Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0430

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/02060
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1989 met dagtekening 31 december 1994.

De inspecteur maakt aannemelijk dat belanghebbende in 1989 in Nederland belastingplichtig was. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld is voor deelname in de periode van mei 1988 tot en met januari 1996 aan een organisatie met als oogmerk het binnen en buiten Nederland brengn en verkopen en afleveren en vervoeren van grote hoeveelheden hasj en voor het in 1989 binnen Nederland brengen van een omvangrijke partij hasj. Voorts woonden de dochters en concubine in Nederland. Belanghebbende had economische en persoonlijke banden met Nederland.

Belanghebbende heeft zich op 30 september 1988 laten uitschrijven uit het Centraal Persoonsregister en is sedertdien niet meer in persoonsregisters in Nederland opgenomen.

Aannemelijk is dat belanghebbende alles in het werk heeft gesteld om zijn feitelijke binnenlandse woonplaats te verhullen voor o.a. de belastingdienst.

De inspecteur mocht zich onder de gegeven omstandigheden voor het uitreiken van het aanslagbiljet wenden tot een vertegenwoordiger van belanghebbende. Uit berichtgeving in dagbladen had de inspecteur begrepen, en mocht dat ook begrijpen naar ’s Hofs oordeel, dat F optrad als raadsman van belanghebbende in strafzaken. De inspecteur heeft op 28 december 1994 een duplicaat van het onderhavige aanslagbiljet, met andere aanslagen, uitgereikt aan F.

Op 29 december 1994 heeft F een strafklacht wegens knevelarij ingediend tegen de belastingdienst.

Gelet op artikel 6 van de Gedragsregels voor advocaten acht het Hof niet aannemelijk dat F de klacht wegens knevelarij heeft ingediend en bekendgemaakt in dagbladen zonder medeweten en instemming van belanghebbende. De aanslag is rechtsgeldig uitgereikt.

F heeft bij brief van 30 december 1994 tijdig bezwaar ingesteld.

Na verzoek van de inspecteur om toezending van een machtiging door F deelt F in januari 1995 mede dat hij zich niet als gemachtigde van belanghebbende beschouwt.

In een brief van 9 april 1997 bericht de inspecteur aan F dat de door F ingediende stukken niet zijn aan te merken als bezwaarschriften.

De inspecteur heeft voldoende aangetoond dat het aan belanghebbende (die in 1995 en begin 1996 nog niet was gedetineerd) zelf te wijten is dat geen machtiging is overgelegd.

De bewoordingen van de inspecteur in de brief van 9 april 1997 laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de inspecteur schriftelijk heeft geweigerd een besluit te nemen in de zin van artikel 6:2 Awb. Dit schrijven is gelijkgesteld met een besluit. Weliswaar is geen rechtsmiddel vermeld doch belanghebbende had tegen dat besluit op de voet van artikel 8:1 Awb beroep moeten instellen bij het Hof.

De inspecteur heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij diende te besluiten tot weigering van het doen van een uitspraak. De inspecteur had uitspraak moeten doen op het bezwaarschrift van 30 december 1994 in dier voege dat hij het bezwaar niet ontvankelijk had dienen te verklaren nu dat was ingediend door een fiscaal onbevoegde vertegenwoordiger.

Bij brief van 15 februari 2000 heeft de gemachtigde de inspecteur schriftelijk medegedeeld dat hij pro forma bezwaarschriften indient tegen onder meer de onderhavige navorderingsaanslag. Niet vermeld is dat reeds eerder bezwaar is ingesteld dat thans wordt bekrachtigd. De inspecteur had het schrijven van 15 februari 2000 dienen aan te merken als een beroepschrift dat is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan conform artikel 6:15 Awb. De inspecteur heeft niet voldaan aan zijn doorzendplicht doch op 5 juni 2000 een als uitspraak aangeduid besluit genomen waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding.

Vaststaat dat het beroepschrift niet bij de inspecteur is ingekomen binnen de termijn van zes weken na 9 april 1997. Het Hof acht, mede gelet op mededelingen van een psychiater, voldoende aannemelijk dat belanghebbende psychisch niet in staat was om adequaat te reageren op belastingaanslagen. Redelijkerwijs kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende is verzuim is geweest. Het op 15 februari 2000 ingediende beroepschrift is tijdig.

