Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2713

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
23-07-2001
Zaaknummer
00/01750
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was sedert 1983 in gemeenschap van goederen gehuwd met V. Op 22 januari 1997 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding ingediend en is tussen hen een echtscheidingconvenant gesloten. De beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken is op 27 februari 1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Belanghebbende had medio 1996 een functie aanvaard in het Verre Oosten. Aanvankelijk was de bedoeling dat belanghebbende met zijn hele gezin naar het Verre Oosten zou verhuizen. Tijdens de verhuizing kwamen belanghebbende en zijn echtgenote tot de conclusie dat het huwelijk duurzaam ontwricht was en is besloten tot echtscheiding. Belanghebbende heeft Nederland metterwoon verlaten op 5 maart 1997.

Belanghebbende en zijn echtgenote zijn op 4 maart 1997 overeengekomen dat de alimentatie in onderling overleg is bepaald op f.4.000 per maand en voorts dat de man een afkoopsom groot f.240.000 zal betalen ter betaling ineens van de alimentatie voor de komende 5 jaar.

In verband met het spoedige vertrek van de man naar het buitenland is alles, dat wil zeggen zowel de betaling van de maandelijkse bedragen aan de vrouw als de financiering van de afkoop geregeld met een besloten vennootschap, waarvan de directeur/aandeelhouder bevriend is met de man en de vrouw. Ter zitting heeft voornoemde directeur/aandeelhouder een verklaring afgelegd om de gang van zaken toe te lichten.

De inspecteur heeft geweigerd het bedrag van f.240.000 in aftrek toe te laten.

Hof: Aannemelijk is dat belanghebbende en zijn voormalige echtgenote in elk geval vóór 5 maart 1997, toen belanghebbende nog binnenlands belastingplichtig was, tot een mondelinge overeenkomst zijn gekomen omtrent de afwikkeling van de alimentatieplicht en met name de afkoop voor een periode van 5 jaar door de man. Daaraan doet niet af dat de betreffende overeenkomsten eerst in april 1997 schriftelijk zijn vastgelegd toen belanghebbende zich tijdelijk in Nederland bevond. Belanghebbende heeft het bedrag ad f.240.000 betaald in de zin van artikel 38, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 vóór het einde van zijn binnenlandse belastingplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z en domicilie gekozen hebbende te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie van het Gerechtshof te Arnhem een beroepschrift ontvangen op 23 november 1999, ingediend door A als zijn gemachtigde en gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 13 oktober 1999 betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997. Het beroepschrift is met de hierna genoemde aanvulling met toepassing van artikel 6:15 door de griffier van het Gerechtshof te Arnhem doorgezonden naar dit Hof, alwaar het op 12 mei 2000 ter griffie is ingekomen.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van nihil en is bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep, dat is aangevuld bij schrijven van mr als gemachtigde van belanghebbende van 23 december 1999, strekt tot vernietiging van de uitspraak en vermindering van de aanslag in dier voege dat het verlies van het jaar 1997 wordt vastgesteld op f.240.000.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Met toestemming van de voorzitter van de Derde Meervoudige Belastingkamer heeft de gemachtigde een conclusie van repliek ingediend.

De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

Ter zitting van 18 april 2001 zijn verschenen mr voornoemd, tot bijstand vergezeld van A, en namens de inspecteur, tot bijstand vergezeld van.

De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende was sedert 1983 in gemeenschap van goederen gehuwd met V; uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. Op 22 januari 1997 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding ingediend en is tussen hen een echtscheidingsconvenant gesloten.

Bij beschikking van de Arrondissementsrechtbank te W is op 13 februari 1997 de echtscheiding uitgesproken tussen belanghebbende en zijn echtgenote. De betreffende beschikking is op 27 februari 1997 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Medio 1996 had belanghebbende een functie aanvaard in het Verre Oosten. Het was aanvankelijk de bedoeling dat het hele gezin naar het Verre Oosten zou verhuizen en zich daar zou vestigen voor de duur van het arbeidscontract van belanghebbende.

