Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2343

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-06-2001
Datum publicatie
28-06-2001
Zaaknummer
358/2001OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 354
Burgerlijk Wetboek Boek 2 355
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2001, 511
JOR 2001/148 met annotatie van I
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING van 28 juni 2001 in de zaak met rekestnummer 358/2001 OK van:

DE ADVOCAAT-GENERAAL IN HET RESSORT AMSTERDAM,

EISER,

t e g e n

De naamloze vennootschap

DE VRIES ROBBÉ GROEP N.V.,

gevestigd te Gorinchem, kantoorhoudende te Huis ter Heide,

VERWEERSTER,

procureur: mr W.J.P. Jongepier,

advocaten: mr W.J.P. Jongepier en mr L.M. Graal,

e n t e g e n

1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BTG HOLDINGS B.V.,

gevestigd te Willemstad,

procureur: mr I.M.C.A. Reinders Folmer,

advocaat: mr C.F.W.A. Hamm,

2. LEONARDUS GERARDUS MARIE VAN MOOK,

wonende te Teteringen,

procureur: mr P.G.J. Warnaar,

advocaat: mr J.G.L.M. Schiffeleers,

3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TEN HAVE B.V.,

gevestigd te Oosterhout,

procureur: mr P.G.J. Warnaar,

advocaat: mr J.G.L.M. Schiffeleers,

4. MICHAEL CHRISTOPHER BULT COOK,

wonende te Brasschaat (België),

procureur: mr R. Vos,

advocaat: mr E.G.M. van den Heuvel,

5. JAN WILLEM GAAL,

wonende te Willemstad,

niet verschenen,

6. ABRAHAM BRINKMAN,

wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel,

niet verschenen,

BELANGHEBBENDEN,

en in de zaak met rekestnummer 365/2001 OK van:

De naamloze vennootschap

DE VRIES ROBBÉ GROEP N.V.,

gevestigd te Gorinchem, kantoorhoudende te Huis ter Heide,

VERZOEKSTER,

procureur: mr W.J.P. Jongepier,

advocaten: mr W.J.P. Jongepier en mr L.M. Graal,

t e g e n

De naamloze vennootschap

DE VRIES ROBBÉ GROEP N.V.,

gevestigd te Gorinchem, kantoorhoudende te Huis ter Heide,

VERWEERSTER,

procureur: mr W.J.P. Jongepier,

advocaten: mr W.J.P. Jongepier en mr L.M. Graal,

e n t e g e n

1. De stichting

STICHTING PRIORITEITSAANDELEN DE VRIES ROBBÉ,

gevestigd te Huis ter Heide,

niet verschenen,

2. LEONARDUS GERARDUS MARIE VAN MOOK,

wonende te Teteringen,

procureur: mr P.G.J. Warnaar,

advocaat: mr J.G.L.M. Schiffeleers,

3. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TEN HAVE B.V.,

gevestigd te Oosterhout,

procureur: mr P.G.J. Warnaar,

advocaat: mr J.G.L.M. Schiffeleers,

4. JAN HENDRIK KUIPERS,

wonende te Eersel,

niet verschenen,

5. BART JAN CONSTANDSE,

wonende te Waalre,

niet verschenen,

6. JAN WILLEM GAAL,

wonende te Willemstad,

niet verschenen,

7. ABRAHAM BRINKMAN,

wonende te Nieuwerkerk aan den IJssel,

niet verschenen,

8. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BTG HOLDINGS B.V.,

gevestigd te Willemstad,

procureur: mr I.M.C.A. Reinders Folmer,

advocaat: mr C.F.W.A. Hamm,

9. MICHAEL CHRISTOPHER BULT COOK,

wonende te Brasschaat (België),

procureur: mr R. Vos,

advocaat: mr E.G.M. van den Heuvel,

BELANGHEBBENDEN.

1. Het verloop van het geding

1.1 Bij beschikking van 22 juni 2000 in de zaak met rekestnummer 256/2000 OK heeft de Ondernemingskamer op verzoek van de naamloze vennootschap De Vries Robbé Groep N.V. een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van de naamloze vennootschap De Vries Robbé Groep N.V., gevestigd te Gorinchem en kantoorhoudende te Huis ter Heide (hierna de vennootschap te noemen), in het tijdvak van 1 april 1997 tot 18 mei 2000, met benoeming van mr L.P. van den Blink te Amsterdam tot onderzoeker.

1.2 Bij beschikking van 26 oktober 2000 in de zaak met rekestnummer 256A/2000 OK heeft de Ondernemingskamer op vordering van de advocaat-generaal in het ressort Amsterdam een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap in het tijdvak van 1 april 1997 tot 18 mei 2000 en in verband daarmee bepaald dat het hiervóór onder 1.1 bedoelde onderzoek mede zal geschieden op vordering van de advocaat-generaal in het ressort Amsterdam.

1.3 Nadat de onderzoeker het verslag van zijn onderzoek aan de Ondernemingskamer had doen toekomen, heeft de Ondernemingskamer bij beschikkingen van 12 februari 2001 bepaald dat het verslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder. Bij beschikking van eveneens 12 februari 2001 heeft de Ondernemingskamer het aan de onderzoeker ter zake van zijn werkzaamheden toekomende bedrag vastgesteld op NLG 47.419,20, te vermeerderen met omzetbelasting.

1.4 Bij vordering, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 9 april 2001, heeft de advocaat-generaal in het ressort Amsterdam gevorderd dat de Ondernemingskamer vaststelt dat het handelen van L.G.M. van Mook, M.C.B. Cook en J.W. Gaal, in hun hoedanigheid van commissarissen van de vennootschap en het handelen van A. Brinkman in zijn hoedanigheid van interim-bestuurder van de vennootschap in de periode van 1 april 1997 tot 23 maart 1998, wordt gekwalificeerd als wanbeleid, het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap van 26 juni 1998, voorzover dat décharge inhoudt van het door M.C.B. Cook, J.W. Gaal en A. Brinkman gevoerde beleid in de periode van 1 maart 1997 tot 1 april 1998 vernietigt en M.C.B. Cook, J.W. Gaal en A. Brinkman veroordeelt in de kosten van de procedure die van de enquête daaronder begrepen.

