Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD5134

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2001
Datum publicatie
06-11-2001
Zaaknummer
23-001583-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001583-01

datum uitspraak 6 november 2001

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 23 april 2001 in de strafzaak onder parketnummer 16-028573-00

tegen

[verdachte]

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 29 januari 2001 en 9 april 2001 en de terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2001.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 april 2001 op vordering van de officier van justitie en in hoger beroep van 23 oktober 2001 op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

Een ter terechtzitting gedaan verzoek

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht dat het hof kennis zal nemen van fragmenten van de video-verhoren van verdachte.

Dit verzoek wordt afgewezen. Nog daargelaten dat de bedoelde video-opnamen niet tot het dossier behoren, is de noodzaak tot kennisneming daarvan door het hof niet gebleken. Immers, niet is gesteld en uit de samenvatting van die verhoren evenmin aannemelijk geworden dat de verdachte tijdens die verhoren op essentiële punten anders heeft verklaard dan tijdens de latere verhoren.

De bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2. primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Hoewel verdachte het onder 2. subsidiair tenlastegelegde zowel ter terechtzitting als bij de politie heeft erkend, zodat van die bekentenis twee verschillende bewijsmiddelen beschikbaar zijn, acht het hof dit feit niet wettig bewezen, nu deze bewijsmiddelen steeds dezelfde bron (namelijk verdachte) betreffen en in het dossier geen enkel steunbewijs voorhanden is. Het beginsel neergelegd in artikel 341 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, te weten dat het bewijs van het tenlastegelegde niet uitsluitend kan worden aangenomen op de opgaven van de verdachte, moet hier van toepassing worden geacht. Het hof zal verdachte derhalve ook voor dit feit vrijspreken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

- hij op of omstreeks 27 september 2000 te Utrecht opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk die [het slachtoffer]

- meermalen met kracht in het gezicht en tegen het hoofd en tegen het lichaam geslagen en geschopt en

- met haar voorhoofd tegen de grond geslagen en

- de mond en neus dichtgedrukt en vervolgens

- in drie plastic zakken verpakt en vervolgens

- met haar hoofd naar beneden, aldus in plastic zakken verpakt in een vuilnisbak, kliko, gegooid

ten gevolge van welke handelingen [het slachtoffer] is overleden.

Het hof acht de voorbedachte rade (moord) niet bewezen, omdat onvoldoende zekerheid bestaat of het verpakken en het in de vuilnisbak gooien van het lichaam van [het slachtoffer] de enige oorzaken van het overlijden waren. Niet uit te sluiten valt dat de daaraan voorafgaande en in opwelling of paniek gepleegde handelingen essentiële factoren voor het intreden van de dood hebben gevormd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1. primair bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van één jaar en plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

De verdachte heeft tegen dat vonnis hoger beroep doen instellen.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden en plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft volgens zijn eigen verklaring uit angst voor ontdekking van de zojuist door hem gepleegde ontuchtige handelingen, zijn 5-jarige buurmeisje op gruwelijke wijze van het leven beroofd in zijn ouderlijke woning. Hij heeft dit meisje geslagen en geschopt, met een priem gestoken en vervolgens, denkend dat zij dood was, in vuilniszakken verpakt en in een vuilnisbak gegooid. Verdachte, die toen zelf nog maar 14 jaar was, heeft kans gezien dit feit bijna drie weken zelfs voor zijn naaste omgeving verborgen te houden.

Door het handelen van verdachte heeft hij, enkel oog hebbend voor zijn eigen veiligheid, zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige en ingrijpende delicten die het Wetboek van Strafrecht kent en de familie van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht.

Het hof heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 21 augustus 2001, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft het hof kennis genomen van een drietal rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming; van 18 oktober 2000, opgemaakt door J. Vianen en L. Smulders, van 23 januari 2001, opgemaakt door J. Vianen, en van 28 maart 2001, opgemaakt door J. Vianen en E.L.M. Smulders.

