Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD7046

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2001
Datum publicatie
13-12-2001
Zaaknummer
00/1226
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbendes bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting 1995 wordt door inspecteur ten onrechte als een bezwaarschrift tegen de verliesbeschikking art. 20a Vpb gekwalificeerd. Kosten van werkzaamheden aan een pand die ondernomen worden om het bedrijfsklaar te maken, dienen, ongeacht of het onderhoud of verbetering betref, te worden geactiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 9
FutD 2002-0073

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X BV te Hoofddorp, Z,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 22 maart 2000, ingediend door mr. A te S als gemachtigde en aangevuld bij brief van 29 juni 2000.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 15 februari 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1995.

De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 53.947. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil. Daarbij is ƒ 59.871 aan verlies uit voorgaande jaren verrekend.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur, tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil en tot een verrekening van verlies uit voorgaande jaren van ƒ 9.697.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot handhaving van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 27 maart 2001 is verschenen namens de inspecteur mr. B. De griffier heeft de hiervoor genoemde gemachtigde bij aangetekende brief van 19 februari 2001 mededeling gedaan van dag, uur en plaats van de mondelinge behandeling van het beroep. Namens belanghebbende is niemand verschenen.

De inspecteur heeft ter zitting een kopie van het aanslagbiljet overgelegd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De besloten vennootschap X BV (hierna belanghebbende) is opgericht op 26 juni 1985. Het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap bedraagt ƒ 175.000 verdeeld in 175 aandelen van elk nominaal ƒ 1.000. Hiervan zijn 36 aandelen geplaatst.

2.2. De aandelen van belanghebbende zijn in 1995 voor 50% in handen van de heer B, wonende R-plein 73-B te T en voor 50% in handen van de heer C, wonende R-plein 74-A te T.

2.3. De statutaire doelstelling, als weergegeven in het verweerschrift, van belanghebbende luidt als volgt:

"Het adviseren op het gebied van tekst en taal, het verlenen van redactionele diensten en voorts het verrichten van alle handelingen en diensten welke met het vooraanstaande in de ruimste zin in verband staan of daarvoor bevorderlijk kunnen zijn, het verkrijgen, bezitten, exploiteren, vervreemden of het anderszins gebruiken van roerende en onroerende zaken; alsmede het deelnemen in, het voeren van beheer en/of directie over, het financieren van, het samenwerking met dan wel het zich op andere wijze interesseren bij andere ondernemingen, het zich verbinden voor verplichtingen van ondernemingen, waarmee zij is verbonden en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande in de ruimste zin verband houd of daartoe bevorderlijk kan zijn."

2.4. Belanghebbende vormt samen met de heer D de maatschap E (hierna: de maatschap). De maatschap heeft als doel het exploiteren van onroerende zaken, in casu het pand gelegen aan het R-plein 73A en 74B. Belanghebbende neemt voor twee derde in de maatschap deel; de heer D voor één derde.

2.5. Op 2 februari 1994 verwerft de maatschap het recht op het uitsluitend gebruik van onder andere de ruimte op de begane grond met tuin, plaatselijk bekend als R-plein 73A (hierna: de parterre).

2.6. De parterre wordt in 1994 en 1995 verbouwd teneinde dit geschikt te maken voor gebruik als kantoorruimte. Partijen specificeren de verbouwingskosten als volgt:

a. GEB/DWL 5.389,92

b. Architectkosten 4.399,01

c. Sloopwerk 3.420,00

d. divers onderhoud 12.769,73

e. verbouwing 14.107,98

f. verbouwing 10.106,10

g. V.V.E/opstalverzekering/hoogheemraad 1.611,62

h. C.V. installatie 10.327,00

i. Aansluiting Eneco 877,50

j. M-ingenieurs 921,67

k. Vloertegels 1.937,50

l. Keuken 5.955,58

m. Marmoleum 2.622,51

n. Accountantskosten 580,00

o. Afschrijving kantoormeubelen 235,00

p. Totaal ƒ 75.261,12

2.7. Op 30 januari 1997 heeft belanghebbende aangifte gedaan voor de vennootschapsbelasting voor het jaar 1995. Zij heeft daarin de voor haar rekening komende kosten van de verbouwing van de parterre, zijnde (2/3 x ƒ 75.261,12) ƒ 50.174, in één keer ten laste van haar resultaat gebracht. Dit heeft geleid tot een aangegeven belastbare winst van ƒ 9.697. Met die winst heeft zij een bedrag van gelijke grootte aan verlies uit voorgaande jaren verrekend; aldus resteerde een aangegeven belastbaar bedrag van nihil.