1.5 Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 11 april 2001, heeft de vennootschap de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat uit het verslag van het onderzoek blijkt van wanbeleid van de vennootschap in de periode van 1 april 1997 tot en met 23 maart 1998, dat primair voor dit wanbeleid verantwoordelijk zijn de raad van commissarissen, met inbegrip van de gedelegeerd commissaris, in hun hoedanigheid van bestuurders, alsmede A. Brinkman als interim-bestuurder, althans dat subsidiair voor dit wanbeleid verantwoordelijk zijn de raad van commissarissen in zijn functie van toezichthouder, alsmede de bestuurders, te weten L.G.M. van Mook als gedelegeerd commissaris en A. Brinkman als interim-bestuurder, voorts te vernietigen het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 26 juni 1998, strekkende tot décharge van de raad van commissarissen en het bestuur voor het door hen in 1997 uitgeoefende toezicht onderscheidenlijk gevoerde beleid en te beslissen dat de vennootschap de kosten van het onderzoek kan verhalen op M.C.B. Cook, J.W. Gaal, L.G.M. van Mook en A. Brinkman, met hun hoofdelijke veroordeling tot voldoening van deze kosten aan de vennootschap.

1.6 Bij een als verweerschrift te beschouwen brief van mr Hamm, met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 8 mei 2001, heeft BTG Holdings B.V. zich verweerd tegen de vordering en het verzoek en de Ondernemingskamer verzocht de vordering en het verzoek af te wijzen met veroordeling van de advocaat-generaal en de vennootschap in de kosten van de procedure.

1.7 Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 27 april 2001, hebben L.G.M. van Mook en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ten Have B.V. zich verweerd tegen de vordering en het verzoek en de Ondernemingskamer verzocht de advocaat-generaal en de vennootschap niet ontvankelijk in hun vordering, onderscheidenlijk verzoek te verklaren, althans de vordering en het verzoek af te wijzen voor zover het L.G.M. van Mook en Ten Have B.V. betreft in de periode van 11 april 1997 tot 31 december 1997, met veroordeling van de advocaat-generaal en de vennootschap in de proceskosten aan de zijde van L.G.M. van Mook en Ten Have B.V.

1.8 Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 9 mei 2001, heeft M.C.B. Cook zich verweerd tegen de vordering en het verzoek en de Ondernemingskamer verzocht zowel de vordering als het verzoek af te wijzen, kosten rechtens.

1.9 De vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de vennootschap zijn gevoegd behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 17 mei 2001. De advocaat-generaal en de advocaten van partijen hebben bij die gelegenheid hun standpunten toegelicht aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities. Mr Hamm heeft nog producties in het geding gebracht. De advocaat-generaal heeft ter zitting zijn vordering gewijzigd, in dier voege dat hij vordert dat de Ondernemingskamer vaststelt dat sprake is van wanbeleid van de vennootschap in de periode van 1 april 1997 tot en met 23 maart 1998 en het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap van 26 juni 1998, strekkende tot décharge van de raad van commissarissen en het bestuur, vernietigt.

1.10 De inhoud van de stukken van het geding, waaronder de pleitnotities, geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De vaststaande feiten

2.1 Vóór 23 maart 1998 was de vennootschap genaamd Mulder Boskoop N.V. Dit was een klein en weinig actief beursfonds dat alle aandelen hield in Mulder Boskoop B.V. en Van Mook Beheer B.V.

2.2 BTG Holdings B.V. (hierna BTG te noemen) was gezamenlijke eigendom van M.C.B. Cook (hierna Cook te noemen), J.W. Gaal (hierna Gaal te noemen) en H.J.J.M. van den Hombergh (hierna Van den Hombergh te noemen), althans van hun persoonlijke houdstervennootschappen. BTG hield deelnemingen in BTG S&C Holding B.V. (hierna Bailey te noemen) en BTS Holding B.V. (hierna BTS te noemen). Op 30 januari 1998 verwierf BTG van Coga Investments B.V. (een gezamenlijke houdstermaatschappij van Cook en Gaal) alle aandelen in Gevel Nederland B.V. (hierna Gevelbouw te noemen). Gevelbouw hield - via haar 100% dochter De Vries Robbé Gevelbouw B.V. - een 50% deelneming in de vennootschap naar Engels recht Witte UK Ltd. Cook dan wel zijn persoonlijke houdstervennootschap heeft de door hem/haar gehouden aandelen in BTG in oktober 1997 voor een bedrag van NLG 1,- verkocht aan Gaal en Van den Hombergh.

2.3 L.G.M. van Mook (hierna Van Mook te noemen) vormde samen met zijn broer A.L. van Mook de raad van commissarissen van Mulder Boskoop N.V. Alle prioriteitsaandelen, die onder meer recht gaven op het doen van een bindende voordracht bij benoeming van commissarissen en bestuurders, en 56.605 gewone aandelen (ruim 40% van het geplaatste kapitaal) in Mulder Boskoop N.V. werden gehouden door Ten Have Produktie B.V., een 100% dochter van Ten Have B.V., waarin Van Mook een belang had en waarvan hij bestuurder was.

2.4 Op 11 april 1997 heeft Ten Have B.V. alle aandelen in Ten Have Produktie B.V. verkocht aan (de persoonlijke houdstervennootschappen van) Gaal, Cook en Van den Hombergh. De koopprijs bedroeg NLG 1,-. In de koopovereenkomst is opgenomen dat kopers zorg zullen dragen voor aflossing vóór 1 mei 1997 van een schuld van Ten Have Produktie B.V. aan Ten Have B.V. ter grootte van NLG 4 miljoen. Voorts is de garantie opgenomen dat kopers de absolute zeggenschap over Mulder Boskoop N.V. zullen krijgen en bevat de koopovereenkomst de opschortende voorwaarde dat twee door kopers voor te dragen commissarissen en een door kopers voor te dragen algemeen directeur zullen worden benoemd bij Mulder Boskoop N.V.

2.5 In de op 27 juni 1997 gehouden algemene vergadering van aandeelhouders van Mulder Boskoop N.V. zijn Cook en Gaal tot (president-commissaris onderscheidenlijk) commissaris benoemd.