Tijdens de verhuizing en na de verscheping van de inboedel kwamen belanghebbende en zijn echtgenote tot de conclusie dat het huwelijk duurzaam ontwricht was en is besloten tot de echtscheiding.

Belanghebbende heeft Nederland metterwoon verlaten op 5 maart 1997.

2.3. In het hiervoor onder 2.1. vermelde echtscheidingsconvenant (waarvan zich een kopie onder de stukken bevindt: bijlage 10 bij het verweerschrift) is onder meer het volgende vermeld:

'In het echtscheidingsverzoek zal als alimentatie -door de man aan de vrouw te betalen-

worden opgenomen een bedrag ad f.3.500,- per maand.

Partijen komen uitdrukkelijk overeen, dat dit bedrag als voorlopig moet worden gezien.

De vrouw zegt toe met de ten deze af te geven beschikking géén executiemaatregelen

te zullen nemen.

De man zal gedurende circa de eerste 6 maanden -derhalve vanaf 1 februari 1997- een

bedrag aan de vrouw betalen ter delging van haar onderhoud ad f.2.500,- per maand (netto).

In deze periode zal duidelijkheid ontstaan over de verdiensten van de man, zijn kosten, de

mogelijke fiscale aftrekbaarheid van alimentatie en de behoefte van de vrouw.

Aan de hand van deze gegevens zullen partijen vervolgens trachten te komen tot de

definitieve vaststelling van de door de man te betalen alimentatie.

(....)

Partijen zullen nader bespreken hoe wordt omgegaan met de overbedeling van de vrouw

(.....).'

2.4. In een aanvullende overeenkomst van 4 maart 1997 (in kopie bijgevoegd als bijlage 11 bij het verweerschrift) zijn belanghebbende en zijn echtgenote het volgende overeengekomen:

'a. de betaling door de man zal geschieden zoals vastgelegd in de overeenkomst van 22

januari 1997.

b. de alimentatie is in onderling overleg bepaald op f.4.000,- per maand met ingang van

27 februari 1997 te betalen.

c. (.....)

d. partijen zijn ter betaling van de maandelijkse alimentatie ad f.4.000,- per maand

overeengekomen, dat de man een afkoopsom zal betalen ter betaling ineens van de

alimentatie voor de komende 5 jaar.

e. vanaf 27 februari 2002 zal de man wederom alimentatie betalen conform het

aanvullend convenant van 3 maart 1997, zulks derhalve niettegenstaande de afkoop-

overeenkomst van de alimentatie.

(.....)'

2.5. In een verklaring van 4 maart 1997 verklaren belanghebbende en zijn echtgenote (kopie als bijlage 12 bij het verweerschrift) het volgende:

'De alimentatieverplichtingen van de man jegens de vrouw zijn voor een periode van 5 jaar

afgekocht door de man door de betaling van een bedrag ineens van f.240.000,-.

De afkoop van de alimentatieverplichting van de man wordt door de vrouw aanvaard.

Niettegenstaande de afkoopsom zal de man vanaf 27 februari 2002 wederom alimentatie

betalen conform het aanvullend convenant van 3 maart 1997.

Deze verklaring is als een rechtens afdwingbare verplichting te beschouwen.'

2.6. Bijlage 10 bij de aanvulling op het beroepschrift is een kopie van een overeenkomst tussen B Beheer B.V. (aangeduid als schuldeiser) en belanghebbende (schuldenaar genoemd) waarin onder andere het volgende is vermeld:

'in aanmerking nemende:

dat schuldenaar met mevr.V is overeengekomen om alimentatieverplichtingen af te

kopen voor een periode van vijf jaar, daarbij tevens bepalende dat deze som geld zal worden

beheerd gedurende deze periode door schuldeiser en dat schuldeiser met schuldenaar een

overeenkomst van geldlening wenst aan te gaan totdat schuldenaar zijn afkoopverplichting

zal hebben voldaan, onder de navolgende voorwaarden:

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Per 1 maart 1997 heeft schuldenaar van schuldeiser ter leen ontvangen en is uit dien hoofde

aan schuldeiser verschuldigd een bedrag van f 201.876,--.