In hun gezamenlijk rapport van 22 februari 2001 hebben drs. A.L.H. van Rijkom, plaatsvervangend directeur/hoofd behandeling/klinisch psycholoog, dr. L. de Graaf, psychiater en drs. M.T.P.F. Claes, psycholoog, de resultaten neergelegd van hun onderzoek naar de persoonlijkheidsstructuur van verdachte. De deskundigen komen in hun rapport - voor zover van belang en zakelijk weergegeven - tot de volgende conclusies:

1. Wat is de persoonlijkheidsstructuur van verdachte?

[Verdachte] is een jongen die een beleefde indruk maakt en oppervlakkig gezien goed contact kan leggen en onderhouden met zowel leeftijdgenoten als volwassenen. Wanneer hij gefrustreerd raakt, zich machteloos voelt of gekrenkt wordt door mensen met wie hij goede banden ervaart, lijkt hij zich hier geen raad mee te weten en uit hij dit, na zich eerst een langere tijd beheerst te hebben in boosheid. Herhaalde krenkingen kunnen na een aanvankelijke (over)aanpassing op een gegeven moment leiden tot een agressieve uitbarsting.

2. Op welke wijze speelt de persoonlijkheid een rol bij het plegen van de feiten?

In het geval van [verdachte] gaat het om twee te onderscheiden feiten. Ten eerste het onzedelijk betasten. Het komt de onderzoekers het meest waarschijnlijk voor dat [verdachtes] gedrag primair gezien dient te worden als een uiting van de behoefte aan macht, maar daarnaast tegelijk als leeftijdsadequaat experimenteergedrag. Het herhaaldelijk krenken van zijn eigenwaarde door het slachtoffer heeft ertoe geleid dat [verdachte] in een gestuwde agressieve toestand verkeerde, die zich in eerste instantie uitte in het onzedelijk betasten. Ten tweede het ernstig mishandelen van hetzelfde vijfjarige buurmeisje, leidend tot haar dood. Nadat hij haar betast had en zij enige tijd later aangaf naar huis te willen gaan, moet hij zich bewust zijn geworden van het gevaar dat hij hiermee zou kunnen lopen. Dit heeft bij hem tot angst en paniek, maar gaande het proces, vooral grote (narcistische) woede geleid. Doordat zij de betasting zou kunnen doorvertellen, was zij voor [verdachtes] gevoel hem nog steeds de baas en hij van haar afhankelijk. Deze woede valt te verklaren als een narcistische woede, omdat hij zich al herhaaldelijk gekrenkt heeft gevoeld door [het slachtoffer] en dit zijn gevoel van eigenwaarde te zeer aantastte.

3. Was er tijdens het plegen van de feiten sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid?

Wat betreft het betasten van het slachtoffer kan gesteld worden dat [verdachte], na het ondergaan van een reeks, door hem als krenkingen en irritaties ervaren gedragingen van [het slachtoffer], handelde vanuit woede en een onweerstaanbare behoefte zich te laten gelden. Er is bij [verdachte] sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de agressiehuishouding. [verdachte] heeft tijdens de mishandeling uit narcistische woede gehandeld, hij geeft zelf aan geen rem op zijn gedrag te hebben kunnen zetten, hetgeen heeft geleid tot een zeer ernstige impulsdoorbraak. Hij heeft gehandeld in een gedepersonaliseerde toestand. Verder is uit andere incidenten bekend dat als [verdachte] heeft toegegeven aan zijn agressieve impuls, hij niet in staat is dat op eigen kracht weer te stoppen. Bovenstaande maakt hem verminderd toerekeningsvatbaar.

4. Zijn er mogelijkheden om tot verandering van het gedrag van verdachte te komen?

[Verdachte] zal het meest gebaat zijn bij een langdurige behandeling binnen een leefgroep. Zowel voor zijn eigen veiligheid (gevaar voor suïcide) als die van anderen is het van belang deze te doen plaatsvinden binnen een gesloten setting. Hier krijgt hij gelegenheid langdurige relaties met mensen op te bouwen door wie hij onder meer krenkingen zal ondergaan. Behandelaars kunnen hem confronteren met zijn reacties daarop, wat een aangrijpingspunt kan bieden voor het oefenen van alternatieve reacties. De gesloten setting maakt het [verdachte] onmogelijk zich aan relatienetwerken te onttrekken. Specifiek wordt geadviseerd hem zowel gedragsmatig als cognitief te behandelen. Op gedragsmatig gebied dienen hem gedragsalternatieven te worden aangeboden. Wat betreft een cognitieve behandeling dient het accent te liggen op nieuwe cognities voor het omgaan met zijn agressieregulatie, het hem verschaffen van meer inzicht in en controle op zijn eigen gedragspatronen en het vergroten van zijn empathische vermogens.