2.6 Op 30 juni 1997 is door Mulder Boskoop N.V. en BTG een intentieverklaring ondertekend, die inhield dat Mulder Boskoop N.V. voor ongeveer NLG 24 miljoen Gevelbouw en Bailey van BTG zou kopen tegen uitgifte van nieuwe aandelen Mulder Boskoop N.V. en dat er gezamenlijke adviseurs zouden worden ingeschakeld om een en ander te begeleiden. Op voorstel van BTG is de aan Hombergh Holdings B.V. verbonden C.J. Lenselink RA ingeschakeld om de formele afwikkeling van de transacties te begeleiden. Naderhand is overeengekomen dat Mulder Boskoop N.V. ook de aandelen in BTS zou kopen, voor NLG 16 miljoen, waarmee de totale koopprijs voor de drie vennootschappen op NLG 40 miljoen kwam, alles tegen uitgifte van nieuwe aandelen.

2.7 Het was de bedoeling dat de in ruil voor de drie vennootschappen uit te geven aandelen Mulder Boskoop N.V. in de beursnotering zouden worden opgenomen. In verband daarmee werd Effectenbank Ten Cate & Cie N.V. bereid gevonden om als sponsor op te treden. Het in verband met het uit te geven prospectus (het Plaatsingsbericht) verplichte due diligence-onderzoek werd uitgevoerd door Deloitte & Touche met betrekking tot accountancy-aspecten en door Stibbe Advocaten met betrekking tot juridische aspecten. Uit het due diligence-onderzoek is niets naar voren gekomen dat aan de beursgang in de weg zou staan.

2.8 In het Plaatsingsbericht van 18 maart 1998 is een fairness opinion van Deloitte & Touche Corporate Finance opgenomen, waarin wordt verklaard dat de koopprijs van NLG 40 miljoen voor de in te brengen vennootschappen redelijk en evenwichtig is.

2.9 Voorafgaand aan de inbreng van de drie vennootschappen heeft Mulder Boskoop N.V. haar dochtervennootschappen Van Mook Beheer B.V. (aan Ten Have B.V.) en Mulder Boskoop B.V. (aan een buitenstaander) verkocht.

2.10 Op 10 maart 1998 is de koopovereenkomst met betrekking tot Gevelbouw, Bailey en BTS getekend. De vennootschap werd daarbij vertegenwoordigd door haar op 13 januari 1998 benoemde interim-bestuurder A. Brinkman (hierna Brinkman te noemen) en BTG door haar bestuurder Gaal. In de op 23 maart 1998 gehouden algemene vergadering van aandeelhouders werd J.H. Kuipers benoemd tot commissaris en werden Brinkman en R. van den Hoek (deze laatste met ingang van 1 april 1998) benoemd tot bestuurders van Mulder Boskoop N.V. Op 24 maart 1998 werden de statuten van Mulder Boskoop N.V. gewijzigd, waarbij haar naam werd gewijzigd in De Vries Robbé Groep N.V. Op diezelfde dag heeft Brinkman als bestuurder van de vennootschap het besluit genomen tot uitgifte van 1.253.918 aandelen tegen een koers van NLG 31,90 per aandeel, welk besluit door Gaal namens de (nieuwe) prioriteitsaandeelhouder BTG is goedgekeurd. De nieuwe aandelen werden bij BTG geplaatst, die 600.000 aandelen daarvan terstond heeft doorgeplaatst tegen een prijs van NLG 40,- per aandeel.

2.11 Kort na de transactie en de beursgang ontstond bij de nieuw aangetreden bestuurder Van den Hoek onzekerheid omtrent de omvang en inbaarheid van een vordering van De Vries Robbé Gevelbouw B.V. op Witte UK Ltd en in verband daarmee het vermoeden dat de werkelijke waarde van de bij de transactie ingebrachte vennootschappen lager was dan NLG 40 miljoen. De discussies die daarop zijn gevolgd tussen de vennootschap en BTG hebben ruime aandacht gekregen in de media. Tussen verschillende bij de transactie en de beursgang betrokken partijen zijn vervolgens procedures gevoerd, waarvan een aantal nog aanhangig is.

2.12 De dochtervennootschappen en deelnemingen van de vennootschap zijn thans voor het grootste deel verkocht dan wel in staat van faillissement verklaard. De vennootschap zelf verkeert thans in surséance van betaling.

2.13 In de onderzochte periode fungeerden de volgende personen als commissarissen en/of bestuurders van de vennootschap: A.L. van Mook was commissaris tot 27 juni 1997; L.G.M. van Mook was (gedelegeerd) commissaris tot 31 december 1997; J.W. Gaal was commissaris van 27 juni 1997 tot 1 mei 1998; M.C.B. Cook was commissaris van 27 juni 1997 tot 26 juni 1998 (vanaf 1 januari 1998 president-commissaris); Brinkman was interim-bestuurder (benoemd door de raad van commissarissen) van 13 januari 1998 tot 22 maart 1998 en bestuurder van 23 maart 1998 tot en met 22 juni 1998; J.H. Kuipers was commissaris vanaf 23 maart 1998; R. van den Hoek was bestuurder vanaf 1 april 1998 en B.J. Constandse was commissaris vanaf 26 juni 1998.

3. De gronden van de beslissing

3.1 BTG heeft aangevoerd dat de vennootschap in haar verzoek niet ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij zich bij overeenkomst heeft verbonden geen nieuwe procedures meer tegen BTG te zullen voeren en bestaande procedures zoveel mogelijk ‘in de ijskast’ te zetten. De brief van 22 november 2000 waarnaar BTG ter ondersteuning van haar stelling heeft verwezen, bevat evenwel afspraken met Internet Foundation Group B.V. (IFG), niet met de vennootschap, en is ook door háár advocaat, en niet door die van de vennootschap, voor akkoord ondertekend. Uit de brief kan niet méér worden opgemaakt dan dat IFG een inspanningsverplichting op zich heeft genomen om te bewerkstelligen dat de procedures tussen de vennootschap en BTG stil komen te liggen. Weliswaar is IFG grootaandeelhouder van de vennootschap en was ten tijde van het schrijven van de brief van 22 november 2000 de bestuurder van IFG, C.G.A. Blom, de enige persoon die bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen, maar dat een en ander wil niet althans niet zonder méér zeggen dat Blom bij het aangaan van deze overeenkomst de vennootschap heeft gebonden. De aanhef en de tekst van de brief van 22 november 2000 wijzen in ieder geval niet in die richting. Zelfs in het geval daarover anders gedacht zou moeten worden, geldt dat slechts sprake is van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatverbintenis. Tot niet ontvankelijkheid van de vennootschap in haar verzoek kan dit een en ander in ieder geval niet leiden.