Het doen van tussentijdse aflossingen is zonder berekening van kosten mogelijk.

Over het uitstaande bedrag van de lening vergoedt schuldenaar aan schuldeiser een rente van

6% op jaarbasis, telkens te voldoen per jaar achteraf.

De lening zal dadelijk en ineens voor het geheel opeisbaar zijn (…..).

Overeengekomen en in drievoud ondertekend op april 1997 te Q.'

2.7. Bijlage 11 bij de aanvulling op het beroepschrift is een kopie van een overeenkomst tussen B Beheer B.V. (schuldeiser genoemd) en Mevrouw V (aangeduid als schuldenaar) waarin onder meer het volgende is vermeld:

'In aanmerking nemende:

dat schuldenaar wegens overbedeling bij de boedelscheiding in het kader van de

echtscheiding tussen schuldenaar en de heer X schuldig is aan X

dat deze dit bedrag heeft aangewend om de afkoop alimentatieverplichtingen te

financieren, dat partijen zijn overeenkomen dat schuldeiser de afkoopsom zal beheren,

dat schuldeiser met schuldenaar een overeenkomst van geldlening wenst aan te gaan,

onder de navolgende voorwaarden:

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Per 1 maart 1997 heeft schuldenaar van schuldeiser ter leen ontvangen en is uit dien

hoofde aan schuldeiser verschuldigd een bedrag van f 38.124,--.

Het doen van tussentijdse aflossingen is zonder berekening van kosten mogelijk.

Over het uitstaande bedrag van de lening vergoedt schuldenaar aan schuldeiser een rente

van 5% op jaarbais, telkens te voldoen per jaar achteraf.

(….)

Overeengekomen en in drievoud ondertekend op april 1997 te Q.'

2.8. Als bijlage 12 bij de aanvulling op het beroepschrift is een kopie gevoegd van een overeenkomst tussen mevrouw V (aangeduid als schuldeiser) en B Beheer B.V. (schuldenaar genoemd) waarin onder meer het volgende is vermeld:

'In aanmerking nemende:

dat schuldeiser met de heer X is overeengekomen om alimentatieverplichtingen

af te kopen voor een periode van vijf jaar, daarbij tevens bepalende dat deze som geld zal

worden beheerd gedurende deze periode door schuldenaar en dat schuldeiser met

schuldenaar een overeenkomst van geldlening wenst aan te gaan onder de navolgende

voorwaarden:

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Per 1 maart 1997 heeft schuldenaar van schuldeiser ter leen ontvangen en is uit dien

hoofde aan schuldeiser verschuldigd een bedrag van f 97.370,--.

De schuldenaar verplicht zich zorg te dragen het te leen ontvangen geld aan te wenden

voor betaling van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 van

de schuldeiser, te voldoen vanwege de ontvangen afkoopsom alimentatie door de

schuldeiser. De schuldeiser is zelf verantwoordelijk en aansprakelijk voor de aangifte

inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997.

Over het uitstaande bedrag van de lening vergoedt schuldenaar aan schuldeiser een rente

van 5% op jaarbasis, telkens te voldoen per jaar achteraf.

(…..)

Overeengekomen en in drievoud ondertekend op april 1997 te Q.'

2.9. Bijlage 13 bij de aanvulling op het beroepschrift is een kopie van een overeenkomst tussen mevrouw V (aangeduid als schuldeiser) en B Beheer B.V. (schuldenaar genoemd) met onder meer de volgende inhoud:

'In aanmerking nemende:

dat schuldeiser met de heer X is overeengekomen om alimentatieverplichtingen

af te kopen voor een periode van vijf jaar, daarbij tevens bepalende dat deze som geld zal

worden beheerd gedurende deze periode door schuldenaar en dat schuldeiser met schuldenaar

een overeenkomst van geldlening wenst aan te gaan onder de volgende voorwaarden:

Verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Per 1 maart 1997 heeft schuldenaar van schuldeiser ter leen ontvangen en is uit dien hoofde

aan schuldeiser verschuldigd een bedrag van f 142.630,--, zulks ter uitvoering van het

bepaalde in de bij de echtscheiding tussen schuldeiser en de heer X opgestelde

overeenkomst inzake afkoop alimentatieverplichtingen.

