Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0967

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/02030
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende niet bewezen dat theoretische omzetberekening onjuist is; aftrek van bepaalde kosten terecht geweigerd bij gebrek aan bewijs danwel onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-0749

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te P, de inspecteur, gedagtekend 10 juni 1999, betreffende de aanslag in de vennootschapsbelasting 1995, aanslagnummer 35.01.644.V56.

Het beroep is behandeld op de zitting van 8 mei 2000 en 12 februari 2001.

BESLISSING

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

GRONDEN

1.1. Belanghebbende exploiteerde in 1995 onder de handelsnaam A 30 kamers in het kader van raamprostitutie. Zij heeft over 1995 een omzet kamerverhuur verantwoord van f 684.575,-; deze huuropbrengst zou zijn gebaseerd op dagstaten. Op de balans vermeldt zij onder de immateriële vaste activa exploitatierechten op een aantal panden; voor de afschrijving op deze rechten was uitgegaan van verwervingskosten tot een bedrag van f 437.000,-. In 1995 heeft belanghebbende op deze rechten f 86.830,- afgeschreven. Voorts vermeldt de balans als passiefpost leningen van onder meer B N.V. en C B.V. en rentebetalingen.

Na de arrestatie eind 1997 van D, directeur/aandeelhouder van belanghebbende, heeft belanghebbende haar activiteiten beëindigd.

1.2. Bij een onderzoek in 1997 en 1998 heeft de inspecteur in overleg met de gemeente E en F de theoretische omzet in 1995 in eerste instantie berekend op f 1.642.500,-, uitgaande van een daghuur van f 150,- gedurende 365 dagen. Nadien heeft de inspecteur de omzet berekend op f 1.095.000,-, rekening houdend met 33,3% onderbezetting.

1.3. Belanghebbende heeft een nadere omzetberekening overgelegd uitgaande van een opbrengst over 50 weken van 6 dagen à f 125,-; daarnaast heeft belanghebbende op deze opbrengst f 36.000,- in mindering gebracht; deze berekeningen resulteerden in een omzet van f 684.575,-.

2. Ter zitting van 8 mei 2000 heeft D nog verklaard dat de ontvangen huur per kamer nog steeds f 125,- is; dat de betalingen ter zake van de exploitatierechten in feite betaalde huur is; dat hij niet precies opschreef welke huur hij ontving maar dat de stortingen op de bank de huuropbrengst vormden; dat hij geen dagstaten meer heeft; dat de dames voor hun verjaardag een week gratis gebruik kregen; dat hij twee mensen aan het werk had om de kamers na te lopen en de huur te innen en dat soms F dit deed; dat hij zelf inkomsten had uit G B.V.

H heeft nog verklaard dat de moorden plaatsvonden 3 februari 1996, 3 november 1997 en 8 december 1998; dat na deze moorden steeds een week gratis gebruik werd gegeven; dat F zorgde dat eerst zijn eigen kamers verhuurd werden en daarna die van belanghebbende; dat de verkopers hun exploitatierechten hebben teruggenomen; dat hij de boekhouding heeft gereconstrueerd aan de hand van de van justitie terugontvangen stukken. Voorts heeft H een overeenkomst tussen B N.V. en belanghebbende overgelegd en een stuk waaruit valt af te leiden dat C B.V. wegens goodwill f 290.000,- te vorderen heeft van belanghebbende.

De inspecteur heeft nog verklaard dat 90% van de kamers f 150,- per dag opbrengt; dat belanghebbende gelet op de grote afwijking tussen aangegeven en berekende omzet moet bewijzen dat de aangifte juist is.

3.1. De inspecteur heeft op basis van de onder 1.2 genoemde uitgangspunten de aangegeven omzet en daarmee het belastbare bedrag verhoogd met f 400.000,-; hij heeft het belastbare bedrag vastgesteld op f 372.486,-. De inspecteur heeft de in de jaarstukken berekende kosten en afschrijvingen niet gecorrigeerd.

3.2. Het Hof acht de hoogte van het belastbare bedrag niet te hoog vastgesteld. Daarbij acht het Hof het volgende van belang:

- belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de huur per kamer f 125,- per dag was doch hij heeft deze stelling niet nader onderbouwd aan de hand van enig stuk;

- belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat hij de dames huurvrije dagen gaf maar ook deze stelling heeft hij op geen enkele wijze nader onderbouwd;

- belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat hij betalingen heeft gedaan ter verwerving van exploitatierechten doch van enige daadwerkelijke betaling heeft hij geen enkel stuk overgelegd, evenmin als van enige huurbetaling; het Hof acht aftrek van een bedrag ter zake van afschrijving (berekend was f 86.830,-), financiering (berekend was f 33.775,-) van dergelijke rechten dan wel huur dan ook niet gerechtvaardigd;

- belanghebbende heeft geen nadere onderbouwing gegeven van het feit dat er sprake zou zijn geweest van meer kosten dan in zijn jaarrekening opgenomen;

- belanghebbende heeft niet inhoudelijk gereageerd op de na de zitting aan hem toegezonden stukken.

4. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

De uitspraak is gedaan op 26 februari 2001 door mr. Boersma, Vrouwenvelder en Rijkels, in tegenwoordigheid van mr. Trippert als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van de mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.