3.2 BTG, Van Mook en Cook hebben voorts doen aanvoeren dat het onderzoek ondeugdelijk is geweest. Hun bezwaren betreffen zowel de totstandkoming van het verslag van het onderzoek als de inhoud daarvan.

3.3 Wat betreft de totstandkoming van het verslag kan naar het oordeel van de Ondernemingskamer geen der partijen zich er met vrucht over beklagen dat zij onvoldoende gelegenheid heeft gekregen door de onderzoeker te worden gehoord. Voor Gaal en Brinkman geldt dat zij welbewust hun medewerking aan het onderzoek hebben geweigerd en dus hebben afgezien van de mogelijkheid te worden gehoord. Van Mook en Cook hebben wel van de hun geboden gelegenheid gebruik gemaakt. Het is de Ondernemingskamer niet gebleken dat zij onvoldoende hebben kunnen of mogen reageren op de door de onderzoeker naar voren gebrachte feiten. Evenmin hebben zij concreet aangegeven op welke punten met hun reacties geen of te weinig rekening is gehouden. Dat zij - naar zij stellen - een te korte tijd hebben gekregen om op het concept-verslag te reageren, maakt dat niet anders. In het concept-verslag was immers al rekening gehouden met hun eerdere opmerkingen. Nu de onderzoeker hun ondubbelzinnig duidelijk had gemaakt dat de voorlegging van het concept slechts ertoe strekte om eventuele onjuistheden in de weergave van door Van Mook, onderscheidenlijk Cook verstrekte feiten aan te wijzen en niet om in debat te gaan of (nogmaals) inhoudelijk commentaar op het concept te leveren, kan niet worden gezegd dat het verslag van het onderzoek in strijd met een gedane toezegging of anderszins op ondeugdelijke wijze tot stand is gekomen.

3.4 BTG heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het verslag eenzijdig is, niet wordt ondersteund door bijlagen en dat de onderzoeker niet onpartijdig is opgetreden. Voor zover deze bezwaren vooral tegen de persoon van de onderzoeker zijn gericht, verwerpt de Ondernemingskamer deze als onvoldoende gesubstantieerd. Het ontbreken van bijlagen bij het verslag kan op zichzelf niet de conclusie dragen dat het verslag ondeugdelijk is, nu de in het verslag vermelde feiten voldoende zijn belegd in de gedingstukken.

3.5 Het door Van Mook gemaakte verwijt dat fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden, althans dat niet sprake is van een fair trial, stuit mede hierop af. De Ondernemingskamer heeft geen aanwijzingen dat enige bij de procedure betrokken partij in haar mogelijkheden tot verdediging is geschaad. Niet alleen zijn alle partijen in staat geweest haar opvattingen aan de onderzoeker kenbaar te maken, maar bovendien hebben zij in haar verweerschriften kunnen reageren op het verslag van de onderzoeker. Ook is geen sprake van gedingstukken die niet aan alle partijen bekend zijn. Dat de onderzoeker zich mede heeft gebaseerd op stukken onderscheidenlijk verklaringen die zelf niet tot de gedingstukken behoren, maakt het verslag op zichzelf niet ondeugdelijk. Ook valt niet in te zien waarom de Ondernemingskamer het verslag - mits op de desbetreffende punten met voldoende omzichtigheid gehanteerd - niet zou kunnen bezigen voor haar oordeelsvorming. Van strijd met fundamentele rechtsbeginselen of van een unfair trial is dan ook naar het oordeel van de Ondernemingskamer geen sprake.

3.6 BTG heeft verder aangevoerd dat de onderzoeker het beleid en de gang van zaken in de periode tussen 23 maart 1998 en 18 mei 2000 niet of onvoldoende heeft onderzocht. De juistheid van die - niet concreet gemotiveerde - stelling blijkt niet aanstonds uit het verslag; integendeel, een substantieel gedeelte is in het verslag aan die periode gewijd. Nu BTG voorts heeft nagelaten te verzoeken dat over deze periode een aanvullend onderzoek zal worden verricht - wat op haar weg had gelegen indien zij werkelijk zou menen dat het onderzoek over die periode te mager is geweest - moeten haar stellingen in dit opzicht worden gepasseerd.

3.7 Op behoorlijk gemotiveerde bezwaren tegen de inhoud van het verslag zal de Ondernemingskamer, voor zover dat voor haar beslissing nodig is, hierna ingaan.

3.8 Het kernpunt in deze zaak is de gang van zaken voorafgaand aan en rond de transactie waarbij drie dochtervennootschappen van BTG ingebracht werden in de vennootschap tegen uitgifte van in de beursnotering opgenomen aandelen in de vennootschap. Na de transactie en de beursgang is gebleken dat de ingebrachte dochtervennootschappen, doordat vorderingen van De Vries Robbé Gevelbouw B.V. en Bailey op Witte UK Ltd. niet inbaar zijn gebleken, een substantieel lagere waarde vertegenwoordigden dan de NLG 40 miljoen die de vennootschap ervoor heeft betaald. Het bekend worden van dit zogeheten ‘lijk in de kast’ en de nasleep van een en ander hebben uiteindelijk hierin geresulteerd dat de aandelen in de vennootschap - voor 60% in handen van het beleggend publiek - aanzienlijk in waarde zijn gedaald en de vennootschap thans in surséance van betaling verkeert.