In haar aangifte heeft belanghebbende bij 'vraag 1 m' om een verliesbeschikking verzocht.

2.8. Bij het vaststellen van de aanslag, gedagtekend 30 januari 1999, is de inspecteur als volgt van de aangifte afgeweken:

Aangegeven belastbare winst ƒ 9.697

Afwijkingen

- hypotheekrente 6.832

- kosten penthouse 47.171

- kosten parterre 50.174

104.177

Belastbare winst 113.874

Te verrekenen verliezen 59.927

Belastbaar bedrag ƒ 53.947

2.9. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur ten name van belanghebbende twee beschikkingen genomen. De eerste betreft een beschikking als bedoeld in artikel IV, tweede lid, van de Wet van 23 december 1994, Wet tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (onbeperkte voorwaartse verrekening van ondernemingsverliezen en vaststelling van verliezen bij beschikking; Stb. 1994, 937; verder de Wijzigingswet 1994). De inspecteur heeft in die beschikking (hierna: de artikel IV-beschikking) het totaalbedrag van de aan het einde van het boekjaar 1994 nog te verrekenen verliezen vastgesteld op ƒ 59.927.

Voorts heeft de inspecteur ten name van belanghebbende een beschikking ex artikel 21a, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de 21a-beschikking) genomen. In die beschikking heeft hij bepaald dat bij de vaststelling van het belastbare bedrag een verlies verrekend is van ƒ 59.927.

2.10. Bij brief van 8 februari 1999 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1995. Haar bezwaren richtten zich tegen de afwijking van de aangifte. De inspecteur heeft de brief van belanghebbende - blijkens zijn verweerschrift - opgevat als een bezwaar 'tegen de hoogte van het verrekende verlies ex artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969'.

2.11. Op 10 november 1999 schrijft de inspecteur aan belanghebbende dat gedeeltelijk tegemoet zal worden gekomen aan belanghebbendes bezwaren. De tegemoetkoming bestaat eruit dat van de onder 2.8. genoemde afwijkingen op de aangifte uitsluitend die betreffende de 'kosten parterre' gehandhaafd blijft.

2.12. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 15 februari 2000, is de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van nihil en is de 21a-beschikking gewijzigd in die zin dat bij de vaststelling van het belastbare bedrag rekening is gehouden met een verlies uit voorgaande boekjaren van ƒ 59.871.

3. Geschil

In geschil is of de in 1995 voor rekening van belanghebbende komende kosten van de verbouwing van de parterre, zijnde ƒ 50.174, dienen te worden geactiveerd, zoals de inspecteur verlangt, dan wel of die kosten, geheel of gedeeltelijk, direct ten laste van het resultaat over 1995 mogen worden gebracht, zoals belanghebbende voorstaat.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding. Kort samengevat komen deze op het volgende neer. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de verbouwingskosten enerzijds kosten terzake van het gebruik zijn en anderzijds kosten zijn die dienen om de parterre op te knappen en om achteruitgang te voorkomen. Uitgaven die dienen om het pand in tact te houden mogen in een keer ten laste van het resultaat gebracht worden.

Subsidiair is belanghebbende van mening dat in ieder geval de verbouwingskosten, vermeld onder 2.6, onder de letters a, g, i, j, n en o (in totaal ƒ 9.615,71), voorzover ten laste van belanghebbende komend (2/3 x ƒ 9.615,71 = ƒ 6.410,47), in een keer ten laste van het resultaat gebracht mogen worden.

4.2. De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat bij de verwerving van een bedrijfsmiddel het onderscheid tussen kosten van onderhoud en kosten van verbetering wegvalt. Zijns inziens dienen ingevolge BNB 1959/6 kosten die gemaakt worden om het bedrijfsmiddel in de staat te brengen waarin de ondernemer het voor zijn bedrijf wil gebruiken, te worden geactiveerd.