De inspecteur heeft bij het besluit van 9 april 1997 ten onrechte geweigerd uitspraak te doen op het tijdig ingediende bezwaarschrift van 30 december 1994. De inspecteur had het bezwaar niet ontvankelijk dienen te verklaren nu van de zijde van belanghebbende op voor zijn ricico komende gronden geen geldige machtiging aan de inspecteur is verstrekt.

Het Hof verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/336
FutD 2001-0453 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X, verblijvende te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie en beroepschrift ontvangen op 13 juni 2000, ingediend door mr als zijn gemachtigde, en gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 5 juni 2000 betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 1989.

Aan belanghebbende is voor het onderhavige jaar oorspronkelijk een aanslag opgelegd die nihil beloopt. De navorderingsaanslag, opgelegd met dagtekening 31 december 1994, is berekend naar een belastbaar inkomen van f.231.396.300. De nagevorderde belasting is verhoogd met een boete van 100%. Na bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak het bezwaar niet ontvankelijk verklaard.

Bij ambtshalve gegeven beschikking van 30 september 1999 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag verminderd tot een die is berekend naar een belastbaar inkomen van f.104.796.428 met een boete van 100%.

Het beroep, dat is aangevuld bij schrijven van de gemachtigde van 17 juli 2000 strekt tot vernietiging van de uitspraak en ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 1 november 2000 zijn verschenen de gemachtigde voornoemd en mr namens de inspecteur, tot bijstand vergezeld van mr en mr.

Voorts is ter zitting A verschenen als getuige/deskundige. Van het verhoor van deze getuige/deskundige is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is gezonden tezamen met de onderhavige uitspraak.

Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

Ter zitting is tevens behandeld het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de inspecteur betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991, kenmerk 00/02061. Al hetgeen in de onderhavige procedure is aangevoerd geldt ook voor de procedure met kenmerk 00/02061 en omgekeerd.

Het beroep is versneld behandeld op de voet van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 0000, is op 30 september 1988 afgevoerd van het Centraal Persoonsregister wegens vertrek naar a-land ; sedertdien is hij niet meer in een van de persoonsregisters van Nederland opgenomen. Belanghebbende heeft bij zijn uitschrijving geen adres in a-land opgegeven.

2.2. In 1991 is door de FIOD/Douanerecherche en de Regiopolitie onder de naam ‘B’ een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen een criminele organisatie die ervan verdacht werd zich sedert medio jaren tachtig bezig te houden met het op grote schaal vervoeren van hasj vanuit b-land naar Nederland en c-land. Belanghebbende werd ervan verdacht leiding te geven aan deze criminele organisatie. In het kader van voormeld onderzoek is onder meer tegen belanghebbende een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld.

2.3. In de tweede helft van het jaar 1994 verschenen er diverse krantenberichten over de onder 2.2. vermelde criminele organisatie die werd aangeduid als ‘C’ en waarvan belanghebbende als de leider werd beschouwd. Uit de krantenberichten, die in kopie als bijlage 3 bij het verweerschrift zijn gevoegd, komt naar voren dat mr E en mr F optraden als raadsman van belanghebbende.

2.4. Op 30 januari 1992 zijn door de inspecteur aan belanghebbende aangiftebiljetten inkomstenbelasting respectievelijk inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor de jaren 1989 en 1990 gezonden aan het adres d-weg 26 in Z. Deze biljetten zijn niet terugontvangen door de inspecteur. Datzelfde geldt voor het later verzonden aangiftebiljet voor het jaar 1991.

Voor het onderhavige jaar heeft de inspecteur de aanslag vastgesteld met dagtekening 31 december 1992 en daarbij het belastbare inkomen ambtshalve, bij gebrek aan concrete gegevens, bepaald op nihil.

2.5. Op 21 december 1994 ontving de inspecteur een rapport van de FIOD/Douanerecherche betreffende belanghebbende; een kopie van dit rapport is als bijlage 4 bij het verweerschrift gevoegd. De uitkomst van dit rapport was voor de inspecteur aanleiding de onderhavige navorderingsaanslag op te leggen. De navorderingsaanslag is gedagtekend 31 december 1994 en is opgelegd met een verhoging van 100 procent van de nagevorderde belasting.

De navorderingsaanslag is toegelicht in een brief van de inspecteur aan belanghebbende van 23 december 1994 (bijlage 5 bij het verweerschrift). In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

‘Naar aanleiding van diverse publicaties en berichten in de media alsmede overige mij ter

beschikking staande informatie, is het vermoeden gerezen dat u activiteiten heeft ontplooid

bestaande uit de handel in verdovende middelen en het leiding geven aan een organisatie met

inkomsten uit mij onbekende bronnen.

(…..)

De hierboven beschreven aan u toegeschreven feiten leiden tot de conclusie dat door u

opzettelijk geen aangifte is gedaan van inkomsten van zeer omvangrijke aard, waarvan u

wist of behoorde te weten dat daarover belasting, premies volksverzekeringen en

vermogensbelasting verschuldigd zouden zijn.

(…..)

Door uw gebrek aan handelen ten aanzien van het aanvragen van de aangifte vermogens-

belasting, alsmede het verzwijgen van uw inkomen door de uitgereikte aangifte

inkomstenbelasting 1989 niet in te dienen, heeft u willens en wetens het risico geschapen dat

zowel verhoudingsgewijs als absoluut een groot bedrag aan te heffen belasting aan de

nederlandse fiscus is ontgaan. Hierdoor is sprake van voorwaardelijke opzet. Aangezien

het resultaat van de hierboven beschreven gedragingen zich laat aanmerken als een

omvangrijke en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude zal ik geen kwijtschelding van de

boete verlenen.

(…..).’

2.6. De aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 is eveneens met dagtekening 31 december 1994 opgelegd.

2.7. Zowel het onderhavige aanslagbiljet als het aanslagbiljet voor het jaar 1991 zijn met de hiervoor onder 2.5. weergegeven toelichting op 23 december 1994 aangetekend gezonden aan het adres d-weg 26 te Z. Op 27 december 1994 heeft de inspecteur de betreffende enveloppen retourontvangen met daarop een aantekening van de postbesteller dat hij op 24 december 1994 geen gehoor heeft gekregen en de vermelding ‘niet afgehaald’.

2.8. Op 28 december 1994 heeft een medewerker van de eenheid van de inspecteur een gesloten enveloppe inhoudende duplicaataanslagbiljetten van de navorderingsaanslag inkomstenbelasting voor het onderhavige jaar 1989 en van de aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1991 met de bijbehorende correctiebrieven (zie 2.5. hiervoor) persoonlijk overhandigd aan mr F, advocaat. Laatstgenoemde heeft vóór de overhandiging tegenover de betreffende belastingdienstmedewerker mondeling bevestigd dat hij op dat moment de advocaat van belanghebbende was. De belastingdienstmedewerker heeft mr F verzocht de enveloppe door te geleiden aan belanghebbende. Mr F heeft de enveloppe in ontvangst genomen.

Vorengenoemde medewerker van de belastingdienst heeft van zijn bevindingen verslag gedaan in een brief van 2 januari 1995 gericht aan de inspecteur; een kopie van deze brief is als bijlage 10 bij het verweerschrift gevoegd. De inhoud luidt als volgt:

‘Ondergetekende, ….., werkzaam als Hoofdcommies van ’s-Rijksbelastingen bij de Eenheid

Z verklaart op gelofte, afgelegd bij de aanvang van zijner

bediening, d.d. 28/12/94 een tweetal enveloppen te hebben overhandigd aan Mr.F

van het Advocatenkantoor F C.S., oolaan te Z.

Eén envelop was geadresseerd, de heer X, p/a F c.s. De ander aan Mr.F

persoonlijk.

Ten tijde van het uitreiken is ondergetekende een beleefdheidsgesprek begonnen. Mr.

F reageerde hierop met de navolgende, zo goed mogelijk weergegeven mededeling:

Och, je loopt tegen zulke jongens aan. Het zijn meestal gezellige figuren Van X (met

X wordt volgens ondergetekende bedoeld belanghebbende) krijg ik wel eens een uitnodiging

voor een etentje. Van betalen is dan uiteraard geen sprake. Ook krijg ik van X wel eens

een uitnodiging om te gaan zeilen. Hij heeft een boot van zeker 20 meter.

Ondergetekende reageerde hierop met de mededeling, dat wanneer sprake is van een

regelmatig contact, uw cliënt toch in Nederland woont. Mr. F reageerde hier niet

eenduidig op.

Als slot heeft ondergetekende nog gevraagd naar bewijzen waarmee Mr. F kon

aantonen, advocaat te zijn van X. Na deze vraagstelling belde Mr. F naar een

medewerker met verzoek hem het dossier van