Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2470

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
99/4022
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Tariefsverschil parkeervergunningen (bewonersvergunning f 100 en bedrijfs-vergunning f 500) is in kader van parkeerregulering geoorloofd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/1149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X v.o.f. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het hoofd van het bureau belastingen van de gemeente Beverwijk, verweerder.

1 Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 21 december 1999, ingediend door A als gemachtigde.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 9 december 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag parkeerbelasting ter zake van het verlenen van een bedrijfsvergunning voor het voertuig met het kenteken VV-VV-00 voor de periode 1 januari t/m 31 december 1999 ad ¦ 500.

Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en tot vernietiging van de aanslag dan wel tot vermindering van de aanslag tot nihil of tot ¦ 100.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Op 31 juli 2000 is een als conclusie van repliek aangemerkt stuk van de gemachtigde ontvangen. Verweerder heeft op 18 augustus 2000 een conclusie van dupliek ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Eerste Enkelvoudige Belastingkamer van 7 februari 2001. Beide partijen hebben een pleitnota in het geding gebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan op 16 februari 2001 een afschrift aan partijen is gezonden.

Na verwijzing heeft de Vierde Meervoudige Belastingkamer de zaak behandeld ter zitting van 4 mei 2001, waar beide partijen een pleitnota in het geding hebben gebracht. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De Verordening

2.1. De Raad van de gemeente Beverwijk heeft op 16 december 1998 de Verordening Parkeerbelastingen 1999 (hierna: de Verordening) vastgesteld met de daarbij behorende en daarvan deel uitmakende Tarieventabel Parkeerbelastingen 1999. Voorts is op 22 december 1998 door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Beverwijk vastgesteld het Parkeerreglement 1999.

Tot de gedingstukken behoort een afschrift van de bekendmaking van voormelde stukken in een plaatselijk dagblad met de mededeling dat belangstellenden een gratis exemplaar kunnen afhalen bij het Publieksbureau van de gemeente Beverwijk.

2.2. De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ (..)

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven:

3 een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

4 een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.

(..)

Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak

De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel[t]uitmakende tarieventabel.

(..)

Artikel 7 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen

De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit.

(..)

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel

(..)

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 1999.

4. Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening Parkeerbelastingen 1999”. ”

2.3. De bij de Verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieventabel luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ (..)

Artikel 3

3. Het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in de Verordening Parkeerbelastingen 1999, artikel 2, onderdeel b, bedraagt:

3.1 voor een vergunning, geldend voor één van de sectoren van de Binnenstad, met uitzondering van sector V, zoals bedoeld in het Parkeerreglement 1999, aan een kentekenhouder, die feitelijk het gebruik heeft van een onroerende zaak, zijnde een woning in de betreffende sector ¦ 25,00

3.2 voor een vergunning, geldend voor alle sectoren van de Binnenstad, zoals bedoeld in het Parkeerreglement 1999, aan een kentekenhouder, die feitelijk het gebruik heeft van een onroerende zaak, zijnde een woning in één van de genoemde sectoren ¦ 100,00

3.3. voor een vergunning geldend voor de gebieden, zoals bedoeld in het Parkeerreglement 1999, artikel 3.4 aan een kentekenhouder, die feitelijk het gebruik heeft van een onroerende zaak, zijnde een niet-woning in één van de genoemde sectoren ¦ 500,00

(..) ”

2.4. Het Parkeerreglement 1999 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“ Gelet op artikel 7 van de “Verordening Parkeerbelastingen 1999”:

(..)

Artikel 3 Wijze van parkeren

(..)

3.4 Indien men in het bezit is van een parkeervergunning, zoals is bedoeld in artikel 3.3 van de Tarieventabel 1999 behorende bij en deeluitmakende van de Verordening Parkeerbelastingen 1999, is parkeren toegestaan in de volgende gebieden:

Beverhof, Meerplein, Wijckermolen (aan de zijde van pand Smit), Stationsplein (tussen Wijckermolen en Breestraat oneven zijde), Meester van Lingenlaan, Prins Bernhardlaan, Akerendamlaan (vanaf Vondellaan tot Prins Bernhardlaan), Prinsesselaan (tussen Zeestraat en Meester van Lingenlaan), Kennemerhof, Markt, Baanstraat (vanaf Kloosterstraat tot hoek Zeestraat), Koningstraat (hoek Begijnenstraat richting Markt), Graaf Janstraat (vanaf Koude Horn), Alkmaarseweg (voor huisnummers 16 tot aan 32 en voor huisnummer 50), de Raep (op de door middel van borden aangewezen plaatsen), Jacob van Deventerstraat (op de door middel van borden aangewezen plaatsen), Spoorsingel (op de door middel van borden aangewezen plaatsen).

(..)”

Op een bijbehorende kaart zijn de in onderdeel 3.4 aangewezen gebieden (“parkeren vergunninghouders bedrijven”) ter zitting geel gearceerd.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende heeft het feitelijke gebruik van een bedrijfspand in de binnenstad van de gemeente Beverwijk. Met dagtekening 31 oktober 1998 is aan belanghebbende een aanslagbiljet parkeervergunning(en) 1999 uitgereikt voor het voertuig met kenteken VV-VV-00 betreffende de periode 01-01-/31-12-1999 ten bedrage van ¦ 500.