3.9 Voorop dient te worden gesteld dat, hoewel Mulder Boskoop N.V. een ‘kwakkelend bestaan’ leidde, niet is gebleken dat de inbrengtransactie vanuit het gezichtspunt van de vennootschap noodzakelijk was, bijvoorbeeld met het oog op haar voortbestaan. Uit het verslag blijkt dat Cook tegenover de onderzoeker heeft verklaard dat BTG had besloten Gevelbouw, Bailey en BTS naar de beurs te brengen omdat de snelle expansie van BTG en haar dochtervennootschappen van tijd tot tijd tot liquiditeitskrapte leidde, hetgeen een beroep op de kapitaalmarkt nodig maakte. Daarmee is echter niet een belang van Mulder Boskoop N.V. bij de transactie gegeven, maar juist een belang van BTG en haar dochtervennootschappen. Cook heeft met betrekking tot het belang van Mulder Boskoop N.V. bij de transactie tegenover de onderzoeker verklaard dat Mulder Boskoop N.V. dankzij de acquisitie van de drie vennootschappen in staat zou worden gesteld bij een bank de nodige financiering ten behoeve van de verdere uitbouw van haar nieuwe dochtervennootschappen aan te trekken. De onderzoeker heeft te dien aanzien evenwel opgemerkt dat de drie dochtervennootschappen werden ingebracht terwijl zij alles wat zij aan zekerheden aan banken te bieden hadden al als zekerheid aan banken hadden gegeven en dat zij daar tegenover waren gefinancierd tot het maximum waartoe die banken bereid waren te gaan, zodat het aantrekken van nieuwe financiering geen realistisch perspectief was. De Ondernemingskamer verenigt zich dan ook met de conclusie van de onderzoeker dat de transactie niet werd ingegeven door het belang van Mulder Boskoop N.V. Deze conclusie vindt steun in de (hiervoren onder 2.9 vermelde) omstandigheid dat Mulder Boskoop N.V. voorafgaande aan de transactie haar twee oorspronkelijke dochtervennootschappen afstootte.

3.10 Met de onderzoeker is de Ondernemingskamer van oordeel dat de transactie voor BTG daarentegen van vitaal belang was. BTG stond blijkens het verslag reeds enige maanden voorafgaande aan de transactie op de rand van een faillissement. BTG had aan een van haar financiers, Generale Bank Nederland N.V., een substantiële aflossing in het vooruitzicht gesteld zodra de transactie en de doorplaatsing van aandelen door BTG haar beslag zouden hebben gekregen. Toen de transactie en daarmee de doorplaatsing, die oorspronkelijk waren voorzien voor oktober 1997, telkens uitgesteld bleken te moeten worden, dreigde de bank met het uitwinnen van zekerheden. In dat verband heeft BTG-bestuurder Brinkman op 9 januari 1998 aan de bank geschreven: “Met de transactie in zicht (30-01-1998) is sterven voor de deur voor geen der partijen goed”. In een brief van 13 januari 1998 heeft Brinkman de bank geschreven: “Allereerst moet er opgemerkt worden dat de transactie Mulder Boskoop de enige oplossing is om alle verplichtingen binnen BTG Holdings B.V. af te wikkelen”. BTG had dus grote behoefte aan de opbrengst die zij - door doorplaatsing van de aan haar in het kader van de transactie uit te geven aandelen - bij de transactie zou kunnen behalen. Ook als juist zou zijn de stelling van BTG dat zij de schulden van haar dochtervennootschappen op zich heeft genomen om hen ‘schoon te kunnen uithuwelijken’, dan verandert dat niets aan het feit dat de transactie zo goed als geheel in het belang was van BTG.

3.11 De omstandigheid dat eerst en vooral BTG belang had bij de transactie had de vennootschap bij de voorbereiding en uitvoering van de transactie moeten nopen tot nog grotere voorzichtigheid dan in het algemeen bij een dergelijke transactie reeds is geboden. De normaal te betrachten voorzichtigheid brengt mee dat de kopende partij zeker dient te stellen dat zij een deugdelijke zaak koopt voor een juiste prijs en dat zij daarbij de gebruikelijke garanties bedingt. Bij de acquisitie die hier aan de orde was - een buitengewoon grote transactie voor een vennootschap van deze omvang, met allesbepalende invloed op de toekomstige waarde van de beursgenoteerde aandelen - behoorde het derhalve tot de taak van de kopende vennootschap een deugdelijk onderzoek te (laten) verrichten naar de staat - dus onder meer naar de financiële toestand, de betrouwbaarheid van de administratie en de interne informatieverstrekking op financieel gebied - van de in te brengen vennootschappen.

3.12 Bij de beoordeling van het onderzoek in het kader van de inbrengtransactie kan van het volgende worden uitgegaan:

(1) Weliswaar werd de opdracht aan Deloitte & Touche formeel verstrekt door het bestuur van de kopende vennootschap (dat was toen: Van Mook), maar de opdrachtbevestiging werd verzonden ter attentie van C.J. Lenselink R.A., een bij Hombergh Holdings - en derhalve in de kring der verkoopster - werkzame persoon die met de feitelijke begeleiding van het onderzoek was belast.

(2) Bij het onderzoek was geen rol weggelegd voor de eigen accountants van de vennootschap.

(3) Het onderzoek werd verricht op basis van door de verkoopster verstrekte gegevens.

(4) Deloitte & Touche had een zeer beperkte onderzoeksopdracht, hetgeen blijkt uit de opdrachtbevestiging van 18 juli 1997: “zoals besproken (er wordt gerefereerd aan een onderhoud op 9 juli 1997 met C.J. Lenselink RA van Hombergh Holdings B.V.) zullen onze werkzaamheden bestaan uit een beperkte due-diligence alsmede een business review op basis van de door u aangeleverde respectievelijk aan te leveren stukken. Uit oogpunt van zorgvuldigheid bij de inbreng van “eigen” bedrijven wordt door u een due-diligence verlangd. De due-diligence is beperkt daar enerzijds deze niet absoluut noodzakelijk is om te kunnen komen tot een fairness-opinion en anderzijds daar eigen bedrijven worden ingebracht en de inbrenger zich garant zal stellen voor de inbreng”.

(5) Van de in te brengen vennootschappen waren slechts beschikbaar de jaarcijfers over 1996, die niet waren voorzien van goedkeurende accountantsverklaringen, en interne halfjaarcijfers over 1997, die slechts waren beoordeeld door de accountant van BTG. Gelet op de bij de betrokkenen bekende onzekerheden omtrent de resultaten-1997, zoals deze blijken uit het verslag van de onderzoeker, diende een behoorlijke voorbereiding van de transactie mee te brengen dat niet tot uitvoering zou worden overgegaan alvorens de jaarrekeningen over 1997 zouden zijn vastgesteld.

