Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD6111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
26-11-2001
Zaaknummer
00/1456
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof acht kosten gemaakt wegens zeiltochten met een gehuurde zeilboot ten behoeve van feestelijke bijeenkomsten met relaties en personeel op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1996) voor 75% aftrekbaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-2261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Grote ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 12 april 2000, ingediend door A (B Belastingadviseurs) te Q als haar gemachtigde en aangevuld bij brief van 31 mei 2000. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 10 maart 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 5.725.380. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 5.079.380. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van primair ƒ 4.729.383 en subsidiair ƒ 4.816.882.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert primair tot bevestiging van de bestreden uitspraak en subsidiair tot vernietiging daarvan en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar bedrag van ƒ 4.816.882.

1.4. Ter zitting van 10 april 2001 is verschenen gemachtigde voornoemd, tot bijstand vergezeld van mr. C, alsmede namens de inspecteur mr. drs. D. Beide partijen hebben een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Namens de inspecteur is voorts een duplicaat van het aanslagbiljet van de op 15 oktober 1998 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 1996 overgelegd. Belanghebbende heeft hiervan kunnen kennis nemen en zich erover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende houdt zich te zamen met een aantal dochtermaatschappijen bezig met werkzaamheden op het terrein van de grafische dienstverlening. Zij vormt met die

dochtermaatschappijen een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De omzet van belanghebbende beliep in 1996 ruim ƒ ###. Het aangegeven belastbare bedrag bedroeg ƒ 5.725.380.

2.2. In het onderhavige jaar heeft belanghebbende tot een bedrag van ƒ 349.997 kosten gemaakt wegens zeiltochten met het schip 'De FF' , een traditionele zeilboot die zij huurde van GG B.V. Belanghebbende maakte de zeiltochten met De FF ten behoeve van feestelijke bijeenkomsten met relaties en personeel.

2.3. De inspecteur is bij de behandeling van het bezwaarschrift ervan uitgegaan dat de onderwerpelijke kosten op grond van artikel 8a, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, tekst 1996, (hierna: de Wet) als kosten van vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden, bij het bepalen van de winst niet voor aftrek in aanmerking komen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil primair of artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet verbindendheid moet worden ontzegd wegens strijd met het discriminatieverbod neergelegd in artikel 26 van het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten van 19 december 1966 (hierna: BUPO), artikel 14 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: EVRM) en artikel 1 van het Protocol bij het EVRM van 20 maart 1952 (hierna: Protocol) en subsidiair of de kosten van ƒ 349.997 voor 75% in aftrek kunnen komen als kosten van feestelijke bijeenkomsten en vermaak als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, van de Wet.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding, waaronder de onder 1.4 vermelde pleitnota's.

4.2. Belanghebbende heeft ter zitting nog het volgende toegevoegd:

Voor zover bekend maakt HH B.V. geen deel uit van de fiscale eenheid en betreft het bedrag van ƒ 349.997 uitsluitend de huur van het schip. In de parlementaire geschiedenis gaat het over grote jachten en in casu over een schip dat wordt gebruikt voor uitstapjes met personeel en zakenrelaties. De wetgeving van voorheen was al voldoende om extremiteiten uit te sluiten van aftrek. Wat bijzonder is aan een vaartuig is onduidelijk. De wetgever heeft het ook niet gemotiveerd. Het privé element is het genoegen dat je wordt vervoerd. Het is niet anders dan bij een jubileum met een gehuurde trein naar Parijs gaan, zoals bij gemachtigde is geschied.

