Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2759

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2001
Datum publicatie
23-07-2001
Zaaknummer
00/2165
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Heffing van roerende-ruimtenbelasting naast liggeld woonschepen is geen ongeoorloofde dubbele belastingheffing. Verschillen in rechtspositie tussen woonbootbewoners en walbewoners dwingt niet tot het achterwege laten van roerende-ruimtenbelasting. Niet aannemelijk dat meer dan de helft van de woonbootbewoners niet wordt aangeslagen. Tot de waarde van de woonboot behoort ook de waarde van het recht op de ligplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

drie uitspraken van de waarnemend directeur Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 26 juni 2000, ingediend door A als gemachtigde en aangevuld bij brief van 5 september 2000.

Het beroep is gericht tegen drie uitspraken van verweerder, alle gedagtekend 18 mei 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslagen in de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (gebruikersbelasting) voor de jaren 1997 en 1998 en belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (eigenaren-belasting) voor het jaar 1997.

Aan belanghebbende zijn aanslagen opgelegd wegens het gebruik en de eigendom van de woonboot B. De aanslagen zijn berekend naar een waarde van ƒ 207.000. Na bezwaar tegen de aanslagen zijn deze bij de bestreden uitspraken gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van verweerder en primair tot vernietiging van de aanslagen en subsidiair tot vermindering van die aanslagen tot aanslagen berekend naar een waarde van ƒ 126.000.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Bij brief van 15 maart 2001 heeft de gemachtigde nadere stukken overgelegd. Bij brief van de griffier van 16 maart 2001 zijn kopieën van die brief en van die nadere stukken aan verweerder gezonden.

Ter zitting van 30 maart 2001 is het onderhavige beroep met instemming van partijen gezamenlijk behandeld met het beroep van C te Z (kenmerk 00/02179) inzake aanslagen in de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten (gebruikersbelasting en eigenarenbelasting) voor de jaren 1997 en 1998.

Aldaar zijn verschenen belanghebbende en vorenvermelde gemachtigde, vergezeld van D en C, alsmede namens verweerder mr. E, vergezeld van F, G, H, mr.drs. I en mr.drs. J. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en (met bijlagen) overgelegd. Voorts heeft belanghebbende twee facturen ter zake van de bouw van haar woonark overgelegd. Partijen hebben van elkanders bijlagen en overgelegde stukken kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De pleitnota's en de bijlagen en andere overgelegde stukken worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is eigenares en gebruikster van de woonboot 'B', gelegen aan de a-weg, ligplaats 1, te Amsterdam.

2.2. De Verordening roerende-ruimtebelastingen van de gemeente Amsterdam, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 2 november 1995, nr. 571 en gepubliceerd in het Gemeenteblad van Amsterdam op 22 december 1995, luidt, na wijziging bij besluit van de gemeenteraad van 18 december 1996, nr. 766, gepubliceerd in het Gemeenteblad van Amsterdam op 23 december 1996, voor de jaren 1997 en 1998 onder meer als volgt:

" Belastingplicht en belastingobject

Art. 1

1. Onder de naam belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten worden ter zake van de binnen de gemeente gelegen woon- en bedrijfsruimten twee directe belastingen geheven, te weten:

a. een gebruikersbelasting van degene die - naar de omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het kalenderjaar de roerende woon- of bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een roerende woon- of bedrijfsruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

(…)

Maatstaf van heffing

Art. 3

1. De heffingsmaatstaf van de belastingen is de waarde van de roerende woon- of bedrijfsruimte. De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

(…)

Waardepeildatum

Art. 4

1. De waarde van de roerende woon- of bedrijfsruimte wordt bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum heeft naar de staat waarin die zaak op die datum verkeert.

