Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB1730

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/2481
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende vervreemdde zijn AB-aandelen tegen een koopsom van ƒ 10 mio., Het hof meent dat hij de koopsom volledig heeft ontvangen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de koopsom voor een deel uit een vordering bestond en dat de waarde van die vordering naar de toestand ten tijde van de vervreemding van de aandelen lager was dan haar nominale waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/433
FED 2001/413
V-N 2001/39.10 met annotatie van Redactie
FutD 2001-1029
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Via de inspecteur is van belanghebbende ter griffie een beroepschrift ontvangen op 3 augustus 1999, ingediend door A te Q en aangevuld bij brieven van 27 augustus 1999 en 17 december 1999, beiden afkomstig van B te R als gemachtigde van belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 5 augustus 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 8.470.730, waarvan ¦ 8.095.106 is belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 8.458.330, onder handhaving van het bijzondere tarief voor ¦ 8.095.106.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 5.458.330, waarvan ¦ 5.095.106 te belasten naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 7 november 2000 zijn verschenen belanghebbende, B als gemachtigde van belanghebbende, en C tot bijstand van belanghebbende, alsmede D, namens de inspecteur, en E en F tot bijstand van de inspecteur. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De inspecteur heeft zich hierover kunnen uitlaten. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

1. Belanghebbende, geboren in 1935, heeft in april 1991 opgericht de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E BV. E BV, waarvan de aandelen in bezit zijn van belanghebbende, heeft ten doel het beleggen in vermogenswaarden. Zijn broer I heeft dienovereenkomstig opgericht G BV.

2. Belanghebbende en zijn broers I en K waren tot augustus 1996 ieder voor een derde deel aandeelhouder van Beheer B.V. Beheer BV was enig aandeelhouder van een tweetal werkmaatschappijen, te weten P B.V., die machines op met name grafisch gebied produceerde, verhandelde en repareerde, en H B.V., die technische tekenapparatuur, kantoorinrichtingen en dergelijke verhandelde en installeerde. In augustus 1996 verkocht K zijn aandelen in Beheer BV voor ƒ 3.000.000 aan zijn beide broers, aan ieder van hen de helft.

3. Op 10 oktober 1996 sloten belanghebbende en zijn broer I (tezamen verder ook: verkopers) met Holding B.V. (verder ook: koper) een overeenkomst waarbij verkopers al hun aandelen Beheer BV aan koper verkochten (verder ook: de Verkoopovereenkomst).

4. In de Verkoopovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“ARTIKEL 2 - KOOPPRIJS

De koopprijs van de aandelen bedraagt twintig miljoen gulden (ƒ 20.000.000,--), uitgaande van het feit dat het vermogen per 31 december 1995 (geconsolideerd) ƒ 12.050.991,-- bedraagt en dat geen uitkeringen zijn gedaan ten laste van genoemd vermogen gedurende het jaar 1996 en dat de gegarandeerde winst over 1996 niet is of wordt uitgekeerd, met uitzondering van de tantième-regeling voor de directie en medewerkers over de winst van het boekjaar 1996.

ARTIKEL 3 - LEVERING EN BETALING

(…)

3.2 Koper zal aan verkoper de hierboven genoemde koopprijs vóór levering storten, onder aftrek van de door de verkopers ter beschikking te stellen achtergestelde lening van ƒ 3.600.000,-- (…), bij bovengenoemde notaris, welke terstond, zonder voorbehoud op de dag van passering van de akte, tot betaling aan kopers zal overgaan. De achtergestelde lening wordt voor de volgende doeleinden en in de volgende verdeelsleutel verstrekt: ƒ 1.800.000,-- (…) ten behoeve van de algemene activiteiten van P BV en ƒ 1.800.000,-- ten behoeve van de zgn. huurkoopdebiteuren. Aan verkopers wordt een onherroepelijke volmacht gegeven tot automatische overboeking van 2 maal ƒ 50.000,-- (…) per maand op een door verkopers aan te geven bankrekening c.q. bankrekeningen.

(…)

ARTIKEL 5 - OVERDRACHTSDATUM

· De aandelen komen vanaf de overdrachtsdatum geheel voor rekening en risico van koper, die gerechtigd zal zijn tot alle uitkeringen op de aandelen vallende.

· (…)

·

· ARTIKEL 12 - BETALINGSREGELING

· Door E B.V. en/of I en/of X zal een achtergestelde lening worden verstrekt van ƒ 3.600.000,-- (…) totaal.