3.2. Met de aan belanghebbende verstrekte bedrijfsvergunning mag worden geparkeerd in de in artikel 3, onderdeel 3.4, van het Parkeerreglement 1999 aangewezen gebieden.

In de Jacob van Deventerstraat, de Raep en de Spoorsingel zijn enige parkeerplaatsen exclusief toegewezen aan houders van een bedrijfsvergunning; deze “belanghebbendenplaatsen” zijn met borden aangegeven. Zij liggen niet in de nabijheid van het door belanghebbende gebruikte bedrijfspand.

Met ingang van 2000 zijn deze “belanghebbendenplaatsen” uitgebreid met 5 plaatsen in de Baanstraat, 15 plaatsen op de Markt en 24 plaatsen op het Meerplein (zie bijlage 4 bij het beroepschrift).

3.3. Met een bewonersvergunning, tarief ¦ 100, mag in de gehele binnenstad worden geparkeerd, behoudens op de onder 3.2. bedoelde “belanghebbendenplaatsen”.

3.4. Op het op 1 december 1998 door verweerder ontvangen bezwaarschrift heeft deze uitspraak gedaan op 9 december 1999. Ter zake van het daartegen gerichte beroepschrift was sedert 1 september 1999 een griffierecht van ¦ 450 verschuldigd; voordien bedroeg het griffierecht ¦ 85.

4. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het geoorloofd is een onderscheid in tarief te maken tussen bewonersvergunningen (¦ 100) en bedrijfsvergunningen (¦ 500). Naar belanghebbende stelt en verweerder bestrijdt is een dergelijke tariefdifferentiatie onverbindend, weshalve de aanslag dient te worden vernietigd, dan wel gebiedt het gelijkheidsbeginsel de aanslag van belanghebbende te verminderen tot ¦ 100.

Voorts verzoekt belanghebbende het griffierecht te matigen tot ¦ 85 dan wel een door het Hof redelijk te achten bedrag.

5. Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het aangehechte proces-verbaal.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De omstandigheid dat verweerder op het op 1 december 1998 ontvangen bezwaarschrift niet vóór 1 september 1999 uitspraak heeft gedaan, geeft het Hof geen aanleiding de wettelijke regeling van het griffierecht buiten toepassing te laten.

De door belanghebbende dienaangaande aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis zien op gevallen waarin een administratieve boete in het geding is en waarin de onverkorte toepassing van de griffierechtregeling onder omstandigheden strijd zou kunnen opleveren met het in artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter. Van een administratieve boete is in casu evenwel geen sprake.

6.2. Met de onder 2. bedoelde regelingen heeft de gemeente Beverwijk onder meer maatregelen genomen in het kader van de parkeerregulering in de binnenstad. In dat verband zijn parkeertarieven ingevoerd voor (globaal) maandag tot en met zaterdag van 09.00 tot en met 18.00 uur plus koopavonden tot 21.00 uur, met een tarief van ¦ 2,00 per uur (sector V en parkeerterreinen ¦ 1,00 per uur).

De wijze waarop de gemeente Beverwijk de door haar noodzakelijk geachte regulering vorm heeft gegeven, staat op zichzelf niet ter beoordeling van de belastingrechter. De taak van het Hof is beperkt tot de beantwoording van de vraag of de gemeente daarbij is gebleven binnen de haar krachtens de Gemeentewet toekomende bevoegdheid, waarbij ook algemene rechtsbeginselen een rol spelen.

6.3. Ingevolge artikel 225 van de Gemeentewet is de gemeente bevoegd een belasting te heffen ter zake van het parkeren van een voertuig en ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze. Het tarief van die belastingen kan, aldus het achtste lid, afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging van de terreinen of weggedeelten.

6.4. Het Hof acht aannemelijk, zoals verweerder heeft gesteld, dat de bewonersvergunning en het daarbij behorende tarief beoogt voor bewoners van de binnenstad het parkeren van hun auto mogelijk te maken in de nabijheid van hun woning gedurende de tijd dat zij die auto in beginsel niet nodig hebben.

6.5. In het kader van de parkeerregulering kunnen niet-bewoners (en bewoners zonder parkeervergunning) gebruik maken van parkeerapparatuur in de binnenstad en op parkeerterreinen tegen de daarvoor bepaalde tarieven van ¦ 2,00 of ¦ 1,00 per 60 minuten. Voor niet-bewoners die voor hun werk regelmatig in de binnenstad moeten zijn, is de mogelijkheid gecreëerd een bedrijfsvergunning aan te vragen. Zij behoeven dan geen parkeerapparatuur in werking te stellen en kunnen op aangewezen plaatsen parkeren met hun vergunning. Naar aannemelijk is zullen van deze mogelijkheid uitsluitend niet-bewoners gebruik maken die zeer regelmatig in de binnenstad wensen te parkeren. Voor hen fungeert de bedrijfsvergunning in feite als een reductie op het parkeergeld dat zij als parkeerders zonder vergunning zouden moeten betalen.

