Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2906

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-07-2001
Datum publicatie
31-07-2001
Zaaknummer
00/02690
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onregelmatigheden tijdens vervoer onder schorsing van de accijns; goederen geacht te zijn uitgeslagen uit accijnsgoederenplaats; beroep op vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, be-langhebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst/Douane te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 25 juli 2000, ingediend door A als gemachtigde en aangevuld bij brief van 21 september 2000.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 11 juli 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de accijns over het tijdvak 1996.

De naheffingsaanslag is vastgesteld op een bedrag van f 447.529 aan enkelvoudige belasting. Aan heffingsrente is f 29.369 in rekening gebracht. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de naheffingsaanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 5 maart 2001, waarin het beroep gelijktijdig is behandeld met de zaak met kenmerk 00/02689 betreffende een aan belanghebbende opgelegde beschikking gedagtekend 16 februari 2000, zijn verschenen de gemachtigde, vergezeld van B en C, alsmede de inspecteur, vergezeld van D en E. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. De gemachtigde heeft voorts ter zitting enige bescheiden overgelegd. De inspecteur heeft van deze bescheiden kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten.

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inspecteur heeft ter zitting voorts enige bescheiden overgelegd. De gemachtigde heeft van deze bescheiden kennis kunnen nemen en zich daarover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert een distributie- en opslagbedrijf en is vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats in de zin van artikel 1a, onderdeel d, van de Wet op de accijns (hierna: de Wet).

2.2. Gedagtekend 25 maart 1996, 17 april 1996 en 19 april 1996, heeft belanghebbende terzake van zendingen sterke drank administratieve geleidedocumenten afgegeven. Op deze documenten wordt als geadresseerde vermeld 'F LTD' en als plaats van levering 'Q'. Het op 25 maart 1996 gedagtekende document vermeldt als expediteur G, terwijl op de overige documenten H als expediteur wordt genoemd.

2.3. Belanghebbende heeft op 19 april 1996 contact opgenomen met de Belastingdienst/Douane alsmede met de FIOD, omdat de zendingen waarop de onder 2.2. opgenomen geleidedocumenten van 25 maart en 17 april 1996 betrekking hebben, nog niet waren aangekomen op de plaats van bestemming.

2.4. In een faxbericht van de belastingdienst te S, gedagtekend 19 april 1996, gericht aan de I te R, wordt onder meer het volgende vermeld:

'Heden ontvingen wij het volgende bericht:

Te S werd bij een opslagbedrijf die ondermeer accijnsgoederen in opslag heeft een opdracht verstrekt voor het vervoer naar land Q van een hoeveelheid wodka en wiskhy. Ondermeer op 25 maart 1996 en op 17 april 1996 werden dergelijke partijen vanuit S vervoerd met bestemming land Q. Als geadresseerde staat op de accijnsgeleide documenten vermeld: F LTD Als plaats van levering staat vermeld: Q. Tot op heden heeft geen aanzuivering van genoemde accijnsgeleide documenten plaats gevonden. De Nederlandse verzender heeft echter bericht ontvangen van J dat de goederen nog niet in land Q zijn aangekomen. Heden, 19 april 1996 is opnieuw een vracht gedistilleerd vanuit

S met bestemming land Q vertrokken. Het vermoeden bestaat dat ook deze zending zijn bestemming niet zal bereiken.

Kenteken van de Engelse vrachtauto is xx. Transporteur zou zijn genaamd H, verder geen gegevens bekend. Opdrachtgever van deze transporten zou zijn: K.'.

2.5. Medio mei 1996 heeft belanghebbende alle onder 2.2. opgenomen geleidedocumenten retour ontvangen van L in land R, alle voorzien van een Pools stempel met dagtekening 1 april 1996 en 10 mei 1996.

2.6. In juni 1996 heeft E van de Belastingdienst/Douane tijdens een bezoek aan belanghebbende in verband met de onderhavige zendingen, deze in overweging gegeven vooralsnog haar afnemer niet op de hoogte te stellen van zijn bezoek en geen ruchtbaarheid aan de zaak te geven.

3. Geschil

In geschil is de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of zich onregelmatigheden hebben voorgedaan en, zo dat het geval is, is in geschil of deze zich in Nederland hebben voorgedaan. Voorts is nog in geschil of de onderhavige naheffingsaanslag in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de onder 1. opgenomen pleitnota's.