4.3. Namens de inspecteur is ter zitting nog het volgende naar voren gebracht:

Bij het begrip vaartuigen gaat het om een vervoermiddel over water. Bij vervoermiddelen niet over water kan voor 75% aftrek worden verleend. Het gaat hierbij niet om gelijke gevallen. Subsidiair wordt gesteld dat voor het onderscheid naar vervoermiddel een

rechtvaardiging kan worden gevonden: een schip leent zich meer voor privé gebruik dan een ballonvaartuig.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitsluiting van de aftrek van kosten voor vaartuigen in gebruik voor representatieve doeleinden niet rechtmatig is, omdat voor die uitsluiting geen rechtvaardiging bestaat nu de kosten van vergelijkbare vormen van luxe vermaak, zoals bijvoorbeeld een ballonvaart of trein- of tramrit, wel gedeeltelijk aftrekbaar zijn. Naar de opvatting van belanghebbende gaat het bij de kosten van een zeilvaartuig om kosten van vermaak waaraan steeds zowel een zakelijk als een privé aspect is verbonden, en dienen de belastingplichtigen die een ballonvaart dan wel een zeiltocht organiseren gelijkelijk te worden behandeld.

5.2. De inspecteur voert daarentegen aan dat de verdrags- en protocolartikelen, waarop belanghebbende zich beroept, het oog hebben op discriminatie van persoonsgebonden eigenschappen, dat het bij het inhuren van een vaartuig gaat om een bewuste keuze niet eigen aan de persoon en dat belanghebbende na de gemaakte keuze niet meer in dezelfde omstandigheid verkeert als een persoon die heeft gekozen voor een andere vorm van vermaak. Zo het voorgaande niet (geheel) juist mocht zijn, is de inspecteur van opvatting dat de huur van een vaartuig onvoldoende vergelijkbaar is met de huur van een ander vervoermiddel voor luxe vermaak. Voorts voert de inspecteur aan dat bij voldoende vergelijkbaarheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een onderscheid in fiscale gevolgen kan worden gevonden in de door de wetgever genoemde reden van doelmatigheid, te weten het voorkomen van discussie over het privé karakter van het gebruik van vaartuigen voor representatieve doeleinden. Ten slotte stelt de inspecteur zich op het standpunt dat, zo al aftrek mogelijk is, deze op grond van artikel 8a, tweede lid, van de Wet niet meer kan zijn dan 75% van de kosten.

5.3. Het hof verstaat de eerste stelling van de inspecteur aldus dat belanghebbende als rechtspersoon niet over de eigenschappen beschikt die worden genoemd in artikel 26 BUPO, artikel 14 EVRM en artikel 1 Protocol en dat zij daarom geen aanspraak kan maken op toepassing van die artikelen. Zulks gaat voor wat betreft artikel 1 Protocol reeds niet op, omdat dat artikel geen specifieke eigenschappen noemt naast die van het zijn van natuurlijk persoon of rechtspersoon. Voor wat betreft de artikelen 26 BUPO en 14 EVRM is het Hof van oordeel dat de in deze verdragsartikelen gegeven opsomming van eigenschappen en aspecten weliswaar meer zijn toegesneden op natuurlijke personen dan op rechtspersonen, maar dat dit niet betekent dat rechtspersonen op deze verdragsartikelen geen beroep kunnen doen ter afwering van discriminatie door de wetgever te hunnen aanzien. In zoverre is het gelijk aan belanghebbende.

5.4. Met betrekking tot de toepassing van het gelijkheidsbeginsel dan wel het beginsel van non-discriminatie, ingeval daarbij niet zozeer het handelen van de inspecteur ten aanzien van concrete verschillende belastingplichtigen maar in het bijzonder de normstelling van de wetgever moet worden getoetst, gaat het erom te bezien of de wetgever zijn normen zo heeft vastgesteld dat gelijke gevallen gelijk worden bejegend en ongelijke gevallen naar de mate van hun ongelijkheid. Genoemde beginselen houden evenwel niet in dat elke ongelijke bejegening van gelijke gevallen is verboden. Dit laatste

is niet het geval, indien de door de wetgever in het leven geroepen ongelijke bejegening van gelijke gevallen wordt gedragen door een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Of een zodanige rechtvaardiging aanwezig is, is niet steeds zonder twijfel. Gelet op de plaats die de wetgever in het staatsbestel inneemt, moet hem in dit opzicht een zekere beoordelingsruimte worden gelaten. Het vorenoverwogene brengt mee dat de rechter in de eerste plaats heeft te onderzoeken of bij de toepassing van wettelijke normen in een concrete situatie sprake is van gelijke gevallen en, zo ja, in de tweede plaats of de in de normstelling besloten liggende ongelijke bejegening gerechtvaardigd is.