De schuldenaar verplicht zich zorg te dragen het te leen ontvangen geld aan te wenden voor

betaling van 60 maandelijkse termijnen van f 2.400,--, ingaande 1 maart 1997.

Over het uitstaande bedrag van de lening vergoedt schuldenaar aan schuldeiser een rente van

5% op jaarbasis, vast gedurende de gehele looptijd van de lening, te voldoen achteraf na

betaling van de laatste termijn op 1 februari 2002.

(…..)

Overeengekomen en in drievoud ondertekend op april 1997 te Q.'

2.10. Bij de aanvulling op het beroepschrift is als bijlage 14 gevoegd een kopie van een aanvullend echtscheidingsconvenant d.d. 3 maart 1997 tussen belanghebbende en zijn voormalige echtgenote waarin de overbedeling van de vrouw is becijferd op f.38.124.

2.11. De door B Beheer B.V. aan belanghebbende verstrekte lening is door belanghebbende in drie termijnen (de laatste op 8 oktober 1997), steeds inclusief rente vanaf 1 maart 1997 afgelost.

2.12. Mevrouw V heeft het door B Beheer B.V. aan haar ter leen verstrekte bedrag ad f.38.124 op 9 juli 1997 en 27 oktober 1997 afgelost (inclusief rente vanaf 1 maart 1997).

2.13. In de aangifte inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende als persoonlijke verplichting f.240.000 vermeld wegens afkoopsom alimentatie betaald aan zijn voormalige echtgenote. De inspecteur heeft dit bedrag niet in aftrek toegelaten.

3. Geschil

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht geweigerd heeft het bedrag ad f.240.000 in aftrek toe te laten en het verlies van het onderhavige jaar vast te stellen op f.240.000.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding.

Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- nog het volgende toegevoegd.

Door A

Het bedrag van f.240.000 is in 1997 bij de voormalige echtgenote belast.

B Beheer B.V. is een vennootschap waarvan ik aandeelhouder/directeur ben.

Ik ben bevriend met belanghebbende en zijn voormalige echtgenote. Zij hebben mij gevraagd om als tussenpersoon te fungeren. Vanwege de vriendschap wilden zij de gelden aan mij, dat wil zeggen mijn vennootschap, toevertrouwen.

De afkoop van de alimentatie is op 1 maart 1997 overeengekomen. De advocaat, dat is mijn vader, was raadsman van beide partijen. Mijn vader heeft het convenant en dergelijke opgesteld. Op die dag, 1 maart 1997, is alles afgekaart. Belanghebbende is op 5 maart 1997 naar het Verre Oosten vertrokken en in april 1997 teruggekomen; toen is alles wat op 1 maart 1997 mondeling was overeengekomen op papier gezet en ondertekend. In die tussentijd is B Beheer B.V. al wel betalingen aan de vrouw gaan doen.

In de overeenkomsten is het doel van de leningen vermeld, te weten de afkoop van de alimentatie. Een van de geldbronnen van belanghebbende was de te verwachten teruggave van de belastingdienst. Er is per 1 maart 1997 geleend aan de vrouw. In wezen is een driehoeksverhouding ontstaan op 1 maart 1997. Belanghebbende heeft de lening in termijnen terugbetaald.

Uiteraard is er gesproken over de wijze van terugbetaling. Het was aanstonds duidelijk dat het bedrag ad f.240.000 niet beschikbaar was op 1 maart 1997. Daarom is alles geregeld via rentedragende leningen. Dat is met beide partijen besproken. Er is niets achteraf geconstrueerd. Er zijn op 1 maart berekeningen gemaakt. Uitgegaan is van afkoop voor 5 jaar van f.2.400 per maand, rekening houdend met de belastingdruk. Alles is met zo veel woorden besproken. Het ging de vrouw om de zekerheid van een vast netto bedrag per maand.

