Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB1853

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
01/139
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende werd bij brief van 11 mei 2000 aangemaand alsnog binnen 10 werkdagen aangifte vpb voor het jaar 1998 te doen. Het aangiftebiljet is op 26 juni 2000 ter inspectie ingekomen. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur vanwege het niet tijdig doen van aangifte aan belanghebbende een boete opgelegd van ƒ 1.250. Aan belanghebbende zijn vanwege het niet tijdig indienen van de aangiftebiljetten vpb voor de jaren 1996 en 1997 eveneens boetes opgelegd tot een bedrag van respectievelijk ƒ 63 en ƒ 5.

De inspecteur kan ingeval belanghebbende niet binnen de in artikel 9, derde lid, van de Awr gestelde termijn aangifte heeft gedaan een boete opleggen tot ten hoogste ƒ 2.500 (67a Awr). In casu is er sprake van een derde verzuim in de zin van § 21, tweede lid, van het BBBB. Ingevolge het bepaalde in § 46, derde lid van het BBBB worden voor het bepalen van het aantal verzuimen als bedoeld in de paragrafen 21 en 23 van het besluit mede in aanmerking genomen de verzuimen die zijn begaan onder de vòòr 1998 geldende regeling. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de door de inspecteur opgelegde boete in een wanverhouding staat tot de ernst van het beboete feit. Het Hof neemt hierbij in overweging dat belanghebbende ondanks de toegekende uitsteltermijnen en de bij de aanmaningen toegekende uitsteltermijnen het steeds op overschrijding van die termijnen heeft laten aankomen. In de omstandigheid dat het hier slechts om geringe termijnoverschrijdingen gaat, vindt het Hof geen aanleiding de boete te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/474
FutD 2001-1081
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Zevende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen 1 te Amsterdam, hierna de inspecteur, gedagtekend 3 januari 2001, betreffende de aan belangheb-bende gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1998 opgelegde boete.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 april 2001.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1.1. Belanghebbende is opgericht op 9 november 1995. De aandelen in de vennoot-schap worden gehouden door A en B.

1.2. Aan belanghebbende is op 1 maart 1999 een aangiftebiljet vennootschaps-belasting voor het jaar 1998 uitgereikt. Bij brief van 11 mei 2000 werd belangheb-bende aangemaand om alsnog binnen 10 werkdagen aangifte te doen. Het aangiftebiljet is op 26 juni 2000 ter inspectie ingekomen.

1.3. De aanslag, met dagtekening 15 augustus 2000, is opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 380. De op aanslag verschuldigde vennootschapsbelasting bedroeg ƒ 133. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur vanwege het onder 1.2. genoemde verzuim aan belanghebbende een boete opgelegd van ƒ 1.250. Aan belanghebbende zijn vanwege het niet tijdig indienen van de aangiftebiljetten voor de jaren 1996 en 1997 eveneens boetes opgelegd tot een bedrag van respectievelijk ƒ 63 en ƒ 5.

1.4. De boete van ƒ 1.250 is opgelegd met toepassing van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB) zoals dit is gewijzigd bij Besluit van 16 december 1999, nr. AFZ 99/2684, stcrt 179, V-N 1999/42.6. In § 21 van dit besluit is voor een derde verzuim een boete van ƒ 1.250 voorgeschreven tenzij de aanslag op nihil of op een negatief bedrag wordt vastgesteld. Voor dit laatste geval is een boete van ƒ 250 voorgeschreven. In § 21 van de oorspronkelijke tekst is een boete voorgeschreven van 15% van het bedrag van de aanslag met een minimum van ƒ 100 en een maximum van ƒ 2.500. Het gewijzigde besluit is direct in werking getreden. Er is geen overgangsregeling getroffen voor aangiften betreffende de jaren 1998 en 1999.

1.5. Voor het indienen van de aangifte was uitstel verleend tot 11 mei 2000. De aanmaning werd verzonden tegen 25 mei 2000. De aangifte werd ontvangen op 26 juni 2000.

