Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2760

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2001
Datum publicatie
23-07-2001
Zaaknummer
00/2179
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1466
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

vier uitspraken van de waarnemend directeur Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 26 juni 2000, ingediend door A als gemachtigde en aangevuld bij brief van 5 september 2000.

Het beroep is gericht tegen vier uitspraken van verweerder, alle gedagtekend 20 mei 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (gebruikersbelasting en eigenarenbelasting) voor de jaren 1997 en 1998.

Aan belanghebbende zijn aanslagen opgelegd wegens het gebruik en de eigendom van de woonboot B. De aanslagen zijn berekend naar een waarde van ƒ 94.000. Na bezwaar tegen de aanslagen zijn deze bij de bestreden uitspraken gehandhaafd. Bij ambtshalve genomen beschikkingen van 4 december 2000 zijn de aanslagen verminderd tot aanslagen berekend naar een waarde van ƒ 60.000.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van verweerder en tot vernietiging van de aanslagen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en handhaving van de aanslagen zoals deze luiden na ambtshalve vermindering.

Bij brief van 15 maart 2001 heeft de gemachtigde nadere stukken overgelegd. Bij brief van de griffier van 16 maart 2001 zijn kopieën van die brief en van die nadere stukken aan verweerder gezonden.

Ter zitting van 30 maart 2001 is het onderhavige beroep met instemming van partijen gezamenlijk behandeld met het beroep van C te Z (kenmerk 00/02165) inzake aanslagen in de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (gebruikersbelasting) voor de jaren 1997 en 1998 en belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (eigenarenbelasting) voor het jaar 1997.

Aldaar zijn verschenen belanghebbende en vorenvermelde gemachtigde, vergezeld van D en C, alsmede namens verweerder mr. E, vergezeld van F, G, H, mr. drs. I en mr. drs. J. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en (met bijlagen) overgelegd. Voorts heeft belanghebbende een koopakte overgelegd. Partijen hebben van elkanders bijlagen en overgelegde stukken kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De pleitnota's en de bijlagen en andere overgelegde stukken worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is eigenares en gebruikster van de woonboot 'B', gelegen in de K te Amsterdam, tegenover nummer 1.

2.2. De Verordening roerende-ruimtebelastingen van de gemeente Amsterdam, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 2 november 1995, nr. 571 en gepubliceerd in het Gemeenteblad van Amsterdam op 22 december 1995, luidt, na wijziging bij besluit van de gemeenteraad van 18 december 1996, nr. 766, gepubliceerd in het Gemeenteblad van Amsterdam op 23 december 1996, voor de jaren 1997 en 1998 onder meer als volgt:

" Belastingplicht en belastingobject

Art. 1

1. Onder de naam belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten worden ter zake van de binnen de gemeente gelegen woon- en bedrijfsruimten twee directe belastingen geheven, te weten:

a. een gebruikersbelasting van degene die - naar de omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het kalenderjaar de roerende woon- of bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een roerende woon- of bedrijfsruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

(…)

Maatstaf van heffing

Art. 3

1. De heffingsmaatstaf van de belastingen is de waarde van de roerende woon- of bedrijfsruimte. De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

(…)

Waardepeildatum

Art. 4

1. De waarde van de roerende woon- of bedrijfsruimte wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin die zaak op die datum verkeert.

2. De waardepeildatum is 1 januari 1992. Deze waardepeildatum behoort bij het tijdvak 1997 tot en met 2000.

(…)

Inwerkingtreding en citeertitel

Art. 14

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

2. De datum van ingang van heffing is 1 januari 1997.

3. Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening roerende-ruimtebelastingen. "

3. Geschil

In geschil is of de aanslagen terecht zijn opgelegd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan het volgende toegevoegd.