2. De waardepeildatum is 1 januari 1992. Deze waardepeildatum behoort bij het tijdvak 1997 tot en met 2000.

3. Indien een roerende woon- of bedrijfsruimte na de waardepeildatum die behoort bij het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld:

a. wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, welke wijziging een verandering in de waarde van ten minste 5 percent met een minimum van ƒ 25.000 ten gevolge heeft dan wel van ƒ 250.000 of meer;

b. (…), wordt, in afwijking in zoverre van het eerste lid, de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van het kalenderjaar, volgende op dat waarin de in onderdeel a bedoelde feiten geheel of ten dele hun beslag hebben gekregen (…);

(…)

Inwerkingtreding en citeertitel

Art. 14

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

2. De datum van ingang van heffing is 1 januari 1997.

3. Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening roerende-ruimtebelastingen. "

3. Geschil

In geschil is of de aanslagen terecht zijn opgelegd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan het volgende toegevoegd.

Door en namens belanghebbende: Ik heb 60 à 80 taxatieverslagen verzameld en geanalyseerd. Niet duidelijk is welke systematiek verweerder bij het vaststellen van de bewoonbare oppervlakte en de waarden heeft gehanteerd. Bij het toezenden van nadere taxatieverslagen verschijnen ineens andere referentie-objecten. Referentie-objecten zijn niet steeds vergelijkbaar. De verscheidenheid aan woonschepen is groot. Verweerder heeft bij de taxaties kennelijk geen plan van aanpak gebruikt. Er zijn te weinig referentie-objecten. De programmatuur en de lijst van referentie-objecten is tussentijds gewijzigd. Minstens 15 gebruikte referentie-objecten staan niet op de bij het verweerschrift overgelegde lijst. De gebruikte programmatuur is kennelijk niet getest. Het is voor belanghebbenden onmogelijk enige vorm van controle uit te oefenen. Niet meer dan 60% van de waarde wordt bepaald door de ligplaats. Wij hebben als Landelijke Woonboten Organisatie niet geklaagd over de vaststelling van de oppervlakte, omdat er helemaal niets van klopte. Bij de taxatieverslagen werd de oppervlakte van de referentieobjecten niet vermeld. De gemeente wil de waarde van de ligplaats in verband met de erfpacht vaststellen op ƒ 100.000 à ƒ 150.000 per ligplaats. In 1980 heb ik op de ligplaats van mijn ark een andere boot gekocht voor ƒ 60.000, inclusief de ligplaats. In 1992 heb ik een nieuwe boot gekocht voor bijna ƒ 126.000. Ik leg een kopie van de koopakte over. De prijs betreft de bouwkosten. De boot die er eerst lag, is ingeruild voor ƒ 60.000. Ik stel dat de waarde niet hoger is dan de betaalde prijs. De nu door verweerder overgelegde verkoopcijfers zijn verstrekt door het stadsdeel M. Deze gegevens zijn onrechtmatig verkregen. De 'Centrale stad' pleegt dergelijke gegevens niet te verstrekken. Ik bestrijd het door verweerder overgelegde overzicht van aantal opgelegde aanslagen niet. Ik vraag vergoeding van proceskosten op basis van het puntensysteem. Er is beroepsmatig rechtsbijstand verleend.