In het licht van het vorenstaande en gelet op het streven van de gemeente Beverwijk om auto’s van bedrijven uit de binnenstad te weren c.q. hun aantal te minimaliseren, met name ook om cliënten de mogelijkheid te bieden hun auto nabij die bedrijven te parkeren, heeft de gemeente Beverwijk in redelijkheid kunnen besluiten het tarief van deze bedrijfsvergunningen vast te stellen op ¦ 500 per jaar.

6.6. De aldus gecreëerde tariefverschillen tussen bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen zijn, absoluut en relatief, niet zodanig groot dat geoordeeld zou moeten worden dat zij onredelijk of willekeurig zijn vastgesteld.

De in artikel 225 van de Gemeentewet geschapen mogelijkheid tot parkeerregulering, met inbegrip van het achtste lid van dat artikel, staat aan de handelwijze van de gemeente Beverwijk naar ‘s Hofs oordeel niet in de weg. Het Hof neemt daarbij mede in acht dat van strijd met voornoemd artikel 225 van de Gemeentewet, ook naar de kennelijke opvatting van belanghebbende, geen sprake is in het geval waarin een gemeente uitsluitend aan bewoners vergunningen verleent.

6.7. Uit het vorenoverwogene vloeit tevens voort dat de gemeente Beverwijk een objectieve en redelijke grond had om bij haar parkeerregulering een onderscheid te maken tussen enerzijds bewoners van de binnenstad en anderzijds niet-bewoners, waarbij de gemeente deze laatste groep weer heeft onderscheiden naar enerzijds niet-bewoners die bij een bedrijf in de binnenstad werken en een - aan restricties gebonden - bedrijfsvergunning kunnen krijgen, en anderzijds niet-bewoners die - zonder overige restricties - uitsluitend tegen uurtarieven kunnen parkeren in de binnenstad.

6.8. De stelling van belanghebbende dat B en W op grond van de Verordening niet bevoegd waren parkeerplaatsen aan te wijzen voor vergunninghouders, stuit af op het bepaalde in art. 3, onderdeel 3.3 van de Tarieventabel, die deel uitmaakt van de Verordening. Daarin is bepaald dat de bedrijfsvergunning geldt voor de gebieden die in artikel 3.4 van het Parkeerreglement 1999 zijn bedoeld. De omstandigheid dat dit parkeerreglement blijkens de aanhef is gebaseerd op artikel 7 van de Verordening, waarin slechts verwezen wordt naar artikel 2, onderdeel a, en niet naar onderdeel b inzake parkeervergunningen, betekent niet dat de aanwijzing in onderdeel 3.3 van de Tarieventabel verbindende kracht mist.

6.9. De slotsom luidt dat het gelijk aan verweerder is.

7. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk is gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 18 mei 2001 door mrs. Schaap, Onnes en Kruimel, in tegenwoordigheid van mr. Brands als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

Heden, 4 mei 2001, zijn ter zitting van de bovengenoemde kamer, waar zitting hadden mrs. Schaap, voorzitter, Onnes en Kruimel, leden, in tegenwoordigheid van mr. Brands als griffier, in de zaak van X v.o.f., belanghebbende, tegen het hoofd van het bureau belastingen van de gemeente Beverwijk, verweerder, verschenen: (…)

Op de vraag van de voorzitter bevestigt verweerder dat hij van de tevoren toegezonden pleitnota van gemachtigde kennis heeft genomen, zodat deze als ter zitting voorgedragen kan worden beschouwd.

In eerste termijn heeft de gemachtigde van belanghebbende een kort resumé van zijn pleitnota gegeven.

Verweerder heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Partijen hebben vervolgens op vragen van het Hof geantwoord, zakelijk weergegeven:

de gemachtigde van belanghebbende:

Borden met de aanduiding exclusief voor bedrijven, waren in 1999 nog niet geplaatst. Parkeerwachters hebben de onduidelijkheid erkend.

Het aantal vergunningen is onbeperkt. Van een effectieve parkeerregulering is dan ook geen sprake.

Voor de onroerendezaakbelastingen is door de formele wetgever een onderscheid gemaakt tussen woningen en niet-woningen. Bij de parkeerbelastingen is dat niet expliciet gebeurd.

de verweerder:

Aan bedrijven zijn rond 500 vergunningen verleend, aan bewoners rond 1500.

Tussen bewoners en bedrijven bestaat volgens de gemeente een wezenlijk verschil. De gemeente voert een op doelgroepen afgestemd parkeerbeleid. Het aantal vergunningen voor bedrijven en voor bewoners is in beginsel niet beperkt.

In 2000 is het aantal parkeerplaatsen exclusief voor bedrijven uitgebreid. In 1999 waren er ook al exclusieve plaatsen voor bedrijven, aangegeven met borden. Ik (mevr. B) weet dat zeker, want een van die borden stond bij mij voor de deur.

Het weren van parkerend personeel van bedrijven uit de binnenstad is gebeurd op wens van de winkeliers.

Vervolgens is het onderzoek gesloten. Partijen hebben ermee ingestemd dat de uitspraak wordt gedaan zonder voorafgaande aankondiging.