De eerste maandbetaling vond ook per 11 maart plaats, echter in verband met afrondingsverschillen, voor f.100 te weinig. Dat is in april rechtgetrokken.

Het geld is van B Beheer B.V. geleend. In wezen is de lening gecedeerd. Van de cessie is geen akte opgemaakt. Dat was voor mij ook niet nodig. Ik had voldoende vertrouwen in belanghebbende dat ik het geld zou terugkrijgen. Voor een deel was er al verrekend, namelijk voor het deel van de overbedeling.

Alles wat partijen hebben beoogd, is ook zo uitgevoerd.

Door de inspecteur

Het gaat om de werking van de overeenkomsten vóór 5 maart 1997. Alle overeenkomsten zijn van april 1997. Ik bestrijd dat er tussen belanghebbende en zijn voormalige echtgenote een overeenkomst met betrekking tot de afkoop van alimentatie is. Ik mis een onderlinge prestatie. De overeenkomsten zijn niet tijdig tot stand gekomen gelet op de laatste volzin.

Als alle overeenkomsten zouden dateren van voor of op 5 maart 1997 en er ook op 5 maart 1997 was betaald had ik geen moeite met het geheel. Ik mis een overeenkomst tussen de man en de vrouw. Een verklaring is daartoe onvoldoende.

Het geld is naar mijn idee binnen de vennootschap gebleven.

Het bedrag van f.240.000 is door de vrouw in haar aangifte voor het jaar 1997 vermeld.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende (hierna ook: de man) en zijn voormalige echtgenote (hierna ook: de vrouw) op 1 maart 1997, althans vóór 5 maart 1997, toen belanghebbende nog binnenlands belastingplichtig was, tot een mondelinge overeenkomst zijn gekomen omtrent de afwikkeling van de alimentatieplicht en met name de afkoop voor een periode van 5 jaren daarvan door de man en dat die mondelinge overeenkomst op 4 maart 1997 en in april 1997 is neergelegd in de schriftelijke overeenkomsten zoals die hiervoor onder 2.4. tot en met 2.9. zijn vermeld onder de feiten. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de stelling van belanghebbende dat de vrouw ook na de afkoop over een vast bedrag per maand wenste te beschikken en dat een en ander snel moest worden geregeld in verband met de omstandigheid dat hij, in tegenstelling tot de oorspronkelijke plannen, zonder gezin naar het Verre Oosten zou vertrekken. Evenmin heeft het Hof reden te twijfelen aan de juistheid van de stelling dat, gelet op de vereiste snelheid, gekozen is voor het aanbod van A c.q. B Beheer B.V. om alles, dat wil zeggen zowel de betaling van de maandelijkse bedragen als de financiering van de afkoop, te regelen via de laatstgenoemde vennootschap.

Voorts acht het Hof de verklaring ter zitting van A omtrent de gang van zaken en de afwikkeling daarvan aannemelijk.

5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 38, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1997; hierna: de Wet), worden aftrekbare kosten in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden. Op grond van artikel 45b, eerste lid, eerste volzin, van de Wet, is het voorgaande van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de persoonlijke verplichtingen, waaronder de onderhavige afkoopsom.

5.3.1. Uit hoofde van de afkoop had de man een schuld jegens de vrouw ad f.240.000. Uit hoofde van de boedelscheiding had de vrouw een schuld aan de man. Ingevolge artikel 6:155 BW gaat een schuld van de schuldenaar over op een derde, indien deze haar van de schuldenaar overneemt. Die schuldoverneming heeft pas werking jegens de schuldeiser, indien deze zijn toestemming geeft, nadat partijen hem van de schuldoverneming kennis hebben gegeven. Voor schuldoverneming als hiervoor bedoeld is geen akte vereist; evenmin gelden andere vormvoorschriften.