6. Zijn er aan de hand van uw onderzoek opmerkingen te maken met betrekking tot (het effect van) de eventueel op te leggen straffen en/of maatregelen?

Gezien de ernst van het delict, zijn persoonlijkheidsstructuur, de door ons geconstateerde verminderde toerekeningsvatbaarheid en de ingeschatte duur en intensiteit van een behandeling wordt geadviseerd [verdachte] een pijmaatregel op te leggen. Daarnaast is deze strafrechtelijke behandelingsmaatregel van belang omdat [verdachte] een gevaar kan vormen voor anderen (kans op herhaling van een gevaarlijke agressieve impulsdoorbraak) en zichzelf, gezien zijn inmiddels geuite suïcidaliteit.

Voorts bevat het rapport op p. 12 het volgende:

De kans op recidive wordt door ons verhoogd ingeschat, omdat [verdachte] op momenten van cumulatieve narcistische krenkingen afweer van zijn woede steeds meer onder druk komt te staan, omdat hij zijn woede niet weet te stuiten. Het kan dan komen tot een extreme impulsdoorbraak.

Advies

Geadviseerd wordt [verdachte] een PIJmaatregel op te leggen. Een intensieve behandeling in een gesloten setting wordt geadviseerd. Binnen een leefgroep dient [verdachte] zowel gedragsmatig als cognitief behandeld te worden in het omgaan met krenkingen.

Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de begeleiders van verdachte in De K., M. Brinkerhof en R. Brandenbarg alsmede A.L.H. van Rijkom, klinisch pedagoog bij De K., als getuigen/deskundigen gehoord. Zij scharen zich achter de conclusie dat verdachte een intensieve behandeling nodig heeft in een gesloten setting.

Het hof verenigt zich met voormelde bevindingen en conclusies en maakt die tot de zijne.

Het bewezenverklaarde feit, waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt, is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De ernst van het bewezenverklaarde feit brengt mee dat met oplegging van deze maatregel niet kan worden volstaan en dat ook straf moet worden opgelegd. Door de rechtbank is aan verdachte in eerste aanleg de maximum straf voor een minderjarig persoon van de leeftijd van verdachte opgelegd. Deze straf is in hoger beroep door de advocaat-generaal wederom gevorderd. Hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring komt en verdachte zal vrijspreken van de onder 1. tenlastegelegde voorbedachte rade alsmede van het onder 2. tenlastegelegde, doet slechts de door de advocaat-generaal gevorderde straf recht aan de ernst van het bewezenverklaarde. Het hof zal verdachte derhalve eveneens tot de maximumstraf voor minderjarigen van zijn leeftijd veroordelen.

De vordering tot schadevergoeding

[Benadeelde partij], wonende te [woonplaats], ter terechtzitting in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. J.J. Weldam, heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van f 12.004,20 ingediend.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep betwist met uitzondering van de post: reiskosten/vliegticket, ten aanzien waarvan de raadsman heeft verklaard zich te refereren aan het oordeel van het hof.

De vordering van de benadeelde partij zal tot een bedrag van f 654,20 (reiskosten/vliegticket) worden toegewezen, nu aannemelijk is dat door hem tengevolge van het bewezenverklaarde schade is geleden en wel tot dat bedrag.

Het hof zal de benadeelde partij ten aanzien van het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu dit deel van de vordering niet van zodanig eenvoudige aard is dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77v, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2. primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de tijd van 12 (TWAALF) MAAN-DEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht.

Legt aan de verdachte de maatregel op van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Adviseert dat deze maatregel bij voorkeur zal worden tenuitvoergelegd hetzij in De K. te Zutphen, hetzij in De H. te Nijmegen.

Veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [nummer], f 654,20 (ZESHONDERD VIERENVIJFTIG GULDEN EN TWINTIG CENT) te betalen, vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de ten-uitvoer-legging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige gedeelte van de vordering.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Schreuder, Bockwinkel en Mijnsberge, in tegenwoordigheid van mr. Kubbinga als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2001.