Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7691

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2001
Datum publicatie
03-01-2002
Zaaknummer
99/987
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In Nederland gevestigde banken ontvangen in 1995 en 1996 interest op leningen verstrekt aan in Turkije gevestigde financiële instellingen, de Turkse overheid en aan in Turkije gevestigde commerciële cliënten. De bronbelasting van 25 % op interest van deze aard is bij besluiten van de Turkse ministerraad verminderd tot 0 %.

Hof: Dit is een verlaging van het algemene tarief op dergelijke uitgaande interest en geen verlaging ter aanmoediging van investeringen in Turkije die kwalificeert voor de tax sparing credit van art. 23, lid 2, onderdeel d, Verdrag met Turkije.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/121
V-N 2002/33.1.3
V-N 2002/5.9 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0065
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X N.V. te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 31 maart 1999, ingediend door mr. A (B & C te Z) als gemachtigde en aangevuld bij brief van 7 juli 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 12 maart 1999 (bijlage 5 verweerschrift), betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 (bijlage 1 aanvulling beroepschrift).

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van f 6.111.366 op f 2.140.976. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een eveneens berekend naar het Hof begrijpt van een belastbaar bedrag van f a doch verminderd met f b in verband met aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak en subsidiair tot vermindering van de aanslag met een nader te bepalen bedrag.

Met toestemming van de voorzitter van de Meervoudige belastingkamer heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

Ter zitting van 15 november 2000 is verschenen mr. A tot zijn bijstand vergezeld van D en mr. E, alsmede namens de inspecteur mr. T tot zijn bijstand vergezeld van mr. W en F. Belanghebbende en de inspecteur hebben ter zitting elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

De pleitnota's worden tot de gedingstukken gerekend.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting is tevens gevoegd behandeld de zaak nr. 99/986 van G N.V. waarin dezelfde geschilpunten aan de orde zijn. De stukken van dit geding worden geacht ook gedingstukken te zijn in die zaak en omgekeerd.

Bij brief van 17 januari 2001 heeft het Hof een concept proces-verbaal van het verhandelde ter zitting aan partijen toegezonden en daarbij gelegenheid geboden eventuele onjuistheden te signaleren. Dit leidde tot een briefwisseling die het Hof nader als een schriftelijke behandeling heeft aangemerkt. De briefwisseling bestaat uit de brieven van de gemachtigde van 1 februari en 20 april 2001 en de brieven van de inspecteur van 14 februari en 4 mei 2001. De partijen hebben afschriften van elkaars brieven ontvangen. Het Hof rekent het concept proces-verbaal en deze brieven tot de stukken van het geding. Partijen hebben telefonisch tegenover de griffier verklaard geen behoefte te hebben aan een tweede mondelinge behandeling.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is een in Nederland gevestigde financiële instelling die in hoofdzaak bancaire activiteiten verricht. In dat kader worden leningen verstrekt aan in Turkije gevestigde cliënten.

2.2.1. In 1996 ontving belanghebbende een belangrijk bedrag aan interestinkomen uit Turkije. Op dit bedrag is geen Turkse bronbelasting ingehouden.

2.2.2. Aanvankelijk verschilden proces-partijen van mening over de juiste omvang van dit bedrag alsmede over een aantal daarmede verband houdende cijfermatige aspecten. Met toestemming van belanghebbende heeft de inspecteur vervolgens een nader onderzoek bij belanghebbende ingesteld. De uitkomsten daarvan zijn neergelegd in het verweerschrift.

Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard zich aan de becijferingen van de inspecteur te willen conformeren.

2.2.3. Belanghebbende ontving in 1996 de volgende bedragen aan interest uit Turkije:

leningen aan financiële instellingen en intercompany f c

leningen aan commerciële bedrijven d

leningen aan de Turkse staat (T-bills) e

totaal g

Van deze rente inkomsten heeft f. i betrekking op leningen met een looptijd langer dan twee jaar en de rest op leningen korter dan twee jaar.

2.2.4. De aan de rente inkomsten toe te rekenen rentekosten bedragen f b zodat de brutomarge op deze leningen f 8.501.267 bedraagt.

2.3. Het algemene tarief voor bronbelasting op uitgaande interest betaald aan vennootschappen bedroeg in Turkije oorspronkelijk 25%. Bij besluit van de ministerraad van Turkije is dit percentage, ook voor de jaren 1995 en 1996, verlaagd tot 0%.

2.4. Tot de stukken behoort als bijlage van de aanvulling van het beroepschrift een brief van het Turkse Ministerie van Financiën voorzien van een vertaling. Daarin wordt geconcludeerd dat de tax sparing credit van toepassing is.

2.5. Tot de stukken behoort als bijlage bij de aanvulling van het beroepschrift een brief van de staatssecretaris van Financiën van 26 november 1997 alsmede - met betrekking tot government securities - als bijlage 3 bij de repliek het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 12 december 1997, nr. IFZ 97/1266M, V-N 1998/2.14. In beide stukken wordt geconcludeerd dat de tax sparing credit niet van toepassing is.

3. Geschil

In geschil is of, zoals belanghebbende verdedigt en de inspecteur betwist, terzake van de uit Turkije afkomstige interest een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting kan worden toegepast op de voet van het bepaalde in artikel 23, tweede lid, onderdeel d,van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 27 maart 1986, Tractatenblad 1986,67 (Nederlandse vertaling in Tractenblad 1987, nr. 197), hierna: het Verdrag. Ten aanzien van deze zogenaamde "tax sparing credit" is in het bijzonder in geschil of de verlaging van de Turkse bronbelasting van 25% tot 0% een tegemoetkoming is, verleend op grond van de bepalingen van de Turkse wetgeving ter bevordering van investeringen in Turkije, dan wel dat sprake is van een algemene verlaging van de tarieven.