5.3.2. Het Hof is van oordeel dat, gelet op het onder 5.1. overwogene en op de onder 2.4. tot en met 2.10. vermelde overeenkomsten, in onderlinge samenhang bezien, de schuld van de man jegens de vrouw (ad f.240.000) op 1 maart 1997, althans vóór 5 maart 1997, door B Beheer B.V. (hierna: B) is overgenomen en dat de vrouw, op datzelfde tijdstip, daarmee instemde en voorts, dat uit dien hoofde per diezelfde datum een schuld van de man ad f.240.000 jegens B is ontstaan.

Het Hof is tevens van oordeel dat de schuld van de vrouw jegens de man ten bedrage van de overbedeling (ad f.38.124) op 1 maart 1997, althans vóór 5 maart 1997, door B is overgenomen en dat de man, op datzelfde tijdstip, daarmee instemde en voorts, dat uit dien hoofde per diezelfde datum een schuld van de vrouw ad f.38.124 jegens B is ontstaan. Dat kennelijk pas op 3 maart 1997 het exacte bedrag van de overbedeling bekend is geworden, doet aan het voorgaande niet af.

5.4.1. Uit de hiervoor bedoelde overeenkomsten (met name die onder 2.6., 2.7. en 2.10.) leidt het Hof af dat vervolgens, op 3 maart 1997, althans vóór 5 maart 1997, de schuld van belanghebbende jegens B en de schuld van B jegens belanghebbende tot het bedrag van de overbedeling ad f.38.124 door verrekening in de zin van artikel 6:127 BW zijn tenietgegaan. Die verrekening vormt een betaling door belanghebbende in de zin van artikel 38 van de Wet.

5.4.2. Uit de overeenkomst bedoeld onder 2.6. leidt het Hof voorts af dat de schuld van belanghebbende jegens B voor het restant van de afkoopsom ad f.201.876 per 1 maart 1997 rentedragend is geworden. Het Hof acht zonder meer aannemelijk dat zulks op 1 maart 1997, althans ten tijde van de schuldoverneming door B, is overeengekomen. Dit geldt evenzeer ten aanzien van het rentedragend worden van de schuld van de B aan de vrouw (ad in totaal f.240.000) en van de schuld van de vrouw aan B (ad f.38.124). Uit het voorgaande blijkt dat naar 's Hofs oordeel ten aanzien van het restant van de afkoopsom ad f.201.876 eveneens sprake is van betaling door belanghebbende in de zin van artikel 38 van de Wet.

5.4.3. De omstandigheid dat de betreffende overeenkomsten van belanghebbende en zijn ex-echtgenote met B eerst in april 1997 schriftelijk zijn vastgelegd, toen belanghebbende zich tijdelijk in Nederland bevond, doet aan 's Hofs voorgaande oordelen niet af. Daarbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat B voor het eerst op 11 maart 1997 en vervolgens op 2 april (en 2 mei) 1997 betalingen aan de vrouw heeft gedaan. Dat de betaling in maart 1997 f.2.300 in plaats van f.2.400 bedroeg is door A ter zitting nader verklaard en leidt niet tot een ander oordeel.

5.5. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt het Hof tot de slotsom dat belanghebbende het bedrag ad f.240.000 heeft betaald in de zin van het bepaalde in artikel 38, eerste lid van de Wet vóór het einde van zijn binnenlandse belastingplicht. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de proceskosten gesteld op 2,5 (voor proceshandelingen) maal 1,5 (voor het gewicht) x f.710 is f.2.662,50.

7. Beslissing

Het Hof -verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

-stelt het verlies van het jaar 1997 vast op f.240.000;

-veroordeelt de inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van f.2.662,50 aan

proceskosten en wijst de Staat aan als rechtspersoon die dit bedrag dient te

voldoen;

-gelast de Staat het gestorte griffierecht ad f.60 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 11 juli 2001 door mrs Smit, Faase en Brouwer, in tegenwoordigheid van mr Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.