·

· De koper is verplicht de geldlening af te lossen in 36 maandelijkse opéénvolgende gelijke termijnen van ƒ 100.000,--, de eerste termijn te voldoen op 31 januari 1997, de tweede termijn op 28 februari 1997 en zo vervolgens elke maand, totdat het geheel is betaald.”

1. Op 19 november 1996 hebben verkopers de aandelen Beheer BV geleverd. Van deze levering is een akte van aandelenoverdracht opgemaakt (verder ook: de Overdrachtsakte). De Overdrachtsakte, waarin belanghebbende en zijn broer tezamen worden aangeduid als “verkoper” en waarin belanghebbende en zijn broer afzonderlijk als “verkoper 1” respectievelijk als “verkoper 2” zijn aangeduid, bepaalt onder meer:

“3. Koopprijs. Kwijting

1. De koopprijs voor de aandelen bedraagt twintig miljoen gulden (ƒ 20.000.000,--). De koopprijs is voor een deel van dertien miljoen vierhonderdduizend gulden (ƒ 13.400.000,--) voldaan door betaling via mij, notaris, en voor een deel van drie miljoen zeshonderdduizend gulden (ƒ 3.600.000,--) door middel van verrekening.

2. Met betrekking tot de verbintenis tot betaling van het resterende deel van drie miljoen gulden (ƒ 3.000.000,--) van de koopprijs komen verkoper en koper overeen dat deze door afstand teniet gaat, onder de verplichting voor koper aan ieder van verkoper 1 en verkoper 2 een bedrag van een miljoen vijfhonderdduizend gulden (ƒ 1.500.000,--) bij wijze van geldlening schuldig te erkennen.

Ter uitvoering van die overeenkomst: doet verkoper bij deze afstand van zijn vordering tot betaling van voorbedoeld deel van de koopprijs, welke afstand koper aanvaardt; en erkent koper aan ieder van verkoper 1 en verkoper 2 bij wijze van geldlening een bedrag schuldig van een miljoen vijfhonderdduizend gulden (ƒ 1.500.000,--). Verkoper en koper stellen vast, dat de verbintenis tot betaling van de gehele koopprijs, is teniet gegaan. Verkoper verleent koper daarvoor kwijting.”

6. Ter uitvoering van het bepaalde in artikel 12, van de Verkoopovereenkomst sloten E BV en Holding B.V. op 19 november 1996 een geldleningsovereenkomst (verder ook: de Geldleningsovereenkomst).

De Geldleningsovereenkomst, waarin E BV wordt aangeduid als schuldeiser en Holding B.V. als schuldenaar, luidt voor zover van belang:

“1. Hoofdsom

Schuldeiser heeft op heden aan schuldenaar ter leen verstrekt een bedrag van drie miljoen zeshonderdduizend gulden (ƒ 3.600.000,--), welk bedrag schuldenaar ter leen heeft ontvangen en derhalve hoofdelijk schuldig is aan schuldeiser, welke schuldbekentenis schuldeiser aanneemt.

2. Rente

1. Schuldenaar moet vanaf heden over het hiervoor vermelde geleende bedrag of het restant daarvan - hierna te noemen: de hoofdsom - een rente betalen van zeven procent (7%) per jaar.

2. (…)

3. Aflossing

1. De hoofdsom dient in zesendertig (36) maandelijkse termijnen van eenhonderdduizend gulden (ƒ 100.000,--), te worden voldaan, waarvan de eerste vervalt op eenendertig januari negentienhonderdzevenennegentig, een en ander onverminderd hetgeen hierna is vermeld terzake van achterstelling.

2. In verband met de in lid 1 bedoelde aflossingen verleent schuldenaar bij deze onherroepelijk volmacht aan schuldeiser om de bedoelde aflossingen te bewerkstelligen ten laste van bankrekeningnummer _______ van schuldenaar bij ____________ en ten laste van bankrekeningnummer ________ van schuldenaar bij __________ en wel per bankrekening voor een bedrag van vijftig duizend gulden (ƒ 50.000,--), een en ander onverminderd hetgeen hierna is vermeld ter zake van achterstelling.

3. (…)”

2.7. De balans van E BV per 31 december 1996 vermeldt onder de financiële vaste activa een lening Holding BV ter waarde van ƒ 3.600.000. Holding B.V. heeft in de periode januari 1997 tot en met juni 1997 van deze geldlening zes termijnen, oftewel ƒ 600.000 in totaal, afgelost.

2.8. Omdat Holding B.V. vanaf juli 1997 niet langer aan haar aflossingsverplichtingen uit hoofde van de Geldleningsovereenkomst voldeed, werd tot een reorganisatie besloten. In mei 1998 verkocht Holding B.V. haar aandelen Beheer BV voor een koopprijs van ƒ 750.000 aan haar 100% dochtervennootschap K BV. Kort daarop verkocht Holding B.V. per dezelfde datum zowel aan E BV als aan G BV eenderde van haar aandelen in K BV voor een koopprijs van ƒ 250.000 per aandelenpakket.

