de "Stichting I" opgericht. De Stichting heeft tot doel (artikel 3):

"het uitvoeren van een administratief systeem dat voorziet in het, met gebruikmaking van de declaratie-administratie van het EZ, (doen) innen, registreren, beheren en uitkeren van door haar namens de deelnemers gedeclareerde gelden voortvloeiend uit diagnostiek, behandeling en andere declarabele verrichtingen, bij niet-ziekenfondspatiënten uitgevoerd".

3. In tegenstelling tot de vrijgevestigde specialist is voor de m situatie

afgesproken dat indien via de Stichting I gedeclareerd wordt, niet de behandelend

specialist, maar het hoofd van de afdeling van het specialisme inclusief zijn

zorgverlenersnummer op de declaratie vermeld dient te worden. (…)

4. De administratie van het EZ draagt er zorg voor dat de (netto)

ontvangsten volgens een opgegeven verdeling, aan de specialisten worden

uitgekeerd.

5. Alleen de werkelijk ontvangen bedragen worden, onder inhouding van faciliteiten-

vergoeding en administratiekosten, aan de specialist uitgekeerd. Het debiteuren-

risico bij non-betaling komt volledig voor rekening van de specialist."

Het hoofd van de patiëntenadministratie van het EZ is tevens administrateur van de Stichting I.

2.11. De afrekeningen van de honoraria ter zake van de particulier verzekerde patiënten, afkomstig van de administrateur van de Stichting I, vonden plaats onder de aanduiding 'Maatschap G: Neurochirurgie'.

2.12. In een brief van 16 juni 1999 aan de belastingadviseur van belanghebbende schrijft de inspecteur betreffende zijn voorgenomen afwijking van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995 onder meer het volgende:

"Winst uit onderneming

(…)

Zoals (…) is aangegeven dient de fiscale positie van medisch specialisten in academische ziekenhuizen getoetst te worden aan het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 2 december 1996, nummer DB96/4134M. (…) Uit de mij ter beschikking liggende stukken en in de situatie waarin de heer X verkeert geldt dat aan een aantal voorwaarden om als ondernemer te worden aangemerkt voor de inkomsten behaald via de praktijk in het EZ niet is voldaan. (…) De heer X voldoet (…) niet aan de voorwaarden voor het ondernemerschap zoals deze zijn geformuleerd in het besluit.

(…)

Ondernemingskosten

Indien er naast de dienstbetrekking sprake is van ondernemerschap, dienen blijkens het besluit de kosten gesplitst te worden in:

1. kosten die betrekking hebben op de dienstbetrekking;

2. kosten die betrekking hebben op de onderneming;

3. de gemeenschappelijke kosten die verdeeld moeten worden naar rato dienst-betrekking en naar rato winst uit onderneming;

(…)

Recapitulatie aangifte inkomstenbelasting (…)

Aangegeven belastbaar inkomen ƒ 127.343

Bij: hogere andere inkomsten uit arbeid ƒ 59.945

Af: lagere winst uit onderneming ƒ 46.528

Af: lagere zelfstandigenaftrek ƒ 8.345

Af: hogere beroepskostenaftrek ƒ 12.613

Af: lagere dotatie FOR ƒ 5.168

Gecorrigeerd belastbaar inkomen ƒ 141.659 (EUR 64.282,05)"

2.13. Met dagtekening 31 augustus 1999 heeft de inspecteur ten name van belanghebbende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 vastgesteld en, overeenkomstig de brief van 16 juni 1999, berekend naar een belastbaar inkomen van

ƒ 141.660. Tegen deze aanslag is belanghebbende bij brief van zijn belastingadviseur van 27 augustus 1999 in bezwaar gegaan. Bij uitspraak, gedagtekend 26 juni 2000, heeft de inspec-teur het bezwaar afgewezen.

3. Geschil

In geschil is de vraag of de inkomsten die belanghebbende geniet uit hoofde van de in het EZ behandelde particulier verzekerde patiënten moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming, dan wel als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte werkzaamheden als bedoeld in artikel 22, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar de onder 1.4 vermelde pleitnota's.

