Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AD4828

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2001
Datum publicatie
25-10-2001
Zaaknummer
00/4106
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderscheid in hoogte verzuimboete voor niet tijdig indienen aangifte tussen gevallen waarin positieve aanslag wordt opgelegd en gevallen van nihil- of negatieve aanslag niet in strijd met verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel. Hoogte boetes in casu passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-2110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur, gedagtekend 31 oktober 2000, betreffende de boete begrepen in de aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998 en

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur, gedagtekend 31 oktober 2000, betreffende de boete begrepen in de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

Het Hof heeft de beroepen op de voet van artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht gevoegd en deze behandeld ter zitting van 28 juni 2001.

Beslissing

Het Hof verklaart de beroepen ongegrond.

Gronden

1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het indienen van haar aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en voor de premie arbeids-ongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) voor het jaar 1998 uitstel verleend tot uiteindelijk 1 juni 2000. Toen bleek dat belanghebbendes aangiften niet binnen de gestelde termijn waren ingediend, heeft de inspecteur met dagtekening 7 juli 2000 een aanmaning verzonden. De inspecteur bood belanghebbende daarbij tot 24 juli 2000 de mogelijkheid om de aangifte alsnog in te dienen zonder dat daarbij een boete zou worden opgelegd.

2. De inspecteur heeft de aangiften uiteindelijk op 25 augustus 2000 ontvangen. Bij het regelen van de aanslag in de premie WAZ heeft de inspecteur op grond van § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998) aan belanghebbende voor het niet tijdig doen van de aangifte een boete voor een eerste verzuim opgelegd van ƒ 250. De verschuldigde premie WAZ bedroeg na verrekening van de voorlopige aanslagen ƒ 672. De boete voor het niet tijdig indienen van de aangifte voor de IB/PVV bedroeg ƒ 750, aangezien daar - zo staat tussen partijen vast - sprake was van een tweede verzuim. De verschuldigde IB/PVV bedroeg na verrekening van de voorlopige aanslagen ƒ 1.784.

3. Belanghebbende is van mening dat de boetes van ƒ 250 en ƒ 750 dienen te worden verlaagd naar - naar het Hof begrijpt - ƒ 50 en ƒ 150. De boetes zouden op grond van § 21, derde lid van het BBBB 1998 naar die bedragen zijn opgelegd, als belanghebbendes aanslagen op nihil of op negatieve bedragen zouden zijn vastgesteld. Belanghebbende stelt dat het niet tijdig doen van een aangifte niet strafwaardiger is als de aanslag op een positief bedrag wordt vastgesteld dan wanneer de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld. Door hierin wel een onderscheid te maken schendt de besluitgever naar het oordeel van belanghebbende het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel.

4. Belanghebbende is voorts van mening dat de inspecteur ten onrechte de boetes naar de bedragen van ƒ 250 en ƒ 750 heeft opgelegd. Hij verwijst daarvoor naar de toelichting op § 9 van het BBBB 1998, waarin onder meer het volgende is bepaald:

"Een boete mag niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan het opleggen van een straf. De boete is geen rentevergoeding, geen compensatie voor niet verhaalbare belasting en evenmin een compensatie voor administratieve kosten."

Door een hogere boete te heffen als de aanslag op een positief bedrag wordt vastgesteld, gebruikt de inspecteur boete in de visie van belanghebbende om extra financieringsvoordelen te behalen. Dit is naar het oordeel van belanghebbende in strijd met hetgeen is bepaald in de toelichting op § 9 van het BBBB 1998. Om die reden is belanghebbende van oordeel dat het Hof de boetebeschikking zal moeten vernietigen.

5. Belanghebbende is voorts nog van mening dat de hoogte van de boetes in beide gevallen niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van het verzuim. Belanghebbende koppelt daarbij de ernst van het verzuim aan het bedrag van de aanslag.

6. In zijn arrest van 14 juni 2000, BNB 2000/302, overweegt de Hoge Raad dat het voor de strafwaardigheid van het niet tijdig indienen van de aangifte van belang is of de fiscus op de uiterste datum voor indiening van de aangifte financieel is benadeeld door het niet tijdig doen van de aangifte. Het BBBB 1998 biedt de mogelijkheid om de strafwaardigheid te toetsen op het moment van indiening van de aangifte waardoor voorlopige aanslagen, die in de periode tussen de uiterste datum voor indiening van de aangifte en het moment van de indiening daarvan zijn opgelegd, nog mogen worden verrekend.

7. Vast staat dat belanghebbende zowel op 1 juni 2000 als op 25 augustus 2000 nog een bedrag van ƒ 672 aan premie WAZ verschuldigd was en dat hij op beide data voorts nog een bedrag van ƒ 1.784 aan IB/PVV moest betalen. Belanghebbende heeft deze bedragen mede door het niet tijdig indienen van de aangifte niet op tijd aan de fiscus betaald. Hij heeft de fiscus hierdoor in ieder geval tot het moment van indiening van de aangifte benadeeld. Dat de fiscus door het berekenen van heffingsrente uiteindelijk geen nadeel heeft ondervonden, doet niet ter zake aangezien de benadeling uiterlijk dient te worden getoetst op de datum van indiening van de aangifte. Nu belanghebbende de fiscus op het moment van indiening van de aangifte wel financieel heeft benadeeld en personen, ten aanzien van wie de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld, dit niet hebben gedaan, is geen sprake van gelijke gevallen. Belanghebbendes beroep op het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel faalt mitsdien.

8. Op belanghebbendes stelling dat de hogere boetes bij een positieve aanslag leiden tot ongeoorloofde extra financieringsvoordelen, overweegt het Hof als volgt. Zoals het Hof onder 6. hiervoor reeds overwoog, is het niet tijdig indienen van een aangifte strafwaardiger als de aanslag uiteindelijk op een positief bedrag wordt vastgesteld dan wanneer de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld. Een hogere boete is in dat geval op zijn plaats. De hoogte van de boete dient echter wel in verhouding te staan tot de ernst van het vergrijp. De hoogte van het verschuldigde belasting- of premiebedrag kan - in het algemeen gesproken - van invloed zijn op de ernst van een verzuim. De ernst van het verzuim wordt in dit geval bepaald door andere factoren.

9. Belanghebbende heeft haar aangiftes twee maanden en 24 dagen na de uiterste termijn voor het indienen van de aangifte ingediend. Een dergelijke termijnoverschrijding brengt een forse verstoring van de heffing en invordering van de premie WAZ en de IB/PVV met zich mee. Om die reden acht het Hof een boete van ƒ 250 voor een eerste verzuim en een boete van ƒ 750 voor een tweede verzuim in het onderhavige geval passend en geboden, te meer nu de inspecteur belanghebbende in de aanmaning een alleszins redelijke termijn heeft geboden om haar aangiftes alsnog in te dienen. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende verdedigt, maakt het feit, dat belanghebbende slechts ƒ 672 aan premie WAZ en ƒ 1.784 aan IB/PVV verschuldigd was, de ernst van het verzuim niet minder.

10. Voor zover belanghebbende stelt dat hij twee maal gestraft wordt voor het te laat indienen van een enkel aangiftebiljet, faalt dit betoog. Hoewel de aangifte voor de premie WAZ en de aangifte voor de IB/PVV bij één biljet worden ingediend, is formeel toch sprake van twee aangiftes. Beide aangiftes waren te laat, hetgeen meebrengt dat de inspecteur twee verzuimboetes kan opleggen.

11. Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 12 juli 2001 door mr. Van Ballegooijen, lid van de belastingkamer in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht f 150. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.