Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2706

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2001
Datum publicatie
18-07-2001
Zaaknummer
00/3755
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak op bezwaar door verweerder vernietigd. Bij uitblijven ‘nieuwe’ uitspraak op bezwaar komt belanghebbende in beroep. Hof: niet-ontvankelijk, geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2002/502
FutD 2001-1416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de directeur Gemeentebelastingen van de gemeente te P, verweerder, gedagtekend 5 maart 1999, betreffende de kennisgevingbeschikking van 10 maart 1997, kennisgevingsnummer xxx, op grond van de Wet waardering onroerende zaken, hierna: WOZ-beschikking. Het beroep is behandeld ter zitting van 14 juni 2001.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Gronden

1. Bij kennisgeving van de 2 WOZ-beschikkingen van 10 maart 1997 is de waarde van de onroerende zaak a-straat 12 te Q naar de waardepeildatum 1 januari 1992 voor de eigenaar respectievelijk de gebruiker vastgesteld op ¦ 378.000.

2. Belanghebbende, advocaat en procureur, heeft tegen deze kennisgeving een voorshands niet gemotiveerd bezwaarschrift ingediend, gedagtekend 18 maart 1997. Bij ontvangstbevestiging van 30 april 1997 en bij (herinnerings)brieven van 7 februari en 8 september 1998 verzoekt verweerder belanghebbende de motivering van het bezwaar in te dienen. Bij ontvangstbevestiging van 4 november 1998 verleent verweerder belanghebbende voor 6 maanden uitstel tot het indienen van de motivering van zijn bezwaar. Op 5 maart 1999 doet verweerder uitspraak op het niet gemotiveerde bezwaar, bij welke uitspraak de vastgestelde waarde wordt gehandhaafd. Bij brief van 11 maart 1999 deelt verweerder belanghebbende, voor zover hier van belang, het volgende mede:

“Tot mijn spijt moet ik erkennen dat er bij de verdere verwerking van mijn toezegging (...) iets mis is gegaan. Ik bied u hier voor mijn excuses aan.

Het feit ligt er nu dat er toch uitspraak is gedaan. Dit kan ik niet meer terugdraaien. (...) Naar mijn mening is het verder aan u om te beslissen wat voor u de volgende stap zal zijn na onze uitspraak op uw bezwaarschrift.”

3. Bij brief van 16 maart 1999 aan verweerder geeft belanghebbende te kennen dat verweerder wegens schending van zijn toezegging uiteraard de uitspraak van 5 maart 1999 kan terugdraaien en verzoekt belanghebbende verweerder de bestreden uitspraak in te trekken. In zijn brief van 22 maart 1999 schrijft verweerder in antwoord op dit verzoek onder meer het volgende:

“Formeel gezien is het niet mogelijk dat ik de uitspraak op het bezwaarschrift terugdraai of vernietig. (...). Gezien de toezegging tot uitstel van motivering ben ik bereid aan uw uitdrukkelijke wens tegemoet te komen en beschouw ik de uitspraak op het bezwaarschrift (...) als niet gedaan. Dit geeft u nu de gelegenheid uw bezwaarschrift te motiveren. (...) Ik verzoek u uw bezwaar binnen 4 weken (...) te motiveren.”

Bij brieven van 22 april en 3 mei 1999 verzoekt belanghebbende om verlenging van de motiveringstermijn. Bij faxbericht van 7 mei 1999 verleent verweerder belanghebbende uitstel van motivering tot uiterlijk 15 mei 1999 met de mededeling dat bij gebreke daarvan direct uitspraak zal worden gedaan. Bij brief van 1 september 1999 schrijft belanghebbende aan verweerder voor zover van belang:

“Naar aanleiding van uw opgemelde schrijven (...) deel ik u mede dat ik tot op heden van geen uitspraak in kennis ben gesteld. (...) Ik houd het er voor dat ik nog altijd in de gelegenheid ben tot nadere motivering.”

Op 2 november 2000 dient belanghebbende een beroep in “op nader aan te voeren gronden betreffende WOZ-beschikking van 10 maart 1997, naar aanleiding van de uitspraak op het bezwaarschrift van 5 maart 1999” met verzoek de waarde te bepalen op ¦ 224.000.

4. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken, terwijl ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb juncto artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - voor zover hier van belang - de termijn aanvangt met ingang van de dag na de dagtekening van de uitspraak. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift zoals toegelicht bij pleidooi, gaat het Hof ervan uit dat belanghebbende in beroep komt tegen de uitspraak van 5 maart 1999 en dat hij aanspraak maakt op toepassing van artikel 6:11 Awb. In dat wetsartikel is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Naar het oordeel van het Hof is dit laatste niet het geval.

5. Belanghebbendes verzuim tijdig een beroepschrift in te dienen wordt niet verschoond door de omstandigheid dat verweerder zich niet heeft gehouden aan zijn toezegging, van 4 november 1998 noch door de omstandigheid dat verweerder na én in strijd met zijn brief van 11 maart 1999 bij brief van 22 maart 1999 zich klaarblijkelijk alsnog én tegen beter weten in een beschikkinsmacht - intrekken van een gedane uitspraak - toerekent die hem niet toekomt. Belanghebbende had, gelet ook op zijn hoedanigheid van advocaat en procureur, behoren te weten dat een gedane uitspraak op bezwaar niet kan worden ingetrokken en dat hij daartegen beroep had moeten aantekenen. Aan de uitlatingen van verweerder mocht belanghebbende geen in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen, nu de beroepstermijn van openbare orde is en belanghebbende kon weten dat verweerder niet bevoegd is om de duur van die termijn te wijzigen. Voor zover een en ander zich al anders laat beoordelen wordt het verzuim van belanghebbende in elk geval ook niet verschoond doordat hij niet kort na 15 mei 1999 - bijvoorbeeld uiterlijk 15 juni 1999 - wegens het uitblijven van de door verweerder aangekondigde nieuwe (tweede) “uitspraak” een beroepschrift tegen de uitspraak van 5 maart 1999 heeft ingediend, maar eerst op 2 november 2000.

6. Gezien het hiervoor overwogene is het beroep wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk. Hierdoor komt het Hof niet toe aan kennisneming van de materiële grieven van belanghebbende met betrekking tot de vastgestelde waarde.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een van de partijen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 28 juni 2001 door mr Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Jonk als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.