Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2350

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
06-07-2001
Zaaknummer
00/03769
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur beschikte over alle gegevens die hij nodig had voor het opleggen van de voorlopige aanslag en voor de opgetreden, onwenselijk te achten, vertraging heeft de inspecteur geen verklaring aangevoerd. De wettelijke regeling van artikel 30f en volgende van de Awr biedt echter, minder nog dan de tot 1 juli 1997 geldende regeling, naar tekst en strekking geen ruimte het in rekening brengen van heffingsrente achterwege te laten op de enkele grond dat de inspecteur de mogelijkheid had de aanslag eerder op te leggen (zie Hoge Raad 22 maart 2000, BNB 2000/175). Gelet op tekst en strekking ziet het Hof evenmin aanleiding om het in rekening brengen van heffingsrente in strijd te achten met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Daarbij acht het Hof van belang dat belanghebbende niet uitdrukkelijk heeft verzocht een volgende voorlopige aanslag op te leggen en zijn situatie derhalve niet valt onder die beschreven in het Besluit van 27 september 2000, nr. CPP 2000/1945 (opgenomen in VN 2000/45.8).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/39.2 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, de inspecteur, gedagtekend 10 oktober 2000, betreffende de beschikking heffingsrente, in rekening gebracht over de over 1997 verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Het beroep is behandeld op de zitting van 13 juni 2001.

BESLISSING

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

GRONDEN

1.1. De inspecteur heeft op 23 december 1997 bij uitspraak op bezwaar de aan belanghebbende opgelegde (tweede) voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 38.000,-.

1.2. Belanghebbende heeft op 21 juli 1998 een belastbaar inkomen over 1997 aangegeven van f 31.249,-. Op 7 september 1998 heeft de inspecteur aan de gemachtigde geschreven dat hij van mening was dat de onderneming van belanghebbende in 1997 was gestaakt en gevraagd om gegevens ter berekening van de stakingswinst.

Op 21 december 1998 heeft de gemachtigde een suppletie-aangifte (met bijlagen) ingezonden, uitkomende op een (belaste) stakingswinst van f 200.118,-.

De inspecteur heeft op 14 juli 2000 de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en daarbij de berekening van de stakingswinst van de gemachtigde geheel gevolgd. Het aangiftebiljet bevat op de voorzijde een notitie in het vakje "d.a.r." met de tekst "Edwin 090299".

Bij de in geschil zijnde beschikking heeft de inspecteur heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van f 7.581,-.

2. Ter zitting heeft de inspecteur nog verklaard dat de notitie waarschijnlijk betekent dat een collega met de voornaam Edwin, op 9 februari 1999 de aangifte heeft beoordeeld en de op te leggen aanslag heeft voorbereid voor verdere administratieve verwerking; dat hij niet weet waarom de aanslag uiteindelijk pas op 14 juli 2000 is gedagtekend; dat de suppletie-aangifte niet vergezeld is van enig verzoek om een volgende voorlopige aanslag op te leggen.

3.1. Met ingang van 1 juli 1997 is de wettelijke regeling met betrekking tot het berekenen van heffingsrente herzien. De Memorie van toelichting bevat hieromtrent de volgende passages

Uitgangspunt van de voorgestelde maatregel is dat heffingsrente wordt berekend in alle (cursivering Hof) gevallen waarbij de vaststelling van de belastingschuld - voorlopig of definitief - na afloop van het tijdvak leidt tot een per saldo te betalen of terug te ontvangen bedrag. Het beginpunt van de renteberekening is dan ook in beginsel het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt. … Met deze simpele regeling wordt afgestapt van de oude regeling van de heffingsrente, waarbij aan een belastingplichtige geen rente in rekening wordt gebracht in de gevallen waarin een definitieve aanslag met een daarop te betalen bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de door de belastingplichtige gedane aangifte, met inbegrip van de aanvullingen daarop. …

Vanzelfsprekend moet worden voorkomen dat heffingsrente wordt berekend als gevolg van de enkele omstandigheid dat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn na het indienen van de aangifte een belastingaanslag vaststelt. De opzet is daarom dat de belastingdienst vanaf 1997 binnen drie maanden nadat een aangifte is ingediend een definitieve of voorlopige aanslag zal vaststellen. In vergelijking met de oude regeling leidt de voorgestelde maatregel tot een voordeel voor belastingplichtigen die na afloop van het jaar een teruggaaf van belasting krijgen. Men kan ook zeggen dat hier een al lang bestaand nadeel wordt weggenomen. Voor de belastingplichtigen die na afloop van het jaar belasting moeten betalen leidt de voorgestelde maatregel uit een oogpunt van gelijkheid, in vergelijking met de oude regeling, tot het wegnemen van een voordeel. Dit hangt samen met de omstandigheid dat ten name van deze belastingplichtigen tijdens het belastingtijdvak te lage voorlopige aanslagen zijn vastgesteld. De voorgestelde maatregel zal ertoe bijdragen dat belastingplichtigen een groter belang krijgen bij een juiste voorlopige aanslag en derhalve een nauwkeuriger schatting zullen geven van het belastbare inkomen of belastbare bedrag in het lopende jaar. (Kamerstukken 25 051, nummer 3).

3.2. Medio december 1999 beschikte de inspecteur over alle gegevens die hij nodig had voor het opleggen van de voorlopige aanslag en voor de opgetreden, onwenselijk te achten, vertraging heeft de inspecteur geen verklaring aangevoerd. De wettelijke regeling van artikel 30f en volgende van de Algemene wet inzake rijksbelastingen biedt echter, minder nog dan de tot 1 juli 1997 geldende regeling, naar tekst en strekking geen ruimte het in rekening brengen van heffingsrente achterwege te laten op de enkele grond dat de inspecteur de mogelijkheid had de aanslag eerder op te leggen (zie Hoge Raad 22 maart 2000, BNB 2000/175).

Gelet op tekst en strekking ziet het Hof evenmin aanleiding om het in rekening brengen van heffingsrente in strijd te achten met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Daarbij acht het Hof van belang dat belanghebbende niet uitdrukkelijk heeft verzocht een volgende voorlopige aanslag op te leggen en zijn situatie derhalve niet valt onder die beschreven in het Besluit van 27 september 2000, nr. CPP 2000/1945 (opgenomen in VN 2000/45.8).

4. Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 27 juni 2001 door mr. Boersma, in tegenwoordigheid van Wessel als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door het lid van de belastingkamer en de griffier.

Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van de mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als belanghebbende beroep in cassatie instelt.