(6) Ten slotte is niet gebleken dat de vennootschap een onderzoek heeft laten instellen naar de gegoedheid van BTG.

3.13 Gemeten aan de in casu aan te leggen (hiervoren in rechtsoverweging 3.11 vermelde) maatstaf dient het onderzoek gelet op de in rechtsoverweging 3.12 vastgestelde feiten als volstrekt onvoldoende te worden beoordeeld. Zo Mulder Boskoop N.V. als kopende vennootschap niet reeds haar eigen accountants met het onderzoek had dienen te belasten, heeft zij in ieder geval verzuimd voldoende waarborgen te scheppen voor een deugdelijk onderzoek door Deloitte & Touche. De enkele omstandigheid dat door Deloitte & Touche een - naar het voorkomt - niet onaanzienlijk aantal uren aan de opdracht is besteed, kan uit de aard van de zaak niet afdoen aan de kwalitatieve tekortkomingen van het onderzoek.

3.14 De omstandigheid dat de totale kosten van de transactie en de beursgang volgens afspraak met BTG voor rekening van de vennootschap zijn gekomen, kan niet leiden tot de conclusie dat zij betrokken is geweest, op de wijze die had gemoeten, bij het due diligence-onderzoek. Deze omstandigheid vormt veeleer een aanwijzing dat de vennootschap zich in het kader van de voorbereiding van de transactie in alle opzichten naar de wensen van BTG heeft geschikt.

3.15 Het feit dat de vennootschap heeft verzuimd een deugdelijk onderzoek in te (doen) stellen, klemt temeer nu de aandelen in het kapitaal van de vennootschap voor 60% in handen waren van niet bij de transactie betrokken beleggers met wier belangen zij ernstig rekening had te houden.

3.16 Het niet in acht nemen door de vennootschap van elementaire beginselen van zorgvuldigheid in het kader van de transactie moet haar des te zwaarder worden aangerekend nu verschillende bij de transactie betrokken personen daarbij belangen hadden die niet parallel liepen aan de belangen van de vennootschap. In dit verband kan, gelet op het verslag, van het volgende worden uitgegaan:

(1) De koper en de verkoper werden deels vertegenwoordigd door dezelfde personen.

(2) Gaal was tegelijkertijd bestuurder van BTG en commissaris van de vennootschap.

(3) Brinkman was voordat hij interim-bestuurder van de vennootschap werd mede-bestuurder van BTG en als zodanig nauw betrokken bij de voorbereiding van de transactie.

(4) Van Mook had er belang bij dat BTG (althans haar aandeelhouders) uit de doorplaatsing van de bij de transactie te verwerven aandelen liquide middelen zouden verwerven omdat hij nog NLG 4 miljoen tegoed had uit hoofde van de verkoop van Ten Have Produktie B.V. en de aflossing van het desbetreffende bedrag, naar uit het verslag van de onderzoeker (op pagina 9) blijkt, zou plaatsvinden uit de opbrengst die BTG zou behalen met het doorplaatsen van de bij de transactie te verwerven aandelen in de vennootschap.

(5) Cook, president-commissaris van de vennootschap, was via zijn persoonlijke houdstermaatschappij aandeelhouder van BTG geweest en had in zoverre een eigen belang bij het welslagen van de transactie dat (zoals hiervoren onder 2.4 vermeld) zijn persoonlijke houdstervennootschap onder omstandigheden door Ten Have B.V. hoofdelijk aansprakelijk kon worden gehouden voor de aflossing van NLG 4 miljoen waartoe de koopsters van de aandelen Ten Have Productie B.V. zich jegens Ten Have B.V. hadden verplicht.

(6) De diverse betrokkenen konden, als gevolg van deze uiteenlopende belangen, niet in staat worden geacht alle belangen - en met name dat van de vennootschap - evenwichtig te dienen. Zoals hierna zal blijken, komt daar nog bij dat verschillende betrokkenen op de hoogte waren van de werkelijke stand van zaken, dat wil zeggen van de problemen die de ingebrachte vennootschappen meebrachten.

3.17 Wat betreft de periode na de transactie tot 18 mei 2000 heeft de onderzoeker in zijn verslag opgemerkt dat het te voeren beleid vooral werd gedicteerd door de problemen die de ingebrachte bedrijven bleken te hebben meegebracht. Volgens de onderzoeker lieten die problemen weinig ruimte voor het ontwikkelen van een consistent ondernemingsbeleid, anders dan trachten van geval tot geval die problemen op te vangen en het voortbestaan van de vennootschap zoveel mogelijk veilig te stellen. Zo heeft de vennootschap (haar bestuurder R. van den Hoek en haar commissaris Cook) reeds op 17 mei 1998 aan BTG toestemming gegeven, niettegenstaande haar in het Plaatsingsbericht opgenomen verplichting na de - reeds vermelde - doorplaatsing van 600.000 aandelen de resterende aan haar uitgegeven aandelen gedurende een jaar niet te vervreemden, 420.000 aandelen door te plaatsen. Met het geven van deze toestemming werd afbreuk gedaan aan hetgeen de aandeelhouders van de vennootschap was voorgespiegeld in het Plaatsingsbericht. Bovendien ontbrak de volgens de beursregels vereiste goedkeuring van de AEX. Daar staat tegenover dat de opbrengst van de extra doorplaatsing ten goede zou komen aan de vennootschap, hetgeen met het oog op haar krappe liquiditeitspositie noodzakelijk was. Voorts heeft de vennootschap herhaaldelijk de publiciteit gezocht met betrekking tot het gebleken verlies bij Witte UK Ltd. Dat die publiciteit schadelijk is geweest voor de vennootschap is wel aannemelijk, maar tevens moet worden geconstateerd dat die schade in ieder geval ten dele onvermijdelijk was. Immers was de vennootschap op grond van beursreglementen verplicht mededelingen te doen over het verlies en kon niet van haar worden gevergd dat zij - om publicitaire schade te voorkomen - de onjuiste voorstelling van zaken die in het Plaatsingsbericht was gegeven, zou laten voortbestaan. De vennootschap heeft voorts - ten dele met succes - getracht bedrijfsonderdelen te verkopen, zij heeft door het entameren van gerechtelijke procedures getracht haar schade te verhalen dan wel te beperken en meer in het algemeen, zoals de onderzoeker in zijn verslag heeft geconcludeerd, getracht haar voortbestaan te verzekeren. De bezwaren die BTG heeft aangevoerd tegen de door Van den Hoek namens de vennootschap verrichte onroerend goedtransacties zijn door de onderzoeker - in voldoende mate - onderzocht doch ongegrond gebleken. De Ondernemingskamer kan zich met vorenstaande conclusies van de onderzoeker verenigen.