4.2. Ter zitting is hieraan - zakelijk weergegeven - door belanghebbende het volgende toegevoegd. Het grootste deel van de particuliere patiënten komt bij ons via verwijzende neurologen. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de in de afdeling aanwezige sub-specialisaties. In een minderheid van de gevallen worden patiënten door de huisarts naar ons verwezen. De verwijzing geschiedt doorgaans door middel van een brief van de neuroloog aan de neurochirurg. Als het een patiënt betreft met een bijzondere omstandigheid wordt er ook gebeld. Ingewikkelde zaken worden in de afdelingsvergadering besproken die elke woensdag plaatsvindt. Voorts is er één keer per maand een stafvergadering over onder meer financiële kwesties, maar daarover valt niet veel te bespreken. Alleen als de maatschap verandert wijzigt er iets. Zo volgt na twee jaar een benoeming in vaste dienst. Voorts komt in de maandelijkse vergadering het protocol aan de orde, het functioneren van de ondersteuning en de contacten met buiten. Het protocol betreft bijv. kwesties als hoeveel dagen mogen hechtingen erin blijven. Voor de werkzaamheden buiten het EZ is er een aparte maatschap opgericht. Waar in de bij de aangifte gevoegde winst- en verliesrekening is vermeld 1996, had moeten staan 1995. Er is mondeling een maatschapsovereenkomst tot stand gekomen. Wij hebben ons ervan laten overtuigen dat een schriftelijk stuk niet nodig was. H heeft zijn declaratierecht ingebracht. Als de sleutel voor de onderlinge verdeling van het resultaat

wijzigt wordt dat schriftelijk vastgelegd. Daarvoor deed H een voorzet. Als daarbij een foutje werd gemaakt werd dat gecorrigeerd. Dat is bijvoorbeeld gebeurd toen een te hoog percentage voor de kas van de afdeling werd voorgesteld. Daarover is toen gesproken en dat is niet doorgegaan.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting nog het volgende toegevoegd. Cijfermatig is er met belanghebbende geen geschil. Indien belanghebbende met betrekking tot het onderne-merschap in het gelijk wordt gesteld kan de ingediende aangifte worden gevolgd. Belanghebbende beschikt niet over een zelfstandig declaratierecht. Daarover beschikt alleen H. Het declaratierecht wordt toegekend door de Raad van Bestuur van het EZ. Dat in het memo van het Hoofd Patiënten Administratie is geschreven dat belanghebbende als specialist over zelfstandig declaratierecht beschikt berust op een misverstand. Het afdelingshoofd kan de verdeelsleutel naar eigen inzicht wijzigen. Voor wat betreft de maatschap die werkzaamheden verricht buiten het EZ beschikt belanghebbende wel over een zelfstandig declaratierecht. Belanghebbende voldoet ook niet aan de voorwaarden die met betrekking tot de 'Medisch specialist zonder zelfstandig declaratierecht' zijn gesteld in het Besluit van de staatssecretaris van 2 december 1996, nr. DB96/4134M.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende is als neurochirurg verbonden aan de afdeling neurochirurgie van het EZ. Naast het loon dat belanghebbende toekomt uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij F, geniet hij met instemming van het EZ inkomsten voor het behandelen van particulier verzekerde patiënten in het EZ. In zijn aangifte heeft belanghebbende deze inkomsten als winst verantwoord. Voorts geniet belanghebbende ter zake van door hem als lid van Maatschap Neurochirurgen EZ buiten het EZ verrichte werkzaamheden winst uit onderneming. De kwalificatie van laatstgenoemde inkomsten is tussen partijen niet in geschil.

5.2. De honoraria ter zake van de behandelingen van particuliere verzekerde patiënten in het EZ worden niet door de behandelende specialist gedeclareerd. Dit geschiedt centraal via de Stichting I van het EZ met vermelding van de naam van het hoofd van de afdeling neurochirurgie. De langs deze weg geïnde honoraria komen na aftrek van kosten via een bepaalde verdeelsleutel toe aan de specialisten die bij de afdeling neurochirurgie werkzaam zijn en voorts aan een gemeenschappelijke kas van de afdeling neurochirurgie.

5.3. Met betrekking tot de inkomsten voor het behandelen van particulier verzekerde patiënten in het EZ stelt de inspecteur zich op het standpunt dat deze niet als winst uit onderneming, maar als inkomsten uit niet in dienstbetrekking verrichte arbeid worden genoten. Belanghebbende betwist het standpunt van de inspecteur.