5.5. Gesteld voor de vraag of in de situatie van belanghebbende sprake is van gelijke gevallen, is van belang vanuit welke gezichtshoek haar situatie wordt bezien. Belanghebbende geniet winst uit onderneming ter zake van welke winst in beginsel alle kosten en lasten in aanmerking worden genomen die zij heeft gemaakt ten dienste van en in verband met haar bedrijfsvoering. Tussen partijen is niet in geschil dat de door belanghebbende uitgegeven huur ter zake van 'De FF' is betaald ten dienste van en in verband met haar bedrijfsvoering. In zoverre is met betrekking tot de in artikel 8a, eerste en tweede lid, van de Wet genoemde posten sprake van gelijke gevallen. Nu de wetgever de aftrek met betrekking tot de kosten en lasten die zijn gemaakt ten dienste van en in verband met de bedrijfsvoering van een onderneming in een aantal gevallen heeft beperkt en soms geheel heeft uitgesloten, is verder onderzoek vereist in hoeverre met betrekking tot de verschillende posten sprake is van gelijke gevallen en, zo ja, of met betrekking tot die posten sprake is van een gerechtvaardigde ongelijke behandeling.

5.6. Voor wat betreft het tussen partijen gerezen geschil gaat het, naar het Hof opmaakt uit de door partijen ingenomen standpunten, om de kosten en lasten die verband houden met de volgende in artikel 8a, eerste en tweede lid, van de Wet genoemde posten:

a. vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden;

b. representatie waaronder begrepen recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak, waaraan met ingang van 1 januari 1997 is toegevoegd 'met inbegrip van de desbetreffende reizen en het desbetreffende verblijf'.

De kosten en lasten betreffende post a zijn geheel van aftrek uitgesloten. Die betreffende post b, onverminderd het bepaalde omtrent post a, zijn uitgesloten voor 25% (met ingang van 1997: voor 10%). Voor een verdere beoordeling van de onderlinge gelijkheid van deze posten is van belang na te gaan welke (aspecten van de) kosten en lasten de wetgever bij deze posten voor ogen hebben gestaan.

5.7. De vorenvermelde uitsluiting onderscheidenlijk beperking van de aftrek van bedrijfskosten en lasten is in de Wet ingevoegd met ingang van 1 juli 1989 bij Wet van 27 april 1989, houdende wijziging van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting (beperking van de aftrekbaarheid van gemengde kosten in de winstsfeer) Stb. 1989, 124. Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat aan deze wet ten grondslag heeft gelegen (Tweede Kamer 1988-1989, 20874, nr. 3, blz. 8) wordt met betrekking tot de beperking van de aftrekbare kosten in algemene zin het volgende opgemerkt:

"Met de woorden «die verband houden met» in de aanhef van het eerste en tweede lid (…) wordt aangegeven dat kosten en lasten in ruime zin moeten worden

opgevat. Indien bij voorbeeld de kosten van een relatiegeschenk op grond van artikel 8a, eerste lid, onderdeel a, niet aftrekbaar zijn, zijn ook de verzendkosten van dat relatiegeschenk niet aftrekbaar. Deze ruime strekking wordt beperkt

ingeval kosten en lasten die ingevolge de ruime strekking tot een bepaalde post zouden kunnen behoren, elders (…) onder eigen titel als post zijn opgenomen. De woorden «onverminderd het bepaalde in het eerste lid» in de aanhef van het tweede lid (…) geven daarbij aan dat de bepalingen van het eerste lid prevaleren boven die van het tweede lid. Bij wijze van voorbeeld kan gedacht worden aan de kosten van verblijf buiten de woonplaats welke normaliter (…) voor 75% aftrekbaar zouden zijn; verblijft men echter op een vaartuig voor representatieve doeleinden dan zijn de aan het vaartuig verbonden kosten op grond van het eerste lid (…) niet aftrekbaar."