4.2. Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan het volgende toegevoegd:

De gemachtigde:

Met de stelling dat de onderhavige naheffingsaanslag in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur wordt meer specifiek gedoeld op het vertrouwensbeginsel. Op 19 april 1996 heeft belanghebbende contact opgenomen met D van de belastingdienst, omdat de geadresseerde van de zendingen belanghebbende had medegedeeld dat de goederen nog niet op de plaats van bestemming waren aangekomen. De belastingdienst zou de vrachtwagen belast met de zending van 19 april 1996 fysiek volgen. Ik kan niet met 100% zekerheid aangeven waar de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan. Ik beschik niet over documentatie aangaande de overladingen.

B:

Tijdens het contact met D stond de vrachtauto, die de betreffende zending van 19 april 1996 zou vervoeren, nog op het terrein. Dit transport was echter wel administratief afgehandeld. Vanaf 20 mei 1996 dragen we zelf zorg voor het vervoer voor deze opdrachtgever en besteden we dit niet meer uit. Indien E op 20 juni 1996 niet had gevraagd om geen ruchtbaarheid aan de zaak te geven dan hadden we andere vrachten van de opdrachtgever achter kunnen houden als pressiemiddel om hem te bewegen informatie te verstrekken aangaande de bestemming van de onderhavige zendingen. L is namens een derde de koper van de betreffende goederen en heeft niets te maken met F Ltd.

C:

Op 20 mei 1996 heb ik aan iemand van de belastingdienst - ik weet niet aan wie - de afgestempelde geleidedocumenten getoond. In juni 1996 heeft E samen met iemand anders van de belastingdienst een bezoek aan belanghebbende gebracht en ons verzocht geen contact op te nemen met de opdrachtgever.

De inspecteur:

Op het moment dat B telefonisch contact opnam met D was de vrachtauto reeds vertrokken; van een verschil tussen het moment van het fysiek vertrekken van de vrachtauto en de administratieve afhandeling daarvan is naar mijn mening geen sprake. Noch het team ambulant noch de FIOD hebben toegezegd de zending van 19 april 1996 fysiek te volgen. Het is overigens voor ons technisch onmogelijk om onder de omstandigheden zoals deze zich in dit geval hebben voorgedaan een vrachtauto te volgen. Belanghebbende heeft daarna zonder overleg met de belastingdienst zendingen voor deze opdrachtgever door laten gaan en daarmee zekerheden zelfstandig prijsgegeven. E heeft de van Poolse stempels voorziene geleidedocumenten terzake van de onderwerpelijke zendingen niet goedgekeurd. Het onderzoek dat in het land Q is ingesteld wegens douane- en accijnsfraude van de opdrachtgever, betreffende onder meer de onderhavige zendingen, heeft niets opgeleverd. Belanghebbende heeft waarschijnlijk het telefoonnummer van E gekregen omdat hij een specialist op dit gebied is binnen het team; het is een soort visitekaartje. Tijdens het bezoek dat E in juni 1996 aan belanghebbende heeft gebracht, is door hem verzocht geen ruchtbaarheid aan de zaak te geven. Belanghebbende kan zelf niet aangeven op welke plaats de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan.

D:

Tijdens het telefonisch contact met B is gemeld dat de vrachtauto met de zending van 19 april 1996 reeds was vertrokken.

E:

Op verzoek van de FIOD heb ik in juni 1996 belanghebbende bezocht terzake van de onderhavige transacties. Het feit dat er met betrekking tot de onderhavige transacties Poolse stempels zijn gehanteerd is niet juist nu de goederen waren geplaatst onder intracommunautair douane-vervoer. Ik heb contact opgenomen met L die mij heeft medegedeeld dat het Poolse politiestempels waren die door de Belastingdienst/douane te T zouden worden geaccepteerd, hetgeen ik vreemd vond; terzake is verder ook niets meer aangetoond. Ik heb deze stempels nooit goedgekeurd.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet, voorzover hier van belang, wordt accijns verschuldigd ter zake van de uitslag van accijnsgoederen. Blijkens artikel 2, eerste lid, van de Wet, wordt onder uitslag verstaan het brengen van een accijnsgoed buiten een plaats die voor dat soort accijnsgoed als accijnsgoederenplaats is aangewezen. Wanneer tijdens het intracommunautaire vervoer vanuit Nederland onder schorsing van de accijns blijkt dat deze goederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid of de overtreding is begaan, wordt ingevolge artikel 86a, vierde lid, van de Wet, deze geacht te zijn begaan in Nederland en worden deze goederen geacht te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van waaruit de accijnsgoederen zijn overgebracht. Hierop bestaat een uitzondering voor het geval binnen een termijn van vier maanden vanaf de datum van verzending van de goederen wordt aangetoond dat de handeling regelmatig was of dat de onregelmatigheid of de overtreding daadwerkelijk werd begaan in een andere lid-staat.

