Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD5076

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-10-2001
Datum publicatie
05-11-2001
Zaaknummer
00/03763
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van X om toekenning van energiepremie voor isolatiemateriaal is afgewezen omdat het buiten de daarvoor geldende termijn van dertien weken is ingediend. Op het aanvraagformulier is vermeld dat het moet worden ingezonden nadat het materiaal is aangebracht, maar dat het in ieder geval binnen dertien weken na datum van aanschaf moet zijn ingediend, wordt niet vermeld. Het Hof oordeelt dat het aan onzorgvuldigheid van de administratie te wijten is dat X de termijn overschreed en dat het verzoek van X om toekenning van de premie in dit geval niet kan worden afgewezen op de grond dat de aanvraag is ingediend buiten de gestelde termijn van dertien weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 1636
FutD 2001-2211
V-N 2002/11.7

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Team Energiepremies te P, hierna de inspecteur, gedagtekend 3 oktober 2000, betreffende de beschikking tot het niet toekennen van de door belanghebbende aangevraagde energiepremie.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 september 2001.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak alsmede de beschikking;

- gelast A aan belanghebbende de gevraagde energiepremie ad ¦ 505 uit te keren;

- gelast de inspecteur deze uitspraak bekend te maken aan A;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 25 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende heeft op 29 februari 2000 bij bouwmarkt G (hierna: de bouwmarkt) te Q isolatiemateriaal aangeschaft. Het materiaal heeft hij nadien aangebracht in de vloer van zijn woning. Belanghebbende heeft met gebruikmaking van de aan hem ten tijde van aanschaf door de verkoper van de bouwmarkt verstrekte energiepremiebon een verzoek om toekenning van de energiepremie bij A, het energiebedrijf waarvan belanghebbende energie betrekt, ingediend. De energiepremiebon - door partijen ook wel aangeduid als aanvraagformulier - is ondertekend op 7 juli 2000 en door A ontvangen op 12 juli 2000. In een brief van 13 juli 2000 heeft A het verzoek van belanghebbende afgewezen omdat de aanvraag van belanghebbende buiten de daarvoor geldende termijn van maximaal dertien weken na aanschaf van de isolatiematerialen is gedaan.

2. Belanghebbende heeft in een schrijven met dagtekening 14 juli 2000 de inspecteur verzocht uitspraak te doen over het door hem ingediende verzoek tot toekenning van de energiepremie en daarbij aangegeven niet op de hoogte te zijn geweest van de termijn waarbinnen een aanvraag moest worden ingediend omdat dit niet uit het aanvraagformulier bleek. De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende bij voor bezwaar vatbare beschikking afgewezen en hierbij verwezen naar de binnenzijde van het energiepremiebonnenboekje, waar een handleiding voor de medewerker van de bouwmarkt is opgenomen en waarin de termijn van dertien weken vermeld staat.

3. Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen deze beschikking en dit bezwaar als volgt gemotiveerd:

"(...) Deze tekst van het bonnenboekje was mij, tot de ontvangst van uw brief, niet bekend. Het is ook een handleiding voor de medewerker bouwmarkt, dus niet voor mij als consument bedoeld.

Bij aanschaf van het isolatiemateriaal bij de bouwmarkt is mij een niet ingevulde energie premiebon meegegeven met de mededeling deze thuis in te vullen, daarbij in acht nemend het mogelijk retourneren van materiaal, ergo wacht tot je klaar bent, dan kunnen ongeopende pakken isolatiemateriaal geretourneerd worden. De periode van 13 weken is hierbij noch mondeling, noch schriftelijk gemeld.

In juni, toen ik mijn werkzaamheden had voltooid, ben ik met de door mij gedeeltelijk ingevulde energie premiebon naar de bouwmarkt gegaan en daar heeft men de bon van een stempel voorzien. Ook toen is de termijn van 13 weken niet genoemd (...)".

Het bezwaarschrift is op 29 augustus 2000 door de inspecteur ontvangen.

4. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende in zijn uitspraak op het bezwaarschrift gedagtekend 3 oktober 2000 afgewezen en bij de beoordeling van het bezwaar het volgende opgemerkt:

"Met betrekking tot de Energiepremieregeling is met de bouwmarkten afgesproken dat deze het aanvraagformulier dienen in te vullen en, zoals het ook in de interne handleiding voor de bouwmarkt staat, u op de hoogte dienen te stellen dat het aanvraagformulier binnen 13 weken na datum aankoop bij het energiebedrijf ingediend moet zijn.

Het aanvraagformulier is in dit geval niet binnen 13 weken na datum aankoop bij het energiebedrijf ingediend."

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op het bezwaarschrift beroep aangetekend.