5.8. Met betrekking tot de hiervoor onder 5.6 vermelde post a (hierna: post a) wordt blijkens de memorie van toelichting (blz. 9) gedoeld op "elke drijvende constructie welke voor representatieve doeleinden wordt aangewend" en moet onder 'onder representatief worden aangewend' worden verstaan "als niet voor beroepsvracht- of beroepsvervoer worden ingezet". Voorts wordt opgemerkt:

"Het gebruik van het vaartuig is derhalve doorslaggevend, niet de bouwaard. (…) Zoals hiervoor is uiteengezet, vallen alle kosten die verband houden met een post onder de beperking. Dit betekent voor de onderhavige post dat bij voorbeeld niet meer ten laste van de winst kunnen komen de kosten van brandstof, onderhoud, verzekering, ligplaats, winterstalling en eventueel personeel van het vaartuig."

Naar het oordeel van het Hof wijst de gegeven opsomming erop dat de wetgever met betrekking tot de aftrekuitsluiting een eigenaar/verhuurder van een vaartuig voor ogen heeft gestaan en niet de huurder van een vaartuig.

Met betrekking tot de hiervoor onder 5.6 weergegeven post b (hierna: post b) is in de memorie van toelichting (blz. 10) vermeld dat onder het begrip 'representatie' niet de giften worden begrepen en dat daardoor de bestaande aftrekmogelijkheid met betrekking tot activiteiten van het bedrijfsleven zoals bijvoorbeeld sponsoring gehandhaafd blijft. De begrippen 'feestelijke bijeenkomsten en vermaak' zijn niet toegelicht en hebben derhalve, in aanmerking genomen de onder 5.7 weergegeven algemene toelichting, evenals de begrippen 'vaartuig' en 'representatie' een ruime strekking.

5.9. Gelet op het overwogene onder 5.7 en 5.8 komt het Hof met betrekking tot de posten a en b te zamen genomen tot de volgende conclusies.

De ruime strekking van de door de wetgever gebezigde begrippen maakt dat de kosten en lasten van vaartuigen begripsmatig behalve onder post a ook onder post b kunnen worden gerangschikt ingeval die kosten en lasten verband houden met representatie, feestelijke bijeenkomsten of vermaak.

Voor zover evenwel ervan moet worden uitgegaan dat de kosten en lasten van de huurder van een vaartuig, in gebruik als drijvende constructie niet ingezet voor beroepsvervoer, niet onder post a vallen, is 75% van de kosten en lasten (de huur) aftrekbaar als die huur overigens verband houdt met representatie, een feestelijke bijeenkomst of vermaak. Aangezien vaststaat dat in casu de huur van 'De FF', zijnde een drijvende constructie niet ingezet voor beroepsvervoer, verband houdt met door belanghebbende

georganiseerde feestelijke bijeenkomsten van haar personeel en relaties, is deze huur in dat geval voor 75% aftrekbaar.

Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat de door belanghebbende uitgegeven huur voor 'De FF', als behorende tot de kosten en lasten van een vaartuig in gebruik als drijvende constructie niet ingezet voor beroepsvervoer, moet worden gerangschikt onder post a (de memorie van antwoord, 20874, nr. 6, blz. 9 doet zulks), doet zich samenloop voor met de terzelfder tijd mogelijke rangschikking van die huur onder post b. Alsdan komt de vraag aan de orde of het onderscheid dat de wetgever tussen de posten a en b heeft gemaakt ten aanzien van belanghebbende een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel als verwoord in artikel 26 BUPO, artikel 14 EVRM en artikel 1 Protocol.

5.10. Voor het antwoord op de onder 5.9 verwoorde vraag is het van belang nader te bezien welke eigenschappen en aspecten van post a, ingeval van samenloop met post b, een rol spelen bij de bepaling of die eigenschappen en aspecten, te zamen genomen, betekenen dat in zoverre voor post a en post b moet worden gesproken van gelijke gevallen. In casu gaat het om de huur van een vaartuig in gebruik als drijvende constructie niet ingezet voor beroepsvervoer, dat wordt gebezigd voor feestelijke bijeenkomsten.