5.2. Vaststaat in het onderhavige geval dat de geleidedocumenten met betrekking tot de onderwerpelijke zendingen zijn voorzien van een Pools stempel. Voorts heeft belanghebbende niet aangetoond dat de goederen niettemin zijn aangekomen op de plaats van bestemming zoals aangegeven op de geleidedocumenten. Hieruit leidt het Hof af dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan in de zin van artikel 86a, vierde lid, van de Wet. Belanghebbende heeft dienaangaande niet aangetoond dat deze onregelmatigheden daadwerkelijk zijn begaan in een andere lid-staat en evenmin dat deze niet in Nederland zijn begaan. Gelet op het bepaalde in artikel 86a, vierde lid, van de Wet, zoals opgenomen onder 5.1., worden de goederen onder die omstandigheden geacht te zijn uitgeslagen uit de accijnsgoederenplaats van belanghebbende in Nederland en is daarmee gelet op artikel 1, tweede lid, alsmede artikel 2, eerste lid, van de Wet, accijns verschuldigd. De accijns wordt op grond van artikel 51, eerste lid, van de Wet, geheven van belanghebbende als zijnde de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats. De naheffingsaanslag is derhalve terecht opgelegd.

5.3. Aangaande belanghebbendes beroep op schending van het vertrouwensbeginsel overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende heeft gesteld dat de onderhavige naheffing in strijd is met het vertrouwensbeginsel nu de belastingdienst belanghebbende in juni 1996 had verzocht geen ruchtbaarheid aan de zaak te geven. Belanghebbende zou daarmee een pressiemiddel prijs hebben gegeven jegens de opdrachtgever om informatie betreffende de bestemming van de zendingen te vergaren.

Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof onvoldoende aannemelijk gemaakt, hetgeen ook op zichzelf door het Hof niet aannemelijk wordt geacht, dat het pressiemiddel indien dit wel door belanghebbende had kunnen worden gebruikt, enige informatie over de bestemming van de reeds vertrokken zendingen zou hebben opgeleverd. Hierbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat de belastingdienst eerst in juni 1996 belanghebbende het verzoek in evenbedoelde zin heeft gedaan, terwijl de onderhavige zendingen zich in de maanden maart en april 1996 hebben voorgedaan. Voorts acht het hof in dit verband nog van belang dat nader (internationaal) onderzoek door de belastingdienst niets omtrent de bestemming van de goederen heeft uitgewezen.

Voor wat betreft de zending van 19 april 1996 voert belanghebbende bovendien nog aan dat de belastingdienst zou hebben toegezegd deze zending fysiek te volgen.

Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat een toezegging in evenbedoelde zin zou zijn gedaan. Met de inspecteur acht het Hof het fysiek volgen onder de omstandigheden van het geval niet mogelijk nu de inspecteur gemotiveerd heeft gesteld, hetgeen door belanghebbende onvoldoende gemotiveerd is weersproken, dat de vrachtauto met de zending reeds was vertrokken. Een toezegging als door belanghebbende gesteld ligt alsdan niet voor de hand. Hierbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat belanghebbende de zending van 19 april 1996 alsmede de daaropvolgende zendingen voor dezelfde opdrachtgever heeft laten voortgaan danwel heeft voortgezet. Daarmee heeft belanghebbende eigener beweging en zelfstandig de mogelijke zekerheden laten varen.

Voorts acht het Hof in dit verband van belang dat de door L geretourneerde geleidedocumenten zijn voorzien van Poolse stempels terwijl de goederen waren geplaatst onder intracommunautair vervoer onder schorsing van de accijns. De handelwijze van belanghebbende, als zijnde een professioneel distributie- en opslagbedrijf alsmede vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats, is daarmee naar 's Hofs oordeel als lichtvaardig aan te merken en komt alsdan terecht voor haar rekening en risico.

Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof de stelling van belanghebbende dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden niet gegrond.

5.4. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 21 mei 2001 door mrs. Bijl, voorzitter, Boersma en Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. Trippert als griffier.

De beslissing is op die datum ter open-bare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.