Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2707

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
18-07-2001
Zaaknummer
01/01347
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De President stelt voorop dat hij niet bevoegd is te oordelen over geschillen die niet belastingaanslagen betreffen.

Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen wordt afgewezen nu van onverwijlde spoed niet is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/50
FutD 2001-1418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

UITSPRAAK VAN DE PRESIDENT VAN HET GERECHTSHOF ALS BEDOELD IN

ARTIKEL 8:84 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

inzake: X te Y, verzoeker,

tegen: de inspecteur fiscale zaken particulieren van Gemeentebelastingen Amsterdam, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 9 januari 2001 alsmede diverse brieven en klachten gericht aan stadsdeel A en naheffingsaanslagen.

2. Onstaan en loop van het geding

Bij het bestreden besluit van 9 januari 2001 heeft verweerder verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer 00-070361, ook bekend als aanslagnummer 171000092402117 omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

Bij brief van 26 april 2001 heeft verzoeker zich tot de President van het Gerechtshof gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend alsmede enige op de zaak betrekking hebbende stukken ter griffie ingezonden.

3. Karakter voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

4. Feiten en omstandigheden

In de onder 2. hiervoor vermelde brief van verzoeker van 26 april 2001 is vermeld dat het verzoek om een voorlopige voorziening betreft:

· kenmerk Gerechtshof Amsterdam BK 01/00497

· kenmerken Stadsdeel A o.a. PAZ-nummers 2000/2497 etcetera

· naheffingsaanslagnummers 171000092402117, 091100101702130 etcetera

· faktuurnummer 0003180 e.a.

In een schrijven van verweerder van 10 mei 2001 is onder meer vermeld dat de in de brief van verzoeker vermelde PAZ-nummers nummers betreffen die zijn toegekend door het stadsdeel A aan bij haar binnengekomen brieven en klachten.

Voorts vermeldt verweerder dat de nummers die betrekking hebben op naheffingsaanslagen alle zien op naheffingsaanslagen die aan verzoeker zijn opgelegd omdat hij zijn auto had geparkeerd in de straat waar hij woont zonder dat daarvoor de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan.

Met betrekking tot de naheffingsaanslag met aanslagnummer 17100009202117 is door belanghebbende bezwaar ingesteld en, na niet-ontvankelijkverklaring daarvan door verweerder, beroep ingesteld bij dit Gerechtshof. Het beroep is ingeschreven onder kenmerk 01/00497.

Met betrekking tot de naheffingsaanslag met aanslagnummer 091100101702130 heeft verweerder opgemerkt dat verzoeker bezwaar heeft ingesteld en dat verweerder daarop uitspraak heeft gedaan. Onderzoek bij de griffie van dit Gerechtshof heeft uitgewezen dat verzoeker tegen de betreffende uitspraak geen beroep heeft ingesteld.

5. Standpunten van partijen

Verzoeker kan zich met diverse besluiten kennelijk niet verenigen en heeft, samengevat, aangevoerd dat de tegenpartij onmiddellijk in voorlopige hechtenis dient ter worden geplaatst, dat beslag dient te worden gelegd op alle eigendommen en vermogen van de tegenpartij, dat aan de tegenpartij onmiddellijk een straatverbod moet worden opgelegd en dat de tegenpartij moet worden belast met alle kosten van deze voorziening.

Verweerder stelt zich, samengevat, op het standpunt dat de President slechts bevoegd is te oordelen over belastingaanslagen en dat het verzoek niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat geen sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Awb dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen.

Voor de standpunten van partijen verwijst de President overigens naar de ingediende stukken.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan een voorlopige voorziening slechts worden getroffen indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij het Gerechtshof dan wel bezwaar is ingesteld bij het orgaan dat het bestreden besluit heeft genomen. Voorts is als vereiste vermeld dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.

6.2. De President stelt voorop dat hij niet bevoegd is te oordelen over geschillen tussen verweerder en verzoeker die niet belastingaanslagen betreffen.

Voorts is de President niet bevoegd de door verzoeker gevraagde maatregelen te treffen.

De President is, gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1. is overwogen slechts bevoegd te oordelen over de procedure omtrent de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer 17100009202117 welke bij het Hof bekend is onder kenmerk 01/00497.

Naar het oordeel van de President is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Awb, niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt het verzoek afgewezen.

7. Proceskosten

Er is geen aanleiding om een partij te veroordelen in de proceskosten van verzoeker op de voet van artikel 8:75 Awb.

Beslist wordt als volgt.

8. Beslissing

De President wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Gewezen door mr Smit, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr Geel-Cieraad, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2001.

De president heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.