Namens verweerder: Bij de waardering is in eerste instantie gebruik gemaakt van adviezen van gespecialiseerde woonbootmakelaars. Bij de taxaties in eerste instantie zijn de boten soms inpandig opgenomen, soms niet. Bij de taxaties is niet uitgegaan van een prijs per m², de vermelde vierkantemeterprijs is later door terugrekening bepaald. Aanvankelijk beschikten wij niet over een bestand van verkoopcijfers, dat hebben we in de loop van de tijd opgebouwd. Daaraan zijn steeds nieuw verkregen gegevens toegevoegd. De oppervlakte van de woonboten is steeds een benadering. Deze is door schatting en uitwendige opname bepaald. De makelaars weten door ervaring hoe de boten in elkaar zitten. Motorruimte wordt niet meegeteld, maar bijvoorbeeld een vooronder waar kan worden geslapen wel. Ook een stuurhut, die vaak een mooi uitzicht geeft, wordt meegerekend. Het aantal bezwaren inzake de oppervlakte is betrekkelijk gering. Het gaat om de waarde van een ark in zijn omgeving. Nieuwbouwprijs en inruilprijs zeggen daarover niets. Bij de taxatie worden de ondergrond en het water buiten beschouwing gelaten. 80% van de waarde van de ark wordt bepaald door de ligging, die nemen we wel mee. Alle bezwaarschriften zijn inmiddels afgehandeld. Als de waarde van de ligplaats 60% van de totale waarde is en de waarde van de boot dus 40%, zoals belanghebbende stelt, is de totale waarde in dit geval uitgaande van een waarde van ƒ 126.000 voor de boot nog hoger dan de vastgestelde waarde.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat ter zake van het wonen op een boot dubbele belasting wordt geheven, te weten de onderhavige roerende-ruimtebelasting en het liggeld voor woonschepen. Naar het oordeel van het Hof hebben beide vermelde belastingen een verschillende rechtsgrond en een verschillend belastbaar feit. De roerende-ruimtebelasting wordt immers geheven ter zake van het gebruik, onderscheidenlijk het genot krachtens zakelijk recht van een roerende woon- of bedrijfsruimte, terwijl het liggeld wordt geheven ter zake van het innemen van een ligplaats met een woonboot. Voorts is het Hof van oordeel dat geen rechtsregel in de weg staat aan het heffen van meer dan een belasting ter zake van hetzelfde feitencomplex.

5.2. Belanghebbende stelt dat de heffing van de onderhavige roerende-ruimtebelasting de achterstelling van woonbootbewoners in Amsterdam vergroot en daarom in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van het Hof is op dit punt geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu de roerende-ruimtebelasting juist beoogt en ook erin voorziet dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld (Hoge Raad 20 september 2000, nr. 34.153, BNB 2000/380, Belastingblad 2001, blz. 64). Het Hof merkt daarbij op dat de verschillen in rechtspositie tussen bewoners van woonboten en bewoners van woningen aan de wal niet relevant zijn als het erom gaat of van beide groepen van bewoners een bijdrage kan worden gevraagd in de kosten van de gemeentelijke collectieve voorzieningen

5.3. Belanghebbende stelt dat slechts 2/3 van de ongeveer 2500 woonbootbewoners structureel wordt aangeslagen in de onderhavige roerende-ruimtebelastingen en dat verweerder daarmee in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel. Verweerder stelt daartegenover dat na aanvankelijke problemen over het belastingjaar 1997 2324 aanslagen in de eigenarenbelasting en 2319 aanslagen in de gebruikersbelasting zijn opgelegd. Over 1998 zijn 2297 aanslagen in de eigenarenbelasting en 2314 aanslagen in de gebruikersbelasting opgelegd. Belang-hebbende heeft de door verweerder overgelegde cijfers ter zitting erkend. Niet gesteld en ook niet anderszins aannemelijk geworden is dat verweerder het beleid voert bepaalde belastingplichtigen niet aan te slaan. Het Hof acht voorts niet aannemelijk - en belanghebbende heeft dat overigens ook niet gesteld - dat meer dan de helft van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen niet in de onderhavige belastingen is aangeslagen.

5.4. Belanghebbende stelt dat het voor de belastingplichtige onmogelijk is vast te stellen hoe de waardebepaling tot stand is gekomen, dat niet duidelijk is op welke wijze de waarde van haar woonboot is bepaald en dat daarom de aanslagen niet hadden mogen worden opgelegd. Ook stelt belanghebbende dat de taxateur niet beschikt over speciale kennis van de woon-boten-markt. Het Hof is van oordeel dat de aan belanghebbende gezonden aanslagbiljetten vol-doen aan de daaraan te stellen eisen. De gestelde omstandigheden dat uit het taxatie-verslag niet valt af te leiden op welke wijze de waarde van de roerende ruimte is vastgesteld en dat de taxateurs niet over voldoende kennis zouden beschikken, kan geen aanleiding zijn de aanslagen te vernietigen, nu de waardevaststelling in deze beroepsprocedure voor het Hof in volle omvang aan de orde komt en een eventueel motiveringsgebrek kan worden hersteld.