3.18 Op grond van al het hiervoor overwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de Ondernemingskamer tot de slotsom dat sprake is geweest van wanbeleid van de vennootschap in de periode van 1 april 1997 tot en met 23 maart 1998, en wel met betrekking tot de gang van zaken rond de inbrengtransactie en de beursgang. De in de periode vanaf 23 maart 1998 gemaakte beleidsfouten zijn, gelet op de omstandigheden waarin de vennootschap was komen te verkeren als gevolg van het in de daarvoor gelegen periode gevoerde wanbeleid, niet van zodanig gewicht dat zij de kwalificatie wanbeleid kunnen rechtvaardigen.

3.19 Zoals door de advocaat-generaal en de vennootschap gevorderd onderscheidenlijk verzocht, zal de Ondernemingskamer het besluit van 26 juni 1998 van de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap, strekkende tot het verlenen van décharge aan bestuur en raad van commissarissen voor het in het boekjaar 1997 gevoerde beleid, onderscheidenlijk gehouden toezicht, vernietigen. Het is gelet op het hiervoor overwogene immers evident dat dit besluit niet op goede gronden is genomen. De Ondernemingskamer laat overigens nadrukkelijk in het midden of een bestuurder of commissaris een beroep op verleende décharge zou kunnen doen als die verlening is geschied op basis van onvoldoende of onjuiste informatieverstrekking door bestuur of raad van commissarissen aan de algemene vergadering van aandeelhouders.

3.20 Naar aanleiding van het verzoek van de vennootschap de kosten van het onderzoek te mogen verhalen op Cook, Gaal, Van Mook en Brinkman, dient de Ondernemingskamer thans te onderzoeken of uit het verslag blijkt dat deze personen voor het onjuiste beleid dan wel de onbevredigende gang van zaken verantwoordelijk zijn. De Ondernemingskamer zal daarbij de in het verzoekschrift van de vennootschap gegeven volgorde van personen aanhouden.

3.21 Ten aanzien van Cook geldt het volgende. Uit het verslag blijkt dat Cook, als (president-) commissaris, voor het onjuiste beleid verantwoordelijk is in die zin dat hij ten onrechte heeft nagelaten enige maatregel te (doen) nemen ter zekerstelling van een verantwoord verloop van de transactie en de beursgang. Dit terwijl hij als (middellijk) oud-aandeelhouder van BTG, die (via zijn persoonlijke houdstermaatschappij) zijn aandelen in BTG in oktober 1997 voor NLG 1,- had verkocht, redelijkerwijs op de hoogte moet zijn geweest van de financiële positie waarin BTG en haar dochtervennootschappen verkeerden, althans in zijn hoedanigheid van (president-)commissaris van de vennootschap in een positie verkeerde waarin hij tot ernstige twijfel aanleiding gevende signalen betreffende de financiële positie van de in te brengen vennootschappen had kunnen en ook behoren op te vangen. Bij dit alles is voorts van belang dat, zoals in rechtsoverweging 3.16 vermeld, Cook ook een persoonlijk belang bij het doorgaan van de transactie had.

3.22 Ten aanzien van Gaal geldt het volgende. Uit het verslag blijkt dat Gaal, als commissaris van de vennootschap, er welbewust aan heeft meegewerkt dat de vennootschap zich door BTG heeft laten misbruiken. Gaal was in zijn hoedanigheid van directeur van BTG uit de eerste hand op de hoogte van het dreigende faillissement van BTG in de periode voorafgaand aan de transactie. Hij wist dat de doorplaatsing van de in het kader van de transactie aan BTG uit te geven aandelen de enige mogelijkheid was een faillissement af te wenden. Voorts was hij ervan op de hoogte dat de cijfers van de in te brengen dochtervennootschappen waren gemanipuleerd en dat de vorderingen op Witte UK Ltd. geen werkelijke vorderingen waren. Deze wetenschap heeft hij voor zichzelf gehouden; ook toen op de verificatievergadering voorafgaand aan de transactie (nogmaals) expliciet naar de volwaardigheid van de vorderingen op Witte UK Ltd. werd gevraagd, heeft hij gezwegen.

3.23 Ten aanzien van Van Mook geldt het volgende. Uit het verslag blijkt dat Van Mook, als (gedelegeerd) commissaris van de vennootschap, verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid in die zin dat hij heeft nagelaten enige maatregel te (doen) nemen ter zekerstelling van een verantwoord verloop van de transactie en de beursgang. Van Mook kan worden aangerekend dat hij passief is gebleven en de regie over de voorbereiding en uitvoering van de transactie heeft overgelaten aan (aan) BTG (gelieerde personen). Bovendien had ook Van Mook een persoonlijk belang bij de transactie aangezien hij - althans de vennootschap Ten Have B.V. waarin hij een belang had - van (de aandeelhouders van) BTG nog NLG 4 miljoen tegoed had uit hoofde van de verkoop van de aandelen Ten Have Produktie B.V. Uit het verslag blijkt evenwel ook dat de onderzoeker niet heeft kunnen achterhalen of Van Mook op de hoogte was van de precaire financiële situatie waarin BTG ten tijde van de transactie verkeerde, zodat het ervoor moet worden gehouden dat Van Mook de werkelijke stand van zaken niet kende. Hij behoefde derhalve niet te twijfelen aan de juistheid van de informatie die hij had over de in te brengen vennootschappen, maar dat ontsloeg hem nog niet van de verplichting een deugdelijk onderzoek te (doen) verrichten.