2.9. In januari 2000 hebben E BV en G BV de overige in het bezit van Holding B.V. zijnde aandelen in K BV gekocht op een zodanige wijze dat beiden daarna de helft in bezit hadden.

2.10. Belanghebbende berekent de winst uit aanmerkelijk belang ter zake van de onder 2.3 bedoelde verkoop door hem van aandelen Beheer BV als volgt:

verkoopprijs aandelen ƒ 10.000.000

af: lagere waarde vordering van ƒ 3.600.000 op Holding B.V. 3.000.000

ƒ 7.000.000

af: verkrijgingsprijs aandelen 1.904.894

ƒ 5.095.106

3. Geschil

In geschil is de hoogte van de winst uit aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1996), inzonderheid of de overdrachtsprijs al dan niet met ƒ 3.000.000 kan worden verminderd.

4. Standpunten van partijen

1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

4.2. Ter zitting heeft belanghebbende nog het volgende naar voren gebracht:

Op het moment van de aandelenoverdracht uit hoofde van de Verkoopovereenkomst is ƒ 3.000.000 geleend aan Holding B.V. Dat bedrag is geheel afgelost. De geldlening van ƒ 3.600.000 aan Holding B.V., waar het in dit geding om gaat, staat daar los van. Mijn vordering op Holding B.V. heb ik in E BV ingebracht door storting op ƒ 10.000 nominaal aandelen, waarbij voor het overige agio is bedongen. E BV heeft vervolgens een lening van ƒ 3.600.000 aangegaan met Holding B.V. Bij E BV is de vordering nog niet afgewaardeerd.

Mijn broer I wilde alleen aan de verkoop van de aandelen meewerken als hij dadelijk de helft van de verkoopprijs ontving. Zelf heb ik het risico genomen van de lening. Ver voor de verkoop was al bekend dat er risico was. Mijn oudste broer was tevreden met ƒ 3.000.000. Ik ben ongeveer 12 jaar bezig geweest de zaak te verkopen. Het was vreselijk moeilijk om een reële prijs te krijgen. De koper van de aandelen stond goed bekend en is in het verleden bij grote aandelentransacties steeds kredietwaardig gebleken. Na het inwinnen van informatie bij de inspecteur heb ik besloten mijn vordering onder te brengen in E BV. Met de koopsom is de lopende schuld aan de bank afgelost.

4.3. De inspecteur heeft nog het volgende opgemerkt:

In het controlerapport is een schematisch overzicht opgenomen met betrekking tot de geldstromen ter financiering van de koopprijs van de aandelen. Daarin schuilt geen tegenspraak.

Aan de achterstelling van de geldlening van E BV tot een beloop van ƒ 1.800.000 kan wellicht enige waardedruk worden toegekend. Echter dat betreft niet de vordering uit de verkoop van de aandelen. Die vordering was er al en kan nominaal worden gewaardeerd. Ook de omstandigheid dat Holding B.V. geen zekerheden heeft gesteld, vormt geen reden voor een lagere waardering van de verkoopvordering. Beheer BV heeft ƒ 19.000.000 van banken ontvangen, waarvan ƒ 10.000.000 naar I is gegaan, ƒ 6.400.000 naar belanghebbende en ƒ 2.600.000 naar Holding B.V. voor financiering van eigen uitgaven.

In 1998 was er voor E BV kennelijk nog geen reden haar vordering op Holding B.V. af te waarderen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Winst uit aanmerkelijk belang is - voor zover hier van belang - het voordeel uit de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen. Het voordeel wordt, aldus artikel 39, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals dat voor het onderhavige jaar gold, gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de tegenprestatie voor de verkoop van zijn aandelen Beheer BV in totaal groot ƒ 10.000.000 uit twee componenten bestond, te weten

1. uit een contante betaling van ƒ 6.400.000.

2. uit een vordering op de koper van de aandelen ter grootte van ƒ 3.600.000.