4. Standpunten van partijen

Het Hof verwijst hiervoor naar de stukken van het geding waaronder de opinie van D (bijlage 3 repliek).

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Verdrag is stilzwijgend goedgekeurd door de Staten-Generaal en in werking getreden op 30 september 1988. De bepalingen van het Verdrag vinden toepassing met ingang van 1 januari 1989. Daar het Verdrag is gesloten in de Engelse taal en dus alleen de Engelse tekst authentiek is, zal het Hof van die tekst uitgaan.

5.2. Artikel 11, eerste en tweede lid, en artikel 23, tweede lid, aanhef en onderdeel d, luiden voor zover hier van belang, in de Engelse tekst:

Artikel 11, eerste en tweede lid,:

1. Interest arising in one of the States and paid to a resident of the other State may be taxed in that other State.

2. However, such interest may also be taxed in the State in which it arises and according to the laws of that state, but the tax so charged shall not exceed:

a. 10 per cent of the gross amount of the interest if it is paid on a loan made for a period of more than two years;

b. 15 per cent of the gross amount of the interest in all other cases.

Artikel 23, tweede lid, aanhef en onderdeel a,:

2. Double taxation for residents of the Netherlands shall be eliminated as follows:

d. Where, by reason of the relief given under the provisions of Turkish laws for the purpose of encouraging investment in Turkey the Turkish tax actually levied on (…) interest arising in Turkey (…) is lower than the tax Turkey may levy according to ( …)sub-paragraphs a and b of paragraph 2 of Article 11 (…), then the amount of tax paid in Turkey on such (..) interest (..) shall be deemed to have been paid at the rates of tax mentioned in the said provisions.

However, if the general tax rates under Turkish laws applicable to the afore-mentioned (…) interest (..) are reduced below those mentioned in this sub-paragraph, these lower rates shall apply for the purposes of this sub-paragraph. (…)

5.3. Nu de inspecteur zulks onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt gaat het Hof ervan uit dat geen overleg tussen Turkije en Nederland heeft plaatsgevonden over de uitleg van de onderhavige bepaling. De inspecteur kan in deze bij gemotiveerde betwisting niet volstaan met de enkele verwijzing naar een Besluit van de staatssecretaris van Financiën waarin van zo´n overleg wordt melding gemaakt.

5.4. Met partijen is het Hof van oordeel dat moet worden uitgegaan van een grammaticale uitleg van de aan de orde zijnde verdragsteksten.

5.5.1. Vast staat dat het wettelijke tarief van 25 % op door buitenlandse belastingplichtigen genoten interest op ondermeer staatsobligaties, schatkistpapier, waardepapieren uitgegeven door zekere overheidslichamen, en bepaalde obligaties bij besluiten van de Turkse ministerraad voor het onderhavige jaar is verlaagd tot 0 %. In de conclusie van repliek heeft belanghebbende de tekst van deze besluiten in Nederlandse vertaling weergegeven. Voor het jaar 1995 zijn kennelijk van belang de besluiten van 30 december 1993, 27 januari 1994 en 18 augustus 1994. De inspecteur heeft de juistheid ervan niet betwist zodat het Hof er van uitgaat. Uit deze besluiten kan het Hof slechts afleiden dat zonder verdere motivering het belastingpercentage voor bepaalde soorten inkomsten - ondermeer bepaalde soorten interest zoals interest op overheidspapier of op leningen aan banken - op een lager percentage wordt gesteld. Uit deze besluiten blijkt derhalve niet dat de vermindering tot - in dit geval - 0% alleen geldt voor leningen die verband houden met de bevordering van investeringen in Turkije.

5.5.2. Niet is aannemelijk gemaakt dat de leningen die hier aan de orde zijn, specifieke investeringsprojecten betroffen of dat aan deze leningen enige specifieke voorwaarde was verbonden.

5.5.3. Uit de laatste zin van art. 23, tweede lid onderdeel d, van het Verdrag (met name de zinsnede "if the general tax rates under Turkish laws applicable to the afore-mentioned interest are reduced") blijkt naar het oordeel van het Hof dat als tegemoetkoming ter bevordering van investeringen als bedoeld in de eerste volzin niet kan gelden een algemene verlaging van de voor staatsobligaties en andere vormen van waardepapieren geldende belastingtarieven op, kort gezegd, uitgaande interest.

Het Hof is van oordeel dat in dit geval het algemene tarief voor bepaalde soorten interest is verminderd tot nihil, derhalve ongeacht of de leningen bestemd waren voor investeringen, rentebetalingen, aflossing van staatsschulden, betaling van lopende

(staats)uitgaven of voor (andere) consumptieve uitgaven. Het Hof wil overigens niet uitsluiten dat de verlaging van dit algemene tarief mede is geschied met het oog op de stimulans die daarvan kan uitgaan op het investeringsklimaat. Elke verlaging van belastingtarieven op interest en dividend kan immers naar van algemene bekendheid is, onder omstandigheden die werking hebben. Voor het verlenen van een tax sparing credit is dit echter, gelet op de verdragstekst, niet voldoende.

5.5.3. Het gelijk is derhalve aan de inspecteur. De overige stellingen behoeven geen behandeling.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bestreden uitspraak.

De uitspraak is vastgesteld op 5 december 2001 door mrs. Smit, Van Loon en Spierdijk, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.