5.5. Belanghebbende stelt dat is verzuimd voorafgaand aan het vaststellen van de aanslagen de waarde van de roerende ruimte vast te stellen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Voorts voldoet de waardebepaling naar belanghebbende stelt niet aan de eisen die worden gesteld ingevolge de Wet waardering onroerende zaken, zoals een plan van aanpak, een taxateursinstructie en goedkeuring van de Waarderingskamer. Naar het oordeel van het Hof verplicht geen rechtsregel de waarde van de roerende ruimte vast te stellen bij voor bezwaar vatbare beschikking. Ook de overige door belanghebbende vermelde eisen gelden niet bij de heffing van roerende-ruimtebelasting.

5.6. Belanghebbende stelt dat de bestreden uitspraken moeten worden vernietigd omdat zij in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zijn gemotiveerd, nu daarin niet afzonderlijk wordt ingegaan op de aangevoerde waardedrukkende verschillen met referentieschepen. Het Hof verwerpt deze stelling reeds omdat de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat, indien de uitspraak op een bezwaar-schrift niet of niet voldoende is gemotiveerd, dit slechts tot gevolg heeft dat het Hof, zo het de uitspraak bevestigt, verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen.

5.7. Belanghebbende stelt door verweerder onvoldoende in de gelegenheid te zijn gesteld het bezwaarschrift nader te motiveren. Het Hof verwerpt deze stelling, omdat de loop van de procedure in belastingzaken meebrengt dat belanghebbende in de beroepsfase in de gelegenheid is alle gewenste stellingen en argumenten daarvoor naar voren te brengen.

5.8.1. Verweerder heeft bij het vaststellen van de bestreden aanslagen de waarde van de woonboot van belanghebbende naar de waardepeildatum 1 januari 1992 vastgesteld op ƒ 207.000. Belanghebbende stelt dat de waarde van haar woonboot niet meer dan ƒ 126.000 bedroeg. Tot steun van haar stelling voert zij aan dat haar woonboot in 1992 is gebouwd en - blijkens de door haar overgelegde facturen - toen ƒ 125.928 kostte. Bij het bepalen van de waar-de van de woonboot moet, aldus belanghebbende, geen rekening worden gehouden met de waarde van de ligplaats. Verweerder stelt daartegenover dat de woonboot van belanghebbende een netto gebruiksoppervlakte heeft van 216 m² en dat de vastgestelde waarde overeenkomt met ƒ 958 per m². Verweerder verwijst naar de verkoopprijzen van de volgende woonboten:

- a-weg 2 AB K, netto gebruiksoppervlakte 88 m², verkocht op 7 juli 1992 voor ƒ 175.000, en

- a-weg 3 AB L, netto gebruiksoppervlakte 170 m², verkocht op 25 augustus 1993 voor ƒ 272.000.

Verweerder herrekent deze verkoopprijzen naar prijspeildatum 1 januari 1992 op onderscheidenlijk ƒ 169.000 en ƒ 247.000, ofwel onderscheidenlijk ƒ 1.920 en ƒ 1.456 per m². Voorts stelt verweerder dat de door belanghebbende betaalde prijs niet de waarde van haar woonboot is, aangezien daarin ten onrechte niet het recht op de ligplaats is begrepen.

5.8.2. Met betrekking tot de vastgestelde waarde overweegt het hof het volgende. Als bijlage bij het verweerschrift en bij de pleitnota heeft verweerder lijsten overgelegd van verkoopprijzen betreffende in Amsterdam gelegen woonschepen, welke - naar het Hof begrijpt - op hun ligplaats zijn blijven liggen en waarbij de koper de verkoper is opgevolgd als huurder van de ligplaats en als vergunninghouder.

5.8.3. De omstandigheid dat de verkoopopbrengst van een woonark, die op haar ligplaats blijft liggen en waarbij de koper de verkoper kan opvolgen als huurder en als vergunninghou-der, hoger is dan de verkoopopbrengst van een woonark waarbij dat niet het geval is, is - naar het Hof aannemelijk acht - uitsluitend het gevolg van het feit dat de koper de woonboot onmiddellijk en in volle omvang in gebruik kan nemen, zij het dat daarbij mogelijk de mede-werking nodig is van de eigenaar van de ligplaats of van anderen. Die hogere verkoop-op-brengst is niet toe te rekenen aan enig afzonderlijk door de koper aan de verkoper overgedragen goed.