Met betrekking tot de eigenschappen en aspecten van een vaartuig als drijvende constructie dat wordt gebezigd voor feestelijke bijeenkomsten gaat het om de mogelijkheid van verplaatsing, van onderling contact van de zich op het vaartuig bevindende personen en van de verzorging van die personen met als beoogd doel van die eigenschappen te zamen genomen het scheppen van een sfeer van (representatieve) feestelijkheid en/of vermaak. Dezelfde eigenschappen en aspecten zijn naar het oordeel van het Hof verbonden aan het voor feestelijke bijeenkomsten bezigen van luchtvaartuigen zoals een vliegtuig of ballon, van 'railvaartuigen' zoals een trein of een tram, en van 'wegvaartuigen' zoals een autobus of een landauer, bij gebruik van al welke vaartuigen de wetgever niet een regeling heeft getroffen als voor drijvende constructies. Waar het hier met betrekking tot de relevante eigenschappen en aspecten gaat om gelijke gevallen, dient derhalve te worden onderzocht of het door de wetgever aangebrachte onderscheid wordt gedragen door een objectieve en redelijke rechtvaardiging.

5.11. De meergenoemde memorie van toelichting (blz. 2) stelt voorop dat uitgangspunt is van het wetsvoorstel waarbij de hier aan de orde zijnde wetsartikelen hun vorm hebben gekregen, "om op pragmatische, soms arbitraire wijze een beperking aan te brengen in de aftrekbaarheid van gemengde kosten". Voorts is aldaar vermeld:

"Ik wijs er op dat de in dit voorstel opgenomen artikelen een limitatieve opsomming bevatten van bij de winstbepaling niet langer als kosten in aanmerking te nemen uitgaven. Daarbij moet echter wel worden bedacht dat het bestaande systeem voor de fiscale winstbepaling onaangetast blijft. Dit betekent dat kosten met een overwegend privékarakter en zogenaamde standsuitgaven ook na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht.

Dit wetsvoorstel leidt er slechts toe dat aftrek die thans in beginsel is toegestaan toch wordt uitgesloten of wordt beperkt vanwege het andere gewicht dat in het kader van de onderhavige voorstellen wordt toegekend aan het privé-element in de uitgave."

De memorie van toelichting vervolgt met op te merken dat het privé-element zowel de ondernemer betreft alsook degenen die bij hem in loondienst zijn en degenen met wie hij contacten onderhoudt.

5.12. De memorie van toelichting (blz, 2 onderaan) vermeldt als rechtvaardiging voor de algehele aftrekuitsluiting van de kosten van post a "het feit dat het privé-aspect hierbij voor de betrokkenen doorgaans een belangrijke rol zal spelen". De beperking van de aftrek tot 75% van onder meer de kosten van post b wordt gerechtvaardigd geacht enerzijds vanwege het privé-aspect van deze kosten en anderzijds vanwege de samenhang met de zogenoemde Oort-systematiek waarmee een rem is ingebouwd tegen het omzetten van belastbaar loon in onbelaste vergoedingen.

In de memorie van antwoord (20874, nr. 6, blz. 10) scherpt de staatssecretaris van Financiën de rechtvaardiging van de aftrekuitsluiting voor post a als volgt aan:

"Naar mijn mening heeft bij deze gemengde kosten het privékarakter zozeer de overhand (…) dat het de gehele of nagenoeg gehele kostenpost bestrijkt. Met betrekking tot de (…) andere posten waaraan een representatie-aspect is verbonden, is het zo dat ook deze, gegeven de systematiek van het wetsvoorstel, eerst als aftrekbare kosten moeten kunnen worden gekwalificeerd wil er sprake zijn van een aftrekpost. Is eenmaal komen vast te staan dat ter zake van deze posten van zakelijke kosten - zij het met een gemengd karakter - sprake is, dan wordt, in verband met het ten opzichte van de genoemde vaartuigen minder overheersende privékarakter (…) een beperking van de aftrekbaarheid van de desbetreffende kosten van 25% voorgesteld. (…) Ter voorkoming van misverstand merk ik nog op dat onder kosten en lasten die verband houden met vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden niet vallen de als reclamekosten aan te merken kosten ter zake van bij voorbeeld het sponsoren van een zeilrace."