1.6. Nu het beboete feit in 2000 plaats vond is naar het oordeel van het Hof door de inspecteur terecht de voor 2000 geldende tekst van het BBBB toegepast.

2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur de boete naar een juist bedrag heeft vastgesteld.

3.1. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de boete dient te worden opgelegd met inachtneming van een percentage afhankelijk van de hoogte van de aanslag en dat er aanleiding is om de boete te matigen aangezien het in de reeks van verzuimen steeds om geringe termijnoverschrijdingen ging. De inspecteur heeft onder verwijzing naar artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Wet) in verbinding met artikel 21 van het BBBB genoemde artikelen gesteld dat de boete naar een juist bedrag is opgelegd.

3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 67a van de Wet kan de inspecteur ingeval belanghebbende niet binnen de in artikel 9, derde lid, van de Wet gestelde termijn aangifte heeft gedaan ter zake van dit verzuim een boete opleggen tot ten hoogste ƒ 2.500.

3.3. Vast staat dat belanghebbende vanaf de datum van oprichting steeds heeft verzuimd binnen de in artikel 9, derde lid, van de Wet gestelde termijn aangifte te doen. Door het niet tijdig doen van aangifte voor het onderhavige jaar is er sprake van een derde verzuim in de zin van § 21, tweede lid, van het BBBB. Ingevolge het bepaalde in § 46, derde lid van het BBBB worden voor het bepalen van het aantal verzuimen als bedoeld in de paragrafen 21 en 23 van het besluit mede in aanmerking genomen de verzuimen die zijn begaan onder de vòòr 1998 geldende regeling. De inspecteur heeft met inachtneming van het bepaalde in § 21, derde lid, van het BBBB in de nieuwe tekst aan belanghebbende een boete opgelegd tot een bedrag van ƒ 1.250.

3.4. Naar het oordeel van het Hof kan in het onderhavige geval niet worden gezegd dat de door de inspecteur opgelegde boete in een wanverhouding staat tot de ernst van het beboete feit. Het Hof neemt hierbij in overweging dat belanghebbende ondanks de toegekende uitsteltermijnen en de bij de aanmaningen toegekende uitsteltermijnen het steeds op overschrijding van die termijnen heeft laten aankomen. In de omstandigheid dat het hier slechts om geringe termijnoverschrijdingen gaat, vindt het Hof geen aanleiding de boete te matigen.

3.5. De stelling van belanghebbende dat de 'effectuering van de boete' ertoe zal leiden dat het belastbare bedrag en de aanslag op een negatief bedrag wordt vastgesteld en dat zulks aanleiding is om tot matiging van de boete over te gaan, kan haar niet baten, reeds omdat dergelijke kosten ingevolge het bepaalde in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, welk artikel krachtens artikel 8, eerste lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 ook voor deze belasting geldt, bij de bepaling van de winst niet in aftrek komen.

3.6. Belanghebbende baseert haar stelling dat de boete dient te worden opgelegd met inachtneming van een percentage op de omstandigheid dat het hier de aangifte voor het jaar 1998 betreft en de tekst (1998) van het BBBB voor dat jaar uitgaat van een percentage (vergelijk artikel 21, derde lid BBBB). Deze stelling kan haar niet baten. Immers, belanghebbende beging haar derde verzuim in het jaar 2000, zodat zoals reeds gezegd de inspecteur terecht de boete heeft opgelegd met inachtneming van de tekst zoals die op dat moment luidde en thans nog luidt. De bedoeling van de nieuwe regeling is juist alleen het aantal verzuimen in aanmerking te nemen.

4. Hiervoor is overwogen dat de boete conform het BBBB, tekst 2000, is opgelegd. Het Hof acht deze boete gelet op alle vermelde omstandigheden ook overigens passend en geboden.

5. Het Hof acht geen termen aanwezig voor de veroordeling van de inspecteur in de proceskosten.

De uitspraak is gedaan op 11 mei 2001 door mr. Smit, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.