Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0969

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/03101
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op Resolutie van 25 augustus 1992, nr. DB 92/3157, faalt nu bedrijfsmiddel los van iedere overheidsdwang is verkocht. Mitsdien kan vervangingsreserve niet worden toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 680
FutD 2001-0769
FED 2001/303

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, be-langhebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 1 oktober 1999, ingediend door A te Q als gemachtigde en aangevuld bij brief van 23 december 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 23 augustus 1999, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995.

De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 748.922. Na bezwaar tegen de aanslag is deze verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van f 741.068. Naderhand is de aanslag ambtshalve verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 707.458.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 30 oktober 2000 zijn verschenen de voornoemde gemachtigde alsmede de inspecteur.

Namens belanghebbende is ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier opgenomen geldt.

Het Hof heeft op 13 november 2000 mondeling uitspraak gedaan. Het proces-verbaal van deze uitspraak is op 17 november 2000 verzonden. Belanghebbende heeft tijdig verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor geheven griffierecht van f 80 heeft hij tijdig betaald.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1938 en gehuwd, exploiteerde een veehouderij annex varkenshouderijbedrijf in het verband van een maatschap met zijn echtgenote. Tot belanghebbendes buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen behoorde circa 22 hectare grond gelegen achter de B-weg 1 en 2 te R (gemeente S), ten zuiden van recreatiepark B. Deze grond was in de onderneming in gebruik, evenals circa 20 hectare van derden gepachte grond.

2.2. In een brief van de gemeente S, gedagtekend 21 april 1995, gericht aan het College van Gedeputeerde Staten van H (hierna: Gedeputeerde Staten) is onder meer het volgende opgenomen:

“Voorgeschiedenis

De discussie over een golfbaan is gestart in december 1986 met een breed overleg met ambtenaren van rijk (landbouw, openluchtrecreatie, economische zaken en Staatsbosbeheer) en provincie (...) over een lokatie in het zogenaamde “T-gebied”. Hoewel de kansen voor realisatie van een golfbaan in dit gebied zich aanvankelijk gunstig lieten aanzien, bleek vestiging van een golfbaan naderhand toch op problemen van landschappelijke en natuurlijke aard te stuiten. Het nut van een dergelijke voorziening voor S stond hierbij niet ter discussie. In overleg met de provincie is daarom in 1988 gezocht naar alternatieve lokaties direct zuidelijk en noordelijk van recreatieterrein B. (...) Lokaties zuidelijk van het recreatieterrein B werden in principe bespreekbaar geacht, maar zouden op problemen van grondverwerving stuiten.”

2.3. Bij onderhandse akte is vastgelegd dat belanghebbende op 20 december 1993 een koopovereenkomst heeft gesloten met een derde, waarbij evenbedoelde derde - in de akte aangeduid als verkoper - heeft verkocht aan belanghebbende - in de akte aangeduid als koper - de boerderij “C” bestaande uit een woonhuis, stallen, schuren, garages, onder- en bijgelegen grond met een totale oppervlakte van 39.94.15 hectare, nabij R te S.

2.4. In de koopovereenkomst opgenomen onder 2.3., werd voorts onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 13

1. Deze overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde (...) dat:

a. koper voor 1 januari 1995 voldoende zekerheid heeft kunnen verkrijgen dat de verkoop tussen hem en Exploitatiemaatschappij G doorgang zal vinden (een koopakte d.d. 20 december 1993) gekoppeld aan de door de overheid af te geven goedkeuring inzake milieu en hinderwet m.b.t. de door hem gewenste bedrijfsvoering op het door hem hierbij gekochte bedrijf;

b. koper voor 1 jan. 1994 een voor hem toereikende financiering heeft toegezegd gekregen van zijn bankier. (...).”

2.5. Bij onderhandse akte van 22 december 1993 (hierna: de verkoopovereenkomst) heeft belanghebbende - in de verkoopovereenkomst aangeduid als verkoper - de in 2.1. vermelde tot zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen behorende cultuurgrond verkocht aan D optredend namens E B.V. - in de verkoopovereenkomst aangeduid als koper. De totale koopsom bedroeg f 1.300.000.

2.6. In de verkoopovereenkomst opgenomen onder 2.5., werd voorts onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 13

1. Deze overeenkomst is aangegaan onder de ontbindende voorwaarde (...) dat:

a. verkoper een voor hem passende koopovereenkomst kan sluiten met F, betreffende het bedrijf “C”, binnen een week na ondertekening dezer akte;

b. koper of diens rechtverkrijgende voor 1 januari 1995 voor hem voldoende zekerheid heeft verkregen dat de realisatie qua bestemming en financiering voor een golfbaan op het hierbij gekochte een feit kan zijn, één en ander ter beoordeling van koper.”

2.7. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat Exploitatiemaatschappij G, zijnde de maatschappij die het plan tot aanleg van een golfbaan zou gaan realiseren, in december 1993 een verzoek heeft ingediend bij de gemeente S om medewerking te verlenen bij de aanleg van een golfbaan nabij recreatiepark B.

2.8. Blijkens het besluit van de Raad der gemeente S, vastgesteld in de openbare vergadering van 13 september 1994, is op voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders van S, gedateerd 23 augustus 1994, besloten de wijziging van het bestemmingsplan in voorbereiding te verklaren voor het perceel ten zuiden van recreatieterrein B te R. Voorts is bepaald dat evenvermeld besluit met ingang van 19 september 1994 in werking zal treden.

2.9. Blijkens een op 27 december 1994 door belanghebbende ondertekende overeenkomst met de koper bedoeld in de overeenkomst opgenomen onder 2.3., wordt de onder artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van deze overeenkomst genoemde ontbindende voorwaarde verlengd tot 15 maart 1995.