In de nota naar aanleiding van het eindverslag (20874, nr. 9, blz. 7) wijst de staatssecretaris ten aanzien van de suggestie post a te rangschikken onder het 75%-aftrekregime nog eens erop dat:

"(…) bij deze post ten opzichte van andere posten het privékarakter zozeer de overhand heeft, dat mijn voorkeur blijft uitgaan naar een volledige niet-aftrekbaarheid."

en merkt hij ten slotte op (ibidem, blz. 7 en 8):

"Zoals (…) is uiteengezet, gaat het bij standsuitgaven niet en bij gemengde kosten wel om zakelijke kosten."

5.13. Op grond van het overwogene onder 5.11 en 5.12 en mede gelet op het overwogene onder 5.8 en 5.9 komt het Hof tot de volgende conclusies.

Bij de kosten en lasten van een vaartuig welke niet tot de standsuitgaven kunnen worden gerekend, gaat het om zakelijke kosten indien en voor zover deze worden gemaakt in verband met de bedrijfsuitoefening. Als de kosten en lasten van een vaartuig geheel een privé-karakter hebben, zijn het geen zakelijke kosten.

Met deze aan de Wet en de eerder genoemde wet van 27 april 1989 ten grondslag liggende uitgangspunten is niet goed verenigbaar dat de kosten en lasten van een vaartuig in de zin van 'een drijvende constructie niet ingezet voor beroepsvervoer' onder alle omstandigheden volledig van aftrek zijn uitgesloten, zeker niet in die gevallen waarin een zodanig vaartuig wordt gebruikt in het kader van een feestelijke bijeenkomst als daarbij in aanmerking wordt genomen dat voor andere - zoals is overwogen onder 5.10, vergelijkbare - vaartuigen geen bijzondere beperkingen van het daarin schuilende privé-element is opgenomen en dat daarmee de niet-aftrekbaarheid van de kosten en lasten van die vaartuigen in dat geval vanwege het privé-element niet verder is beperkt dan tot 25%.

De wetsgeschiedenis is op het punt van de niet-aftrekbaarheid van het privé-element, schuilende in de zakelijke kosten van vaartuigen, innerlijk tegenstrijdig en geeft niet een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een algehele uitsluiting van de kosten en lasten van 'vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden'. Ook het Hof ziet die rechtvaardiging niet. Wel is denkbaar dat het privé-element bij 'watervaartuigen' van groter gewicht is dan bijvoorbeeld bij luchtvaartuigen, maar niet dat dit verschil in gewicht 75% van de kosten en lasten van die vaartuigen bedraagt. In het midden kan blijven of het bepaalde omtrent post a in zijn geheel onverbindend is. Voor het onderhavige geval kan ermee worden volstaan te constateren dat met betrekking tot de huur van 'De FF' wegens schending van de door belanghebbende genoemde verdragsartikelen geen betekenis toekomt aan de in artikel 8a, tweede lid, van de Wet gebezigde woorden "onverminderd het bepaalde in het eerste lid", nu niet in geschil is dat dit vaartuig is gebruikt voor feestelijke bijeenkomsten, en dat op grond van het in vorenbedoelde verdragsartikelen neergelegde gelijkheidsbeginsel die huur moet worden gerangschikt niet onder artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet, maar onder artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de Wet.

5.14. Op grond van al het vorenoverwogene komt het Hof tot de slotsom dat het belastbare bedrag moet worden vastgesteld op ƒ 4.816.882.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur niet in stand kan blijven, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op ƒ 2.840, te weten ƒ 710 x 2 (voor proceshandeling) x 2 (voor gewicht).

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 4.816.882,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 2.840 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van ƒ 450 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 6 november 2001 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Hartman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van het beroep ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.