Subsidiair meent de inspecteur dat de verbouwingskosten gesplitst moeten worden in een deel dat op 1994 en in een deel dat op 1995 betrekking heeft. Het eerste deel is in 1995 niet aftrekbaar en van het tweede deel zijn uitsluitend de onderhoudskosten aftrekbaar. Dit betekent dat volgens het subsidiaire standpunt van de inspecteur ƒ 1.617,74 in 1995 aftrekbaar is.

4.3. Ter zitting heeft de inspecteur het bezwaarschrift, gedagtekend 8 februari 1999, ter inzage getoond. De inspecteur heeft verklaard dat de verbouwingskosten in het geheel niet op de balans voorkomen. Belanghebbende heeft deze kosten in één keer ten laste van het resultaat gebracht. Voorts heeft de inspecteur zich bereid verklaard om, indien het Hof van oordeel is dat de verbouwingskosten geactiveerd dienen te worden, een afschrijving in aanmerking te nemen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In zijn verweerschrift stelt de inspecteur dat belanghebbendes 'bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting jaar 1995 is aangemerkt als een bezwaar tegen de hoogte van het verrekende verlies ex artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969'. Naar het oordeel van het Hof is deze stellingname van de inspecteur onhoudbaar. Nu artikel 20a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (verder de Wet) betrekking heeft op de vaststelling van het bedrag van een verlies van een jaar bij voor bezwaar vatbare beschikking en artikel 21a van de Wet op de vaststelling van het bedrag van een verlies van een met de belastbare winst van een volgend jaar verrekend verlies bij een voor bezwaar vatbare beschikking, kan het niet anders dan dat in casu, waarin belanghebbende over 1995 een positieve belastbare winst aangaf, de inspecteur abusievelijk heeft gerefereerd aan artikel 20a van de Wet en heeft bedoeld te refereren aan artikel 21a van de Wet. Het derde lid van laatstgenoemd artikel bepaalt onder andere dat tegen de in het eerste lid bedoelde beschikking gerichte rechtsmiddelen alleen de grootte van het verrekende verliesbedrag kunnen betreffen, indien geen belasting verschuldigd is. Uit de ter zitting door de inspecteur overgelegde kopie van het betreffende aanslagbiljet blijkt echter dat belanghebbende na verrekening van de vastgestelde belastbare winst ad ƒ 113.874 met een verlies uit eerdere jaren groot ƒ 59.927 volgens de aanslag over 1995 ƒ 21.236 aan vennootschapsbelasting verschuldigd zou zijn. Belanghebbendes bezwaarschrift kan dan ook - in overeenstemming met de in diverse gedingstukken gebezigde bewoordingen - niet anders worden gekwalificeerd dan als een bezwaarschrift tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1995.

5.2. Indien een belastingplichtige ten behoeve van zijn bedrijf een pand koopt en daaraan werkzaamheden doet verrichten teneinde het in de staat te brengen waarin hij het voor zijn bedrijf wil gebruiken, maken de kosten van die werkzaamheden, onverschillig of zij voor het onderhoud dan wel ter verbetering van het pand zijn verricht deel uit van de aanschaffingskosten van het pand en behoren zij tezamen met de met de aankoop gemoeide kosten te worden geactiveerd.

5.3. Vaststaat dat belanghebbende in 1994 en 1995 de parterre van een pand heeft verbouwd teneinde deze parterre geschikt te maken voor gebruik als bedrijfsruimte. Het bedrijfsklaar maken van de parterre startte, aldus de inspecteur onweersproken verklaard heeft, in 1994 nadat de maatschap, waarvan belanghebbende deel uitmaakte, het uitsluitend recht op het gebruik van de parterre had verkregen. Hieruit leidt het Hof af dat de verbouwing er toe strekte om de parterre in de staat te brengen waarin belanghebbende het in zijn onderneming kon gaan gebruiken, zodat de in 1995 gemaakte verbouwingskosten, zoals weergegeven onder 2.6 en voorzover voor rekening komend van belanghebbende, tezamen met de aankoopkosten van de parterre dienen te worden geactiveerd. Derhalve dient belanghebbende een bedrag van ƒ 50.174 als zodanig te activeren.

5.4. Nu het gelijk aan de inspecteur is, is het beroep ongegrond.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 9 oktober 2001 door mrs. Van der Ouderaa, voorzitter, Goes en Hartman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.