5.4. Op grond van hetgeen is vermeld onder 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.10 en 2.11 en hetgeen daaromtrent door belanghebbende ter zitting nader is verklaard, acht het Hof het aannemelijk dat tussen de bij de afdeling Neurochirurgie van het EZ werkzame specialisten een samenwerkingsverband aanwezig is, gericht op de behandeling van particulier verzekerde patiënten in het EZ, waarbij het aan ieder van hen toekomende deel van de gedeclareerde honoraria niet wordt bepaald naar rato van de door ieder afzonderlijk behandelde patiënten.

Uit de verklaring van belanghebbende en uit de brieven van het hoofd van de afdeling neurochirurgie als vermeld onder 2.6 en 2.7 leidt het Hof af dat binnen dit samenwerkings-verband op zakelijke basis overleg plaatsvindt omtrent zowel financieel/organisatorische aangelegenheden als omtrent vakinhoudelijke kwesties. Dat, zoals de inspecteur heeft gesteld,

sprake is van ondergeschiktheid van belanghebbende aan het afdelingshoofd, is, voor zover dat al met de aard van de werkzaamheden van een neurochirurg zou zijn te verenigen, niet gebleken. Veeleer blijkt uit de door belanghebbende overgelegde stukken hoezeer ook aangelegenheden van organisatorische aard op voet van gelijkwaardigheid door de in de afdeling werkzame specialisten worden besproken. Daarbij vervult het afdelingshoofd, zo leidt het Hof uit de stukken af, de rol van voorzitter van het samenwerkingsverband.

5.5. Via een door het afdelingshoofd voorgestelde verdeelsleutel welke door de leden van het hiervoor genoemde samenwerkingsverband is aanvaard, als vermeld onder 2.6 en 2.7, zijn de leden van het samenwerkingsverband rechtstreeks gerechtigd tot de inkomsten die in het samenwerkingsverband opkomen. Dat geldt eveneens voor de kosten die de Stichting I op de bruto-inkomsten van het samenwerkingsverband inhoudt. Deze kosten hebben, zoals ook blijkt uit de brief die is vermeld onder 2.8, betrekking op door het EZ ter beschikking gestelde faciliteiten en administratieve werkzaamheden. Voorts acht het Hof het, gelet op hetgeen hierover is vermeld in de onder 2.10 aangehaalde brief, aannemelijk dat het debiteurenrisico dat verband houdt met het door het samenwerkingsverband verrichte werkzaamheden, met inachtneming van de verdeelsleutel, voor rekening komt van de leden van dat samenwerkingsverband en van de kas van de afdeling.

5.6. Aan hetgeen is vermeld onder 5.1, 5.2, 5.4 en 5.5, bezien in samenhang en onderling verband, verbindt het Hof als conclusie dat de behandeling van particulier verzekerde patiënten door de medisch specialisten verbonden aan de afdeling Neurochirurgie van het EZ mede voor rekening van belanghebbende geschiedt. Dat de declaraties aan de patiënten centraal werden verstuurd met vermelding van de naam van het hoofd van de afdeling Neurochirurgie doet hieraan niet af. Evenmin doet aan het vorenstaande af dat het hoofd van de afdeling neurochirurgie beschikt over een declaratierecht. In dit verband geldt bovendien dat aan de overige in de afdeling werkzame specialisten kennelijk eveneens een declaratierecht toekomt. Een en ander onder verwijzing naar hetgeen hieromtrent is vermeld onder 2.9 en 2.10. Het vorenstaande leidt ertoe dat de inkomsten die belanghebbende geniet uit hoofde van de behandeling in het EZ van particulier verzekerde patiënten, gelet ook op de aard en - voor zover dat uit de genoten inkomsten is af te leiden - de omvang van deze werkzaamheden, door hem terecht als winst uit onderneming zijn aangemerkt. Voor het geval belanghebbende met betrekking tot de kwalificatie van zijn inkomen in het gelijk wordt gesteld, heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat dan het belastbaar inkomen conform de ingediende aangifte kan worden vastgesteld. Het Hof ziet geen reden de inspecteur hierin niet te volgen. Het gelijk is aan belanghebbende.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van de normen van het Besluit proceskosten stelt het Hof het bedrag vast op ƒ 710 x 1 (voor proceshandelingen) x 1,5 (gewicht van de zaak) x 1 (samenhangende zaken) = ƒ 1.065. Van dit bedrag wordt aan elk van de drie samenhangende zaken ƒ 355 toegerekend.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 127.343;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van ƒ 355 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht van ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan op 20 november 2001 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Goes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op die dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.