Belanghebbende meent dat de tweede component, de vordering op de koper van de aandelen, niet op de nominale waarde maar slechts op hetgeen daadwerkelijk is ontvangen, zijnde ƒ 600.000, dient te worden gewaardeerd. De overdrachtsprijs komt dan uit op ƒ 7.000.000.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende een overdrachtsprijs heeft bedongen van ƒ 10.000.000. Zijns inziens dient de waarde van hetgeen bij vervreemding van aanmerkelijk-belangaandelen als tegenprestatie wordt verkregen, bepaald te worden naar de toestand ten tijde van de vervreemding. Hij meent dat de tegenprestatie op dat moment ƒ 10.000.000 waard was en dat het mogelijke verlies dat belanghebbende op zijn vordering geleden heeft zijn oorzaak vond in feiten en omstandigheden die zich na het tijdstip van vervreemding hebben voorgedaan.

5.2. Belanghebbende en zijn broer I hebben hun aandelen Beheer BV aan Holding B.V. verkocht tegen een koopsom van ƒ 20.000.000. Uit artikel 3, eerste en tweede lid, van de Overdrachtsakte leidt het Hof af dat belanghebbende en zijn broer de koopsom in zijn geheel hebben ontvangen en wel op de volgende wijze:

een bedrag groot ƒ 13.400.000 is via de notaris betaald.

een bedrag groot ƒ 3.600.000 is verrekend met een door E BV verstrekte geldlening.

een bedrag groot ƒ 3.000.000 is door afstand tenietgegaan, tegenover welke afstand, naar belanghebbende ter zitting heeft verklaard, Holding B.V. een zelfde bedrag van belanghebbende en zijn broer heeft geleend en afgelost.

Een en ander sluit aan bij het bepaalde in de artikelen 3, tweede lid, en 12 van de Verkoopovereenkomst.

5.3. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij in het kader van de vervreemding van aandelen Beheer BV een vordering op Holding B.V. heeft gekregen ter grootte van ƒ 3.600.000. Met betrekking tot de andersluidende opvatting van belanghebbende dat hij ter zake van de verkoop van de aandelen Beheer BV een vordering van ƒ 3.600.000 op Holding

B.V. heeft verkregen die hij heeft ingebracht in E BV, heeft belanghebbende geen bewijs bijgebracht. Uit de Overdrachtsakte valt zulks niet op te maken en in de Verkoopovereenkomst ligt slechts besloten dat sprake is geweest van een gezamenlijke vordering van belanghebbende en zijn broer tot het beloop van ƒ 3.600.000. Belanghebbendes standpunt is ook niet te verenigen met de onder 2.6 aangehaalde overeenkomst waarin E BV als schuldeiser is vermeld. Artikel 12 van de Verkoopovereenkomst voorziet onder meer erin dat de door de koper benodigde koopsom door middel van een door E BV te verstrekken achtergestelde lening wordt gefinancierd, hetgeen, zoals blijkt uit de onder 2.6 aangehaalde overeenkomst ook op deze wijze is geschied. Van een aan deze lening voorafgaande lening aan Holding B.V. door belanghebbende is geen enkel bewijs overlegd. In zoverre mist de stelling van belanghebbende feitelijke grondslag.

5.4. Voor zover niettemin ervan moet worden uitgegaan dat de overdrachtsprijs van belanghebbende voor ƒ 3.600.000, dan wel voor de helft van dat bedrag, uit een vordering van belanghebbende op koper bestond, geldt dat de waarde van die vordering, dient te worden bepaald naar de toestand ten tijde van de vervreemding. Bij de bepaling van die waarde dient weliswaar rekening te worden gehouden met hetgeen later omtrent de toestand op dat tijdstip is bekend geworden, doch een waardeontwikkeling van die vordering na het vervreemdingsmoment blijft buiten beschouwing. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende - op wie te dezen de bewijslast rust - niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van die vordering naar de toestand ten tijde van de vervreemding van de aandelen in Beheer BV lager was dan haar nominale waarde. Het Hof merkt in dit verband op dat ook E BV haar vordering uit de Geldleningsovereenkomst ter grootte van ƒ 3.600.000 op haar balans per 31 december 1996 voor de nominale waarde heeft verantwoord. Bovendien bleek uit de informatie die belanghebbende over de kredietwaardigheid van de koper bekend was, dat de koper vaker dit soort aandelentransacties gesloten had en daarbij zijn verplichtingen steeds was nagekomen.

5.5. Ten slotte verdient opmerking dat als ervan wordt uitgegaan dat de waarde van de vordering ten tijde van de vervreemding slechts ƒ 600.000 groot was - zoals belanghebbende doet voorkomen -, belanghebbende zijn broer die de koopsom voor de aandelen dadelijk in zijn geheel heeft ontvangen, zou hebben bevoordeeld. Het Hof acht zulks niet aannemelijk. Waar het belastingtarief van 20% is berekend over ƒ 8.095.106, is de aanslag niet te hoog vastgesteld.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 23 januari 2001 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa, Onnes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.