5.8.4. Het in artikel 3 van de Verordening gestelde vereiste, dat de waarde wordt bepaald op de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigen-dom daarvan zou worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen, brengt dan ook met zich mee dat de waarde van de woonark van belanghebbende moet worden bepaald op de prijs die daarvoor zou kunnen worden verkregen indien de woonark op haar lig-plaats zou blijven liggen en waarbij de koper de verkoper kan opvolgen als huurder en als vergunninghouder.

5.8.5. Ook op grond van de ratio van de roerende-ruimtebelastingen, te weten - kort samengevat - het tot stand brengen van heffingen van woningen en bedrijfsruimten welke niet onroerend zijn, in overeenstemming met de heffing van de onroerende-zaakbelastingen van onroerende woningen en bedrijfsruimten, moet worden geoordeeld dat de ligging en andere omgevingsfactoren bij de waardering niet buiten aanmerking kunnen worden gelaten, evenmin als dat het geval is bij de onroerende woningen en bedrijfsruimten.

5.8.6. Niet gesteld en ook niet anderszins aannemelijk geworden is dat de door verweerder in de bijlage bij de pleitnota vermelde en in de nabijheid van de boot van belanghebbende gelegen woonboten (vermeld onder 5.8.1) niet vergelijkbaar zijn met de woonboot van belanghebbende. Op grond van de door verweerder vermelde verkoopprijzen, acht het Hof aannemelijk dat verweerder de waarde van de woonboot van belanghebbende niet te hoog heeft vastgesteld. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde van de ondergrond en het water niet in de waardevaststelling is begrepen. Voorts heeft verweerder met de overgelegde gegevens aannemelijk gemaakt dat de bezwaren die aan de woonboot van belanghebbende kleven uit een oogpunt van geluidshinder en bodemvervuiling niet aanwezig zijn, althans veel minder druk uitoefenen op de waarde dan belanghebbende stelt. Dit geldt ook voor de overige gestelde aspecten met betrekking tot de ligging aan Zijkanaal H. Belanghebbende heeft voorts nog stellingen betrokken met betrekking tot de onderhoudstoestand van haar woonboot, doch het Hof gaat hieraan voorbij, aangezien gelet op het feit dat de woonboot in 1992 is gebouwd, van verval geen sprake zal zijn.

5.9. Belanghebbende heeft nog gesteld dat geen acht mag worden geslagen op de hiervoor onder 5.8.1. vermelde gegevens met betrekking tot de verkopen van twee woonboten, aangezien verweerder deze gegevens - naar belanghebbende stelt - onrechtmatig heeft verkregen, omdat zij zijn verstrekt door het Stadsdeel M, terwijl de 'Centrale stad' dergelijke gegevens niet pleegt te verstrekken. Naar het oordeel van het Hof brengt de gestelde omstandigheid dat de gegevens zijn verstrekt door het Stadsdeel M niet mee dat deze onrechtmatig zijn verkregen. Andere redenen waarom deze gegevens onrechtmatig zouden zijn verkregen, zijn niet gesteld en ook niet op andere wijze aannemelijk geworden.

5.10. Uit het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan verweerder is.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Griffierecht

In de uitspraken op de bezwaarschriften gaat verweerder slechts summier in op de door belanghebbende aangevoerde grieven, met name ook voor zover die grieven betrekking hebben op de vaststelling van de waarde van de woonboot. Pas bij het verweerschrift heeft verweerder de vastgestelde waarde nader onderbouwd en een taxatierapport overgelegd. In deze omstandigheden ziet het Hof aanleiding teruggaaf te gelasten van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

8. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep ongegrond; en

- gelast de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 6 juli 2001 door mrs. Schaap, Onnes en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.