3.24 Ten aanzien van Brinkman geldt het volgende. De Ondernemingskamer stelt voorop dat het - nog niet in kracht van gewijsde gegane - vonnis van de Rechtbank te Dordrecht van 25 april 2001 - waarbij de reconventionele vordering van de vennootschap tot veroordeling van Brinkman tot betaling van schadevergoeding is afgewezen - in de onderhavige procedure zonder belang is. Ook al zou de Rechtbank, zoals BTG heeft gesteld, hebben geoordeeld over hetzelfde feitencomplex als in de onderhavige enquêteprocedure aan de orde is, dan nog geldt dat zij dat oordeel heeft gegeven in een procedure die zich niet laat vergelijken met de enquêteprocedure. In de onderhavige procedure gaat het niet om de vaststelling van de eventuele persoonlijke aansprakelijkheid van - onder anderen - Brinkman voor door de vennootschap geleden schade, maar gaat het om de vraag of voor een geconstateerd onjuist beleid of onbevredigende gang van zaken ten aanzien van bepaalde personen uit het verslag blijkt dat zij daarvoor verantwoordelijk kunnen worden gehouden, hetgeen bij een bevestigend antwoord kan leiden tot een veroordeling van die personen tot vergoeding aan de vennootschap van de door haar betaalde kosten van het onderzoek. Uit het verslag blijkt dat Brinkman, als (interim-)bestuurder van de vennootschap er welbewust aan heeft meegewerkt dat de vennootschap zich door BTG heeft laten misbruiken. Net als Gaal was ook Brinkman, als (oud-)bestuurder van BTG, volledig op de hoogte van de slechte financiële positie van BTG. Ook Brinkman was op de hoogte van het feit dat de cijfers van de ingebrachte dochtervennootschappen waren gemanipuleerd. Het was immers Brinkman zelf geweest die het ertoe had geleid dat Witte UK Ltd. schriftelijk de vorderingen van De Vries Robbé Gevelbouw B.V. en Bailey had bevestigd, kennelijk met de bedoeling dat deze bevestiging extern zou worden gebruikt, terwijl tegelijkertijd door Brinkman een - kennelijk slechts voor intern gebruik bedoelde - verklaring voor akkoord werd ondertekend waarin stond vermeld dat deze bevestiging was“written for fiscal reasons and to aid group restructure only. They do not show indebtedness of Witte UK to these companies”. Toen in de verificatievergadering voorafgaand aan de transactie werd gevraagd naar de volwaardigheid van de vordering op Witte UK Ltd. heeft Brinkman over deze correspondentie gezwegen. Als (interim-)bestuurder van de vennootschap had Brinkman moeten tegenhouden dat de vennootschap teveel betaalde voor de acquisitie van Gevelbouw, Bailey en BTS. Brinkman heeft dat echter nagelaten.

3.25 Uit het verslag blijkt derhalve dat Cook, Gaal, Van Mook en Brinkman in hun hoedanigheden van commissaris, onderscheidenlijk bestuurder, verantwoordelijk zijn voor het onjuiste beleid van de vennootschap. Zij zullen daarom, zoals de vennootschap heeft verzocht, worden veroordeeld tot betaling aan haar van de kosten van het onderzoek. De omstandigheid dat geen van hen thans nog in dienst is van de vennootschap staat daaraan niet in de weg, nu een redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 2:354 BW meebrengt dat met die bepaling is bedoeld kostenverhaal mogelijk te maken op personen die ten tijde van het onjuiste beleid in enige relevante betrekking stonden tot de vennootschap en ten aanzien van wie uit het verslag is gebleken dat zij voor het onjuiste beleid of de onbevredigende gang van zaken verantwoordelijk zijn, ongeacht of die betrekking tot de vennootschap nog bestaat op het moment waarop het kostenverhaal wordt verzocht.

3.26 Gelet op de omvang van hun verantwoordelijkheid voor het onjuiste beleid - waarbij de Ondernemingskamer met name in aanmerking neemt de omstandigheid dat zij op de hoogte waren (voor zover het betreft Gaal en Brinkman) althans hadden kunnen en behoren te zijn (hetgeen Cook betreft) van de werkelijke financiële situatie van BTG en haar dochtervennootschappen -, zullen Cook, Gaal en Brinkman hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van (het grootste gedeelte van) de kosten van het onderzoek. Van Mook zal, omdat zijn verantwoordelijkheid voor het onjuiste beleid beperkter is - hij was immers niet op de hoogte van de ware stand van zaken - worden veroordeeld tot betaling van een geringer gedeelte van de kosten van het onderzoek, een en ander zoals hierna te vermelden.

3.27 Nu de vennootschap zowel verzoekende als verwerende partij is, de verzoeken van de belanghebbenden worden afgewezen en van de zijde van de advocaat-generaal geen proceskosten zijn gemaakt, is er geen aanleiding voor het uitspreken van een veroordeling in de kosten van het geding.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

Verstaat dat is gebleken van wanbeleid van de naamloze vennootschap De Vries Robbé Groep N.V. in de periode van 1 april 1997 tot en met 23 maart 1998, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.18;

Vernietigt het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap van 26 juni 1998, strekkende tot het verlenen van décharge aan bestuur en raad van commissarissen over het in 1997 door hen gevoerde beleid onderscheidenlijk uitgeoefende toezicht;

Verstaat dat uit het verslag is gebleken dat voor het onjuiste beleid verantwoordelijk zijn M.C.B. Cook, J.W. Gaal, L.G.M. van Mook en A. Brinkman, een en ander zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 3.21 tot en met 3.24;

Veroordeelt M.C.B. Cook, J.W. Gaal en A.. Brinkman hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan de vennootschap van een bedrag van NLG 40.000,-, te vermeerderen met de omzetbelasting daarover , ter zake van de kosten van het onderzoek;

Veroordeelt L.G.M. van Mook tot betaling aan de vennootschap van een bedrag van NLG 7.419,20, te vermeerderen met de omzetbelasting daarover, ter zake van de kosten van het onderzoek;

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde onderscheidenlijk verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr Willems, voorzitter, mr Visser en mr Den Boer, raadsheren, Wortel RA en mr Timmermans, raden, in tegenwoordigheid van mr De Vries, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2001.

coll.: