Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2763

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2001
Datum publicatie
23-07-2001
Zaaknummer
00/3305
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor de hoogte van de toeristenbelasting is afhankelijk van - onder meer - het aantal slaapplaatsen in de vakantiewoning. Naar het oordeel van het Hof dient onder slaapplaats te worden verstaan een ruimte of plek waarop een ledikant, een slaapbank of iets dergelijks staat, dan wel waarop een matras, slaapmatje, luchtbed of iets dergelijks ligt, en waarop men slapen kan of pleegt te slapen, alsmede een plek of ruimte waarop een voorwerp staat dat geschikt is om op betrekkelijk eenvoudige en snelle wijze te worden omgebouwd tot een plaats waarop men slapen kan. Onder slaapplaats mag derhalve niet verstaan worden een ruimte of plek die de mogelijkheid heeft om te worden bestemd als plaats waarop men slapen kan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/26
FutD 2001-1473
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z (a-land), belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het hoofd van de afdeling Burgerzaken van de gemeente P, verweerder, gedagtekend 7 september 2000, betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag toeristenbelasting over het jaar 1999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 juli 2001.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot ƒ 52;

- gelast de gemeente P het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 25 en wijst de gemeente P aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1. Belanghebbende is sinds 14 mei 1999 eigenaar van een vakantiewoning op het recreatiepark 'A' te B, gemeente P, met vier kamers en een bruto inhoud van 210 m³ (hierna: de vakantiewoning). In de vakantiewoning zijn een tweepersoonsbed en een eenpersoonsbed aanwezig. Daarnaast zijn er geen andere bedden. Op het recreatiepark staan andere, identieke vakantiehuisjes. Ter zake van negentien daarvan is aangifte toeristenbelasting gedaan, waarbij jaarlijks werd aangegeven dat de woning over meer dan drie slaapplaatsen beschikt. De vorige eigenaar van de vakantiewoning heeft jaarlijks aangegeven dat de woning beschikt over zes slaapplaatsen.

2. De Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting P 1995 luidt onder meer als volgt:

" Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de heffingsgrondslag

1. Het aantal personen dat heeft overnacht wordt met betrekking tot:

a. vakantie-onderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten, mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen bepaald op:

2 personen, indien het aantal slaapplaatsen 3 of minder bedraagt;

3 personen, indien het aantal slaapplaatsen meer dan 3 bedraagt;

b. (…)

2. Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht wordt:

a. ingeval verblijf wordt gehouden in vakantie-onderkomens, niet-beroepsmatig verhuurde ruimten en in mobiele kampeeronderkomens en stacaravans op vaste plaatsen bepaald op 60;

(…)

Artikel 9 Afronding aanslag

Bij berekenen van de aanslag wordt het bedrag van de belasting op volle guldens naar beneden afgerond. "

3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat onder slaapplaats moet worden verstaan een plaats die als slaapplaats dienst kan doen. Daaronder vallen volgens verweerder niet alleen werkelijk aanwezige bedden maar ook aanwezige of meegebrachte luchtbedden of matrassen. Gelet op hetgeen verweerder ter zitting heeft opgemerkt en op verweerders verwijzing naar het aantal slaapplaatsen dat de eigenaars van de andere, gelijke vakantie-bungalows die op het desbetreffende recreatiepark voorkomen voor de toeristenbelasting jaarlijks aangaven en gelet op het aantal slaapplaatsen dat de vorige eigenaar van de vakantiebungalow aangaf, meent verweerder kennelijk dat onder slaapplaats ook moet worden verstaan een plek of ruimte die de mogelijkheid biedt om daarop een bed te plaatsen of een luchtbed of iets dergelijks neer te leggen.

3.2. Naar het oordeel van het Hof dient onder slaapplaats te worden verstaan een ruimte of plek waarop een ledikant, een slaapbank of iets dergelijks staat, dan wel waarop een matras, slaapmatje, luchtbed of iets dergelijks ligt, en waarop men slapen kan of pleegt te slapen, alsmede een plek of ruimte waarop een voorwerp staat dat geschikt is om op betrekkelijk eenvoudige en snelle wijze te worden omgebouwd tot een plaats waarop men slapen kan. Onder slaapplaats mag derhalve niet verstaan worden een ruimte of plek die de mogelijkheid heeft om te worden bestemd als plaats waarop men slapen kan.

3.3. Verweerder heeft de onderhavige aanslag gebaseerd op een aantal slaapplaatsen van meer dan drie. Op verweerder rust de last te bewijzen dat er feitelijk meer dan drie slaapplaatsen aanwezig waren gedurende de periode dat belanghebbende in het jaar 1999 eigenaar van de vakantiewoning was. Nu vaststaat dat er in de vakantiewoning gedurende genoemde periode 3 bedden stonden, dient verweerder aannemelijk te maken dat er in die periode ook andere slaapplaatsen feitelijk aanwezig waren. Het Hof acht verweerder daarin niet geslaagd. Verweerders verwijzing naar hetgeen de andere eigenaren van vakantiebungalows hebben aangegeven of hetgeen de vorige eigenaar van de vakantiebungalow heeft aangegeven is daartoe onvoldoende.

3.4. Uit het voorgaande volgt dat de aanslag moet worden gebaseerd op een aantal slaapplaatsen van drie, hetgeen betekent dat de aanslag dient te worden vastgesteld op (232/365 x 60 x 2 ƒ 0.69 = ) ƒ 52 (afgerond ingevolge artikel 9 van de Verordening).

4.1. Belanghebbende heeft verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden door de oplegging van de onjuiste aanslag toeristenbelasting, bestaande uit de kosten die zij heeft moeten maken in verband met de indiening en de behandeling van het tegen die aanslag gerichte bezwaarschrift. Het Hof zal verweerder daartoe veroordelen.

4.2. Belanghebbende heeft gesteld dat deze kosten bestaan uit de reiskosten in verband met mondelinge inspraak bij de gemeente van haar woonplaats Z naar C, gemeente P. Het Hof begrijpt dat dit betreft de reiskosten in verband met een gesprek op het gemeentehuis op 8 augustus 2000, alwaar belanghebbende zich zonder voorafgaande afspraak vervoegde om haar bezwaren met betrekking tot de onderhavige aanslag en drie andere aanslagen mondeling toe te lichten. Verweerder heeft bestreden dat belanghebbende deze kosten redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende deze reiskosten redelijkerwijs niet heeft hoeven maken voor de behandeling van het desbetreffende bezwaarschrift. Het Hof acht veeleer voor de hand te liggen dat zij verweerder zou bezoeken gedurende een periode waarin zij zelf in haar vakantiewoning verbleef. Overigens heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat zij deze reis vanuit a-land daadwerkelijk heeft ondernomen en wel uitsluitend of hoofdzakelijk met het doel haar bezwaren bij verweerder toe te lichten. Het hof zal daarom voor deze kosten geen vergoeding toekennen.

4.3. Voorts heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van telefoon- en faxkosten tot een bedrag van ƒ 65 en van kopieerkosten tot een bedrag van ƒ 25. Verweerder heeft bestreden dat belanghebbende deze kosten tot dit bedrag heeft gemaakt dan wel redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende deze kosten daadwerkelijk tot die omvang heeft gemaakt. Het Hof schat de telefoon-, fax- en kopieerkosten die belanghebbende in verband met de indiening en de behandeling van het bezwaarschrift heeft gemaakt op ƒ 25. Het Hof zal verweerder tot vergoeding van die kosten veroordelen.

Proceskosten

Niet gesteld en ook niet op andere wijze aannemelijk geworden is dat belanghebbende proceskosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 19 juli 2001 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.