Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7683

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2001
Datum publicatie
03-01-2002
Zaaknummer
01/109
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof acht aannemelijk dat de in redelijkheid geraamde baten van de leges de in redelijkheid geraamde lasten ter zake niet te boven gaan. Niet ter zake doet dat de verordening geen maximum stelt aan de hoogte van de leges en aldus in theorie tot een batig saldo kan leiden. Er is geen rechtstreeks verband is vereist tussen de hoogte van de leges en de omvang van de van gemeentewege verleende dienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/547
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het hoofd van de afdeling Financiën, Planning en Control van de gemeente A.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 januari 2001, ingediend door mr. B (C advocaten) te D als gemachtigde en aangevuld bij brief van 13 februari 2001.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 27 november 2000 en verzonden op 28 november 2000, betreffende de aan belanghebbende uitgereikte legesnota voor bouwvergunning 00-304.

De nota beliep ƒ 504.915,25. Na bezwaar tegen de nota is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en van de nota.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting van 27 september 2001 is verschenen namens verweerder mr. F tot zijn bijstand vergezeld van G. Vorengenoemde gemachtigde heeft bij brief van 14 september 2001 laten weten dat belanghebbende geen gebruik zal maken van de mogelijkheid de zaak mondeling toe te lichten. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft tot doel het uitoefenen van een marketing- en management-advies-bureau alsmede het zich bezighouden met werving en selectie. Als handelsnaam hanteert zij 'X'. Enig bestuurder van belanghebbende is H B.V. I B.V. is alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van H B.V. J is enig bestuurder van I B.V..

2.2. Belanghebbende heeft met dagtekening 20 juni 2000 bij de gemeente A een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een opleidings- en trainingsinstituut aan de a-straat 1 te A. In de aanvrage wordt vermeld dat de bouwkosten zijn begroot op ƒ 32.093.000 excl. BTW. Met dagtekening 14 augustus 2000 heeft verweerder op grond van de Legesverordening 2000 van de gemeente A (hierna: de Verordening) van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 504.915,25 leges geheven. Tegen de nota is op briefpapier met briefhoofd 'K B.V.' met dagtekening 15 augustus 2000 een bezwaarschrift ingediend, ondertekend door J. Met dagtekening 27 november 2000 heeft verweerder uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. De uitspraak is gericht aan 'X, t.a.v. de heer J'. Bij de uitspraak is het bezwaar ontvankelijk verklaard en is de nota gehandhaafd.

2.3. Blijkens een overgelegd uittreksel van de beheersbegroting 2000 van de gemeente A zijn in die begroting de opbrengsten ter zake van leges geraamd op ƒ 1.475.725 en de desbetreffende uitgaven op ƒ 1.666.381.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar, of de legesverordening onverbindend is wegens strijd met artikel 229b van de Gemeentewet en of de in geding zijnde nota moet worden vernietigd omdat zij willekeurig en onredelijk is.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan het volgende toegevoegd.

Namens verweerder: In de beheersbegroting zijn de opbrengsten van bouwleges geraamd op grond van het gemiddelde aantal bouwaanvragen (400) en de verwachte aanvragen voor onder meer nieuwbouwlocaties. De opbrengst van leges over 2000 was, op rekeningbasis, ƒ 1.613.398. Ik weet niet hoe hoog de desbetreffende uitgaven zijn geweest. Daarbij moet worden bedacht dat de in geding zijnde bouwvergunning voor de gemeente niet alleen een bovengemiddeld bedrag aan leges, maar ook dito kosten heeft meegebracht. Het bezwaarschrift is ingediend door K zonder dat een machtiging is overgelegd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Naar het oordeel van het Hof volgt uit hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen - mede in het licht van artikel 42 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - dat J bevoegd was namens belanghebbende een bezwaarschrift in te dienen. Kennelijk heeft hij gebruik makend van die bevoegdheid tegen de in geding zijnde nota een bezwaarschrift ingediend. Daaraan doet niet af dat daarbij gebruik is gemaakt van het briefpapier van K. Blijkens de adressering van de uitspraak heeft verweerder dat ook begrepen. Nu geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld of aannemelijk geworden die aan de ontvankelijkheid van het bezwaar in de weg staan, acht het Hof belanghebbende ontvankelijk in haar bezwaar.

5.2. Belanghebbende stelt dat de verordening onverbindend is wegens strijd met artikel 229b van de Gemeentewet. Blijkens het door verweerder overgelegde uittreksel uit de beheersbegroting 2000 (bijlage 6 bij het verweerschrift) - het Hof heeft geen reden aan de juistheid van dat uittreksel te twijfelen - zijn de geraamde inkomsten uit leges lager dan de geraamde desbetreffende uitgaven. Het Hof heeft geen reden om ervan uit te gaan dat de ramingen niet redelijk zijn geweest. Dat geldt te meer nu, naar verweerder ter zitting heeft verklaard en welke verklaring het Hof aannemelijk acht, de gerealiseerde opbrengsten, met inbegrip van de in geding zijnde nota, op rekeningbasis ƒ 1.613.398 hebben bedragen, dus minder dan de geraamde uitgaven. Op grond van het vorenoverwogene acht het Hof aannemelijk dat de in redelijkheid geraamde baten van de leges de in redelijkheid geraamde lasten ter zake niet te boven gaan. Niet ter zake doet dat de verordening geen maximum stelt aan de hoogte van de leges en aldus in theorie tot een batig saldo kan leiden; beslissend bij de toetsing aan artikel 229b van de Gemeentewet is niet de uitkomst, maar de redelijkheid van de raming.

5.3. Belanghebbende stelt dat een absolute wanverhouding bestaat tussen de kosten welke zijn gemoeid met het administratief afhandelen van de onderhavige bouwaanvraag en de daartegenoverstaande leges. Ervan afgezien dat belanghebbende haar standpunt niet nader onderbouwt en geen stelling inneemt over de hoogte van de door haar bedoelde kosten, kan deze stelling niet tot gegrondverklaring van het beroep leiden, reeds omdat geen rechtstreeks verband is vereist tussen de hoogte van de leges en de omvang van de van gemeentewege verleende dienst (Hoge Raad 4 maart 1981, BNB 1981/142).

5.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond is.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 2 november 2001 door mrs. Schaap, Van Loon en Van Maanen, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.