Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB2158

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/00433
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verhuurt hei-installaties en brengt aan huurders per dag een bedrag in rekening inclusief de voor het gebruik van de installaties benodigde gasolie.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van regulerende energiebelasting op de voet van artikel 36l van de Wet belastingen op milieugrondslag. De teruggaaf wordt blijkens het tweede lid van dit artikel verleend aan degene die de brandstof voor eigen verbruik heeft betrokken.

Het Hof begrijpt de stellingen van belanghebbende omtrent de verhuur van de hei-installaties aan de zustervennootschappen aldus, dat belanghebbende zich jegens die vennootschappen verplicht hei-installaties voor een bepaalde periode gebruiksklaar ter beschikking te stellen, hetgeen mede inhoudt dat in de bij de desbetreffende hei-installatie behorende brandstoftank gedurende die periode voortdurend gasolie beschikbaar is. Deze stellingen zijn door de inspecteur niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken..

Op grond van de feiten en omstandigheden dient belanghebbende naar ’s Hofs oordeel te worden aangemerkt als verbruiker van de in geding zijnde gasolie, en heeft belanghebbende de gasolie ook betrokken voor eigen verbruik. Belanghebbende heeft aanspraak op teruggaaf van belasting ter zake van de in geding zijnde gasolie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/52.26 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Douane district te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 7 februari 2000, ingediend door gemachtigden en aangevuld bij brief van 31 maart 2000.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 28 december 1999, betreffende de beschikking op verzoek om teruggaaf van regulerende energiebelasting over het jaar 1997. Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van f 73.682. Bij de beschikking is dit verzoek afgewezen. Na bezwaar tegen de beschikking is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en een teruggaaf van regulerende energiebelasting tot een bedrag van f 73.682.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 7 mei 2001 zijn verschenen voormelde gemachtigden van belanghebbende, alsmede de inspecteur.

Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota doen voordragen en overleggen, van welke stukken de inhoud als hier opgenomen geldt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende verhuurt, voor zover hier van belang, hei-installaties aan A B.V., B B.V. en C B.V. (hierna de zustervennootschappen) welke vennootschappen deel uitmaken van hetzelfde concern als belanghebbende. Ter zake van de verhuur brengt belanghebbende per dag een bedrag in rekening welk bedrag inclusief de voor het gebruik van de installatie benodigde gasolie is.

2.2. Belanghebbende heeft in 1997 van D B.V. te Q 1.016.799 liter gasolie afgenomen. Deze gasolie is gebruikt voor de aandrijving van de door belanghebbende in dit tijdvak verhuurde hei-installaties en wordt door de leverancier veelal geleverd op de locatie waar de desbetreffende zustervennootschap werkzaamheden uitvoert.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van f 73.682 regulerende energiebelasting (hierna: de belasting) op de voet van artikel 36l van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) hetgeen belanghebbende verdedigt doch de inspecteur betwist.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding alsmede naar de onder 1. opgenomen pleitnota's.

4.2. Ter zitting heeft de gemachtigde, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

Belanghebbende is degene die de gasolie heeft betrokken en verbruikt in de zin van artikel 36l Wbm. De redactie van artikel 36l, eerste lid, Wbm, biedt geen steun voor de opvatting dat het verbruik binnen een bepaalde onroerende zaak of op een bepaalde locatie bepalend is. Met betrekking tot de huurprijs van de hei-installatie geldt dat deze inclusief brandstof is. Belanghebbende is verplicht de brandstof ter beschikking te stellen. Het fysieke verbruik tijdens de huurperiode op de bouwplaatsen waar de zustervennootschappen werkzaamheden verrichten, heeft derhalve geen enkele invloed op de huurprijs van de installatie. De huurprijs is gecalculeerd op basis van ervaringsgegevens en in de prijs is verdisconteerd het transport, de brandstof en uiteraard ook componenten als afschrijving en onderhoud. Belanghebbende leent geen personeel uit om de hei-installatie te bedienen; daar moeten de huurders zelf voor zorgen. Er zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten. De huurders zijn bekend met de voorwaarden en de prijs die belanghebbende in rekening brengt per dag voor de huur van een installatie. Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken geldt het volgende. Belanghebbende draagt zorg voor het transport van de hei-installatie en de brandstoftank. Belanghebbende is degene die de gasolie bestelt en afneemt. De facturen zijn aan belanghebbende gericht. De olie wordt daar afgeleverd waar belanghebbende dat wil en dat zal vaak op een bouwplaats zijn waar de installatie wordt gebruikt door de huurder. De olie wordt gelost in de brandstoftank van de desbetreffende hei-installatie. Ingeval de brandstof tijdens de huurperiode op raakt neemt de huurder contact op met belanghebbende en dan zorgt belanghebbende voor nieuwe olie. Na afloop van de huur haalt belanghebbende de hei-installatie én de brandstoftank weer op. In het verweerschrift heeft de inspecteur opgemerkt dat uit een debiteurennummer zou kunnen worden opgemaakt ten behoeve van welke zustervennootschap de gasolie zou zijn geleverd maar dat is niet juist. De bedoelde code geeft alleen aan in welk gebied geleverd is.

4.3. De inspecteur heeft ter zitting aan zijn stellingen nog het volgende toegevoegd:

De belasting wordt onder meer geheven op gasolie en is vooral bedoeld om kleinverbruikers aan te zetten tot energiebesparing. Bij niet leidinggebonden brandstoffen bestaat niet de mogelijkheid, zoals bij leidinggebonden brandstoffen het geval is, om de maximaal te belasten hoeveelheid via de aansluiting te bepalen. Daarom is in de Wbm voorzien in een teruggaafregeling voor niet-leidinggebonden brandstoffen. De teruggaafregeling moet in dat licht worden bezien. Dit brengt mee dat de feitelijke omstandigheden bepalend dienen te zijn en niet de juridische of bedrijfseconomische situatie. Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden vastgesteld of het verbruik plaatsvindt in of ten behoeve van een zelfstandige locatie. In beginsel is de locatie van waaruit werkzaamheden worden uitgevoerd doorslaggevend; in casu ben ik van mening dat aangesloten kan worden bij het verbruik per zustermaatschappij. De zustermaatschappijen zullen dus verzoeken om teruggaaf moeten doen, uiteraard met inachtneming van de geldende drempel. Dat is tot op heden niet gebeurd. Met betrekking tot de praktische gang van zaken geldt dat ik nu niet kan overzien op welke wijze de zustermaatschappijen het bedrag waarvoor om teruggaaf wordt verzocht, ingeval zij niet over een factuur beschikken, kunnen bepalen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 36l, eerste lid, van de Wbm wordt, voor zover hier van belang, op verzoek teruggaaf van belasting verleend met betrekking tot gasolie voor zover de hoeveelheid olie die door een verbruiker is betrokken hoger is dan 153.000 liter gasolie per kalenderjaar. De teruggaaf wordt blijkens het tweede lid van dit artikel verleend aan degene die de brandstof voor eigen verbruik heeft betrokken.

5.2. Het Hof stelt voorop dat in de Wbm geen nadere omschrijving wordt gegeven van het begrip “verbruiker” in artikel 36l, eerste lid, Wbm en het begrip “eigen verbruik” in artikel 361, tweede lid, Wbm.

5.3. De inspecteur betwist niet dat belanghebbende de gasolie heeft betrokken in het kader van haar bedrijfsvoering doch acht dit niet van doorslaggevend belang. In casu bestaat volgens de inspecteur geen recht op teruggaaf omdat in de onderhavige situatie waarin belanghebbende hei-installaties verhuurt het verbruik van de brandstof toegerekend dient te worden aan de locatie van de huurders en belanghebbende de brandstof niet verbruikt in de zin van artikel 36l Wbm. Deze visie van de inspecteur komt overeen met die van de staatssecretaris, verwoord in het Besluit van 20 juli 2000, nr. CPP 2000/964 M. De inspecteur refereert daarbij aan doel en strekking van de Wbm te weten kleinverbruikers aan te zetten tot energiebesparing.

5.4. Het Hof begrijpt de stellingen van belanghebbende omtrent de verhuur van de hei-installaties aan de zustervennootschappen aldus, dat belanghebbende zich jegens die vennootschappen verplicht hei-installaties voor een bepaalde periode gebruiksklaar ter beschikking te stellen, hetgeen mede inhoudt dat in de bij de desbetreffende hei-installatie behorende brandstoftank gedurende die periode voortdurend gasolie beschikbaar is. Deze stellingen zijn door de inspecteur niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Vast staat voorts dat belanghebbende voor de verhuur van de hei-installaties een bedrag per dag aan de huurder in rekening brengt, waarin de voor het gebruik van de installatie benodigde gasolie is begrepen. In dit verband heeft belanghebbende nog onweersproken gesteld dat de huurprijs niet afhankelijk is van de daadwerkelijk tijdens de huurperiode gebruikte hoeveelheid gasolie.

5.5. Uitgaande van de onder 5.4. vermelde feiten en omstandigheden, in hun onderling verband bezien, dient belanghebbende naar ’s Hofs oordeel te worden aangemerkt als verbruiker van de in geding zijnde gasolie, als bedoeld in artikel 36l, eerste lid, Wbm. Op grond van die feiten en omstandigheden heeft belanghebbende de gasolie ook betrokken voor eigen verbruik, als bedoeld in artikel 361, tweede lid, Wbm.

5.6. Uit het onder 5.5. overwogene volgt dat belanghebbende aanspraak heeft op teruggaaf van belasting ter zake van de in geding zijnde gasolie. Alsdan is tussen partijen niet in geschil dat f 73.682 aan belasting aan belanghebbende moet worden teruggegeven.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur wordt vernietigd, zijn termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en wel tot een bedrag van f 1420 zijnde f 710 x factor 2 (proceshandelingen) x 1 (gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vernietigt de beschikking waarbij de teruggaaf is geweigerd;

verleent teruggaaf van regulerende energiebelasting toot een bedrag van f 73.682;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van f 1420 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

gelast de Staat het gestorte griffierecht ten bedrage van f 450 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 11 juni 2001 door mr. Bijl, voorzitter, mrs. Boersma en Vrouwenvelder, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Aalst als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

de naam en het adres van de indiener;

de dagtekening;

een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.