Door en namens belanghebbende: Ik heb 60 à 80 taxatieverslagen verzameld en geanalyseerd. Niet duidelijk is welke systematiek verweerder bij het vaststellen van de bewoonbare oppervlakte en de waarden heeft gehanteerd. Bij het toezenden van nadere taxatieverslagen verschijnen ineens andere referentie-objecten. Referentie-objecten zijn niet steeds vergelijkbaar. De verscheidenheid aan woonschepen is groot. Verweerder heeft bij de taxaties kennelijk geen plan van aanpak gebruikt. Er zijn te weinig referentie-objecten. De programmatuur en de lijst van referentie-objecten is tussentijds gewijzigd. Minstens 15 gebruikte referentie-objecten staan niet op de bij het verweerschrift overgelegde lijst. De gebruikte programmatuur is kennelijk niet getest. Het is voor belanghebbenden onmogelijk enige vorm van controle uit te oefenen. Niet meer dan 60% van de waarde wordt bepaald door de ligplaats. Wij hebben als Landelijke Woonboten Organisatie niet geklaagd over de vaststelling van de oppervlakte, omdat er helemaal niets van klopte. Bij de taxatieverslagen werd de oppervlakte van de referentieobjecten niet vermeld. De gemeente wil de waarde van de ligplaats in verband met de erfpacht vaststellen op ƒ 100.000 à ƒ 150.000 per ligplaats. De door verweerder na ambtshalve vermindering voor mijn woonboot vastgestelde waarde van ƒ 60.000 vecht ik niet aan. Ik bestrijd het door verweerder overgelegde overzicht van aantal opgelegde aanslagen niet. Ik vraag vergoeding van proceskosten op basis van het puntensysteem. Er is beroepsmatig rechtsbijstand verleend.

Namens verweerder: Bij de waardering is in eerste instantie gebruik gemaakt van adviezen van gespecialiseerde woonbootmakelaars. Bij de taxaties in eerste instantie zijn de boten soms inpandig opgenomen, soms niet. Bij de taxaties is niet uitgegaan van een prijs per m², de vermelde vierkantemeterprijs is later door terugrekening bepaald. Aanvankelijk beschikten wij niet over een bestand van verkoopcijfers, dat hebben we in de loop van de tijd opgebouwd. Daaraan zijn steeds nieuw verkregen gegevens toegevoegd. De oppervlakte van de woonboten is steeds een benadering. Deze is door schatting en uitwendige opname bepaald. De makelaars weten door ervaring hoe de boten in elkaar zitten. Motorruimte wordt niet meegeteld, maar bijvoorbeeld een vooronder waar kan worden geslapen wel. Ook een stuurhut, die vaak een mooi uitzicht geeft, wordt meegerekend. Het aantal bezwaren inzake de oppervlakte is betrekkelijk gering. Het gaat om de waarde van een ark in zijn omgeving. Nieuwbouwprijs en inruilprijs zeggen daarover niets. Bij de taxatie worden de ondergrond en het water buiten beschouwing gelaten. 80% van de waarde van de ark wordt bepaald door de ligging, die nemen we wel mee. Alle bezwaarschriften zijn inmiddels afgehandeld.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat ter zake van het wonen op een boot dubbele belasting wordt geheven, te weten de onderhavige roerende-ruimtebelasting en het liggeld voor woonschepen. Naar het oordeel van het Hof hebben beide vermelde belastingen een verschillende rechtsgrond en een verschillend belastbaar feit. De roerende-ruimtebelasting wordt immers geheven ter zake van het gebruik, onderscheidenlijk het genot krachtens zakelijk recht van een roerende woon- of bedrijfsruimte, terwijl het liggeld wordt geheven ter zake van het innemen van een ligplaats met een woonboot. Voorts is het Hof van oordeel dat geen rechtsregel in de weg staat aan het heffen van meer dan een belasting ter zake van hetzelfde feitencomplex.

5.2. Belanghebbende stelt dat de heffing van de onderhavige roerende-ruimtebelasting de achterstelling van woonbootbewoners in Amsterdam vergroot en daarom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van het Hof is op dit punt geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu de roerende-ruimtebelasting juist beoogt en ook erin voorziet dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld (Hoge Raad 20 september 2000, nr. 34.153, BNB 2000/380, Belastingblad 2001, blz. 64). Het Hof merkt daarbij op dat de verschillen in rechtspositie tussen bewoners van woonboten en bewoners van woningen aan de wal niet relevant zijn als het erom gaat of van beide groepen van bewoners een bijdrage kan worden gevraagd in de kosten van de gemeentelijke collectieve voorzieningen

5.3. Belanghebbende stelt dat slechts 2/3 van de ongeveer 2500 woonbootbewoners structureel wordt aangeslagen in de onderhavige roerende-ruimtebelastingen en dat verweerder daarmee in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel. Verweerder stelt daartegenover dat na aanvankelijke problemen over het belastingjaar 1997 2324 aanslagen in de eigenarenbelasting en 2319 aanslagen in de gebruikersbelasting zijn opgelegd. Over 1998 zijn 2297 aanslagen in de eigenarenbelasting en 2314 aanslagen in de gebruikersbelasting opgelegd. Belang-hebbende heeft de door verweerder overgelegde cijfers ter zitting erkend. Niet gesteld en ook niet anderszins aannemelijk geworden is dat verweerder het beleid voert bepaalde belastingplichtigen niet aan te slaan. Het Hof acht voorts niet aannemelijk - en belanghebbende heeft dat overigens ook niet gesteld - dat meer dan de helft van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen niet in de onderhavige belastingen is aangeslagen.

5.4. Belanghebbende stelt dat het voor de belastingplichtige onmogelijk is vast te stellen hoe de waardebepaling tot stand is gekomen, dat niet duidelijk is op welke wijze de waarde van haar woonboot is bepaald en dat daarom de aanslagen niet hadden mogen worden opgelegd. Ook stelt belanghebbende dat de taxateur niet beschikt over speciale kennis van de woon-boten-markt. Het Hof is van oordeel dat de aan belanghebbende gezonden aanslagbiljetten vol-doen aan de daaraan te stellen eisen. De gestelde omstandigheden dat uit het taxatie-verslag niet valt af te leiden op welke wijze de waarde van de roerende ruimte is vastgesteld en dat de taxateurs niet over voldoende kennis zouden beschikken, kan geen aanleiding zijn de aanslagen te vernietigen, nu de waardevaststelling in deze beroepsprocedure voor het Hof in volle omvang aan de orde komt en een eventueel motiveringsgebrek kan worden hersteld.

5.5. Belanghebbende stelt dat is verzuimd voorafgaand aan het vaststellen van de aanslagen de waarde van de roerende ruimte vast te stellen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Voorts voldoet de waardebepaling naar belanghebbende stelt niet aan de eisen die worden gesteld ingevolge de Wet waardering onroerende zaken, zoals een plan van aanpak, een taxateursinstructie en goedkeuring van de Waarderingskamer. Naar het oordeel van het Hof verplicht geen rechtsregel de waarde van de roerende ruimte vast te stellen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Ook de overige door belanghebbende vermelde eisen gelden niet bij de heffing van roerende-ruimtebelasting.

5.6. Belanghebbende stelt dat de bestreden uitspraken moeten worden vernietigd omdat zij in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zijn gemotiveerd, nu daarin niet afzonderlijk wordt ingegaan op de aangevoerde waardedrukkende verschillen met referentieschepen. Het Hof verwerpt deze stelling reeds omdat de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat, indien de uitspraak op een bezwaar-schrift niet of niet voldoende is gemotiveerd, dit slechts tot gevolg heeft dat het Hof, zo het de uitspraak bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen.

5.7. Belanghebbende stelt door verweerder onvoldoende in de gelegenheid te zijn gesteld het bezwaarschrift nader te motiveren. Het Hof verwerpt deze stelling, omdat de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat belanghebbende in de beroepsfase in de gelegenheid is alle gewenste stellingen en argumenten daarvoor naar voren te brengen.

5.8. Verweerder heeft bij ambtshalve genomen beschikkingen van 4 december 2000 de bestreden aanslagen verminderd tot aanslagen berekend naar een waarde van ƒ 60.000. Belang-hebbende heeft ter zitting verklaard deze waarde niet te bestrijden. Het Hof sluit zich aan bij dit eensluidende standpunt van partijen. Het vorenoverwogene brengt mee dat het Hof de bestreden uitspraken zal vernietigen en de aanslagen zal bevestigen zoals deze luiden na ambtshalve vermindering.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, veroordeelt het Hof verweerder in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op: 2 (proceshandelingen: beroepschrift en verschijnen ter zitting) ´ 1,5 (wegingsfactor gewicht van de zaak) ´ ¦ 710, ofwel ¦ 2.130.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken van verweerder;

- bevestigt de aanslagen zoals deze luiden na ambtshalve vermindering;

- gelast de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden, en;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 2.130 en wijst de gemeente Amsterdam aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 6 juli 2001 door mrs. Schaap, Onnes en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.