5. Uitsluitend in geschil is of het afwijzen van het verzoek van belanghebbende om energiepremie toe te kennen omdat dit verzoek buiten de termijn van dertien weken na betaling is gedaan terecht is. De hoogte van de energiepremie en het voldaan zijn aan overige voorwaarden voor toekenning van de energiepremie zijn niet in geschil.

6. Het beroepschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 6 november 2000. Belanghebbende heeft in dit beroepschrift het volgende gesteld:

"(...) Reden van afwijzing door het team energiepremies is het feit dat ik niet binnen een periode van 13 weken mijn aanvraagformulier heb ingezonden naar het energiebedrijf. Mijn verweer dat deze periode van 13 weken op geen enkele wijze aan mij kenbaar is gemaakt wordt afgedaan met de opmerking dat de interne handleiding voor de 'medewerker van de bouwmarkt' dit duidelijk zou maken, hierin wordt vermeld dat de klant (ik dus) het formulier binnen 13 weken op moet sturen. Deze informatie is mij nooit medegedeeld, nog onder ogen gekomen op het moment van aanschaf. Tevens wordt in alle documentatie die mij wel ter beschikking is gesteld (aanvraagformulier, informatieblad en folder) nergens gerept over deze periode. (er worden echter wel allerlei andere voorwaarden opgesomd). De periode van 13 weken werd mij pas bekend op het moment dat ik de afwijzing van mijn verzoek tot premie ontving (...)".

7. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift gesteld dat de voorgeschreven termijn van openbare orde is zodat daarvan niet kan worden afgeweken. Voorts heeft de inspecteur gesteld dat belanghebbende zelf een risico op zich heeft genomen door niet de juiste procedure voor het invullen van de energiebon in acht te nemen en dat belanghebbende de mogelijkheid heeft gehad om nader te informeren naar de regeling.

8. Ter zitting hebben partijen aan het vorenstaande - kort en zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

Belanghebbende heeft verklaard:

Ik heb in februari 2000 het materiaal aangeschaft en ben toen van een energiebon voorzien. Verdere informatie heb ik niet ontvangen. Op de achterkant van de bon stond zelfs vermeld "stuur de aanvraag voor de energiepremie pas in als u zeker weet dat u niet meer hoeft te ruilen". De folder met aanvraagformulier die de inspecteur bij zijn verweerschrift heeft overgelegd is kennelijk later in gebruik genomen. Het door mij gebruikte formulier kwam uit het bonnenboek van de bouwmarkt.

De inspecteur heeft verklaard:

Wij hebben met de betrokken bedrijven een procedure afgesproken die zij moeten uitvoeren. Wij gaan ervan uit dat die procedure wordt uitgevoerd. Het hiervoor gebruikte formulier is door de Staatssecretaris van Financiën bij Ministeriële regeling vastgesteld. Op het in dit geval gebruikte formulier stond de termijn van dertien weken nog niet expliciet vermeld. Op de nieuwe formulieren is dat inmiddels wel het geval.

9. In artikel 36p van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst voor het jaar 2000 en hierna te noemen: de Wet) is het volgende bepaald:

1. Op de belasting die is verschuldigd ter zake van de levering van aardgas en elektriciteit wordt een vermindering toegepast ter zake van de bedragen die de belastingplichtige heeft uitgekeerd in verband met de aanschaf van niet eerder gebruikte energiezuinige apparaten of energiebesparende voorzieningen (energiepremies).

2. De vermindering bedraagt per apparaat of voorziening een door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling aangewezen bedrag. De vermindering wordt slechts toegepast indien wordt aangetoond dat dit bedrag als energiepremie is uitgekeerd aan degene die ter zake van de aanschaf van dat apparaat of die voorziening bij de belastingplichtige een verzoek om toekenning van de energiepremie heeft ingediend en de verzoeker de eigenaar, de huurder of de verhuurder van een als woning gebruikte onroerende zaak is, waaraan de belastingplichtige aardgas of elektriciteit levert.

3. Degene die ter zake van de aanschaf van het apparaat of de voorziening bij de belastingplichtige een verzoek om toekenning van de energiepremie heeft ingediend kan zich bij geschillen met betrekking tot de toekenning van de energiepremie wenden tot de inspecteur met het verzoek over dat verzoek een uitspraak te doen. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. De beschikking wordt mede bekendgemaakt aan de belastingplichtige. Indien de beschikking strekt tot uitkering van de energiepremie, is de belastingplichtige daartoe gehouden.

4. De belastingplichtige bedoeld in het eerste lid wordt met betrekking tot het uitkeren van energiepremies niet aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een vermindering van de belasting eveneens kan worden toegepast ter zake van een bij die regeling te bepalen bijdrage in de kosten van door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer goedgekeurde specifieke programma's ter bevordering van energiebesparing.

6. Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de vermindering wordt verleend en kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

De in het zesde lid van voornoemd artikel bedoelde voorwaarden zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (tekst voor het jaar 2000 en hierna te noemen: de Uitvoeringsregeling). In artikel 8n van laatstgenoemde regeling is het volgende bepaald.

1. Het verzoek om toekenning van de energiepremie bedoeld in artikel 36p, tweede lid, van de wet wordt gedaan bij de belastingplichtige die aardgas of elektriciteit levert aan de als woning gebruikte onroerende zaak ten behoeve waarvan het apparaat of de voorziening is aangeschaft.

2. Het verzoek wordt gedaan nadat de voorziening is aangebracht of het apparaat in gebruik is genomen doch ten hoogste dertien werken na aanschaf van de voorziening of het apparaat.

3. Het verzoek wordt gedaan met gebruikmaking van een formulier dat in overeenstemming is met één van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen modellen EP1, EP2, EP3 en EP4.

4. Het verzoek kan niet worden gedaan indien:

a. het gezamenlijk bedrag van de energiepremies per verzoek minder bedraagt dan ƒ 100;

b. het een voorziening betreft ten behoeve van een woning, waarvoor de bouwvergunning is afgegeven op of na 1 januari 1998.

10. Belanghebbende heeft gebruik willen maken van een premieregeling ter zake van het aanbrengen van isolatiemateriaal in zijn woning. Daarvoor heeft hij een aanvraagformulier ingevuld dat hem is aangereikt door een medewerker van de bouwmarkt waar hij de desbetreffende materialen heeft gekocht.

11. Naar volgt uit het hiervóór weergegeven derde lid van artikel 8n van de Uitvoeringsregeling en uit de verklaring van de inspecteur ter zitting, is het formulier dat door belanghebbende is gebruikt vastgesteld door de staatssecretaris van Financiën. In het formulier is in een kader, opgenomen vóór de plaats waar het formulier moet worden ondertekend, de volgende tekst weergegeven: "De aanvrager verklaart dat (…) de maatregelen zijn aangebracht". Voorts is in een aan het slot van het formulier opgenomen kader een aantal waarschuwingen vermeld, waarvan één als volgt luidt: "Stuur de aanvraag voor de energiepremie pas in als u zeker weet dat u niet meer hoeft te ruilen".

12. In het formulier is belanghebbende aldus voorgehouden dat hij met de indiening moest wachten tot zeker was dat aangeschafte materialen niet werden geruild en voorts diende belanghebbende te verklaren dat de maatregelen, in casu de isolatie, op het tijdstip van ondertekening van het formulier reeds waren aangebracht. Dat de aanvraag bij het energiebedrijf moest zijn ingediend binnen dertien weken na aanschaf van het isolatiemateriaal, ook al zouden de maatregelen dan nog niet zijn aangebracht, werd in het formulier niet vermeld.

13. Belanghebbende heeft verklaard dat hij door de medewerker van de bouwmarkt en ook anderszins niet is gewezen op de termijn van dertien weken. Het Hof acht deze verklaring aannemelijk. De inspecteur stelt daar tegenover dat de medewerker van de bouwmarkt dit wel had behoren te doen en dat het niet juist uitvoeren van de procedure voor rekening van belanghebbende komt. Het Hof kan de inspecteur daarin niet volgen. Niet valt in te zien op welke grond de omstandigheid dat het personeel van de bouwmarkt verzuimt de in het kader van de uitvoering van de premieregeling gegeven instructies op te volgen aan belanghebbende kan worden toegerekend.

14. Nu belanghebbende in zijn handelen is afgegaan op de onder 11 hiervóór vermelde mededelingen op het formulier en daardoor met het indienen ervan buiten de daarop juist niet vermelde termijn van dertien weken geraakte, is het naar het oordeel van het Hof te wijten aan onzorgvuldigheid van de administratie, te weten het verstrekken van onvolledige informatie over het tijdstip van indiening van de aanvraag, dat belanghebbende de termijn overschreed. Belanghebbende mocht erop vertrouwen dat als hij zich hield aan de aanwijzingen op het formulier, hij niet zou worden geconfronteerd met een nadere, van die aanwijzingen afwijkende, regel met betrekking tot de indiening van het aanvraagformulier. Onder deze omstandigheden kan het verzoek van belanghebbende om toekenning van de premie niet worden afgewezen op de grond dat de aanvraag is ingediend buiten de in artikel 8n van de Uitvoeringsregeling gestelde termijn van dertien weken.

15. Gelet op het vorenoverwogene verklaart het Hof het beroep gegrond. Het Hof zal alsnog beslissen wat de inspecteur had moeten doen, namelijk A gelasten de energiepremie uit te keren.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien gesteld noch gebleken is dat andere in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan de reiskosten voor het bijwonen van een zitting te Q door belang-hebbende, zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op ¦ 25.

De uitspraak is gedaan op 5 oktober 2001 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.