2.10. In de brief opgenomen onder 2.2. verzoekt de gemeente S aan Gedeputeerde Staten om een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor de aanleg van een golfbaan ten zuiden van recreatieterrein B.

2.11. Gedeputeerde Staten geeft in een brief van 24 april 1995, gericht aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente S, aan dat zij op 14 maart 1995 ‘groen licht’ hebben gegeven voor de verdere ontwikkeling van de golfbaan.

2.12. Gedeputeerde Staten hebben bij brief van 19 juli 1995, gericht aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente S, een verklaring van geen bezwaar afgegeven met betrekking tot het onder 2.8. vermelde besluit.

2.13. Op 22 januari 1996 heeft de juridische levering plaatsgevonden van hetgeen is verkocht bij de verkoopovereenkomst.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende ter zake van de aan- en verkoop, opgenomen onder respectievelijk 2.3. en 2.5., recht heeft op toepassing van de Resolutie van 25 augustus 1992, nr. DB 92/3157 (hierna: de resolutie).

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en de onder 1. opgenomen pleitnota.

4.2. Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan het volgende toegevoegd:

De gemachtigde:

Uitsluitend in geschil is de vraag of in het onderwerpelijke geval de resolutie van toepassing is. Het bijzonder tarief van 45% is door ons genoemd om aan te geven dat we een gemotiveerd standpunt hebben ingenomen en niet op twee gedachten hinken.

De gemeente was voornemens een golfbaan te stichten. Ik weet niet of de gemeente het oog had op belanghebbendes grond en tot onteigening wilde overgaan; aan de hand van de gehanteerde criteria zou belanghebbendes grond aan de orde komen; ik ben niet in het bezit van correspondentie tussen Exploitatiemaatschappij G en de gemeente.

De koper heeft belanghebbendes grond gekocht onder de voorwaarde dat de gemeente zou meewerken aan de golfbaan, hetgeen voor belanghebbende aanleiding was om dezelfde voorwaarde op te nemen in de aankoopovereenkomst terzake van de vervangende grond.

De normen voor de aanwezigheid van een bedrijfsverplaatsing zoals deze zijn ontwikkeld door de Directie Ondernemingen Zuid zijn beleidsbepalend voor heel Nederland nu deze Directie terzake portefeuillehouder is.

Wij zijn pas vanaf de bezwaarfase bij de zaak betrokken.

De inspecteur:

Na vermindering van de definitieve aanslag in de uitspraak op bezwaar is deze naderhand ambtshalve verminderd.

Er heeft veelvuldig overleg met belanghebbende plaatsgevonden; echter uit niets is gebleken dat belanghebbende tot verkoop van zijn grond zou worden gedwongen.

De gemeente wenste haar medewerking te verlenen aan het realiseren van de plannen indien de betrokken eigenaren van de voor de aanleg benodigde grond mee wilden werken. Onteigening is wel mogelijk voor de aanleg van een weg doch niet voor iets als een golfterrein.

Het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 1992, BNB 1993/16, is in het onderhavige geval niet van toepassing nu in de aan het arrest ten grondslag liggende situatie sprake was van initiatief vanuit de gemeente.

De door de Directie Ondernemingen Zuid ontwikkelde normen voor de aanwezigheid van een bedrijfsverplaatsing zijn in casu niet relevant nu de belastingdienst te P niet onder deze Directie valt. Evengenoemde Directie vaardigt landbouwnormen uit welke beleidsbepalend voor het hele land zijn.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De goedkeuring opgenomen in de resolutie ziet op het geval waarin een bedrijfsmiddel wordt vervreemd ten gevolge van overheidsingrijpen. Onder overheidsingrijpen dient blijkens onderdeel 2. van de resolutie te worden verstaan het handelen van de overheid als de instantie die de bevoegdheid heeft over te gaan tot onteigening als bedoeld voor de toepassing van artikel 57, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Tevens wordt in dit verband onder overheidsingrijpen verstaan de totstandkoming van een bestemmingsplan waarbij de nieuwe bestemming er toe leidt dat de onderneming uiteindelijk niet langer op de oorspronkelijke plaats kan worden uitgeoefend.

5.2. Uit die feiten en omstandigheden onder 2.2. tot en met 2.13., in onderling verband bezien, leidt het Hof af dat de verkoopovereenkomst los van iedere overheidsdwang tot stand is gekomen en dat de wijziging van de bestemming van de grond niet de oorzaak, maar veeleer een gevolg was van die verkoopovereenkomst. Met name heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige grond zou zijn aangewezen als grond met bestemming golfterrein indien belanghebbende niet eerst die grond aan Exploitatiemaatschappij G had verkocht. Een beroep op “overheidsingrijpen” als bedoeld in de resolutie komt belanghebbende dan ook niet toe.

5.3. Uit het vorenoverwogene volgt dat het standpunt van belanghebbende onjuist is. De inspecteur heeft evenwel het belastbare inkomen ambtshalve verminderd tot f 707.458, zodat het beroep in zoverre gegrond is.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur wordt vernietigd zijn termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en wel tot een bedrag van f 1.420, zijnde f 710 x factor 2 voor proceshandelingen x 1 voor het gewicht van de zaak.

7. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 707.458;

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van f 1.420, te betalen door de Staat;

gelast de inspecteur het griffierecht van f 60 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 19 februari 2001 door mrs. Bijl, voorzitter, Den Boer en Vrouwenvelder, leden, in tegenwoordigheid van mr. Trippert als griffier, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 13 november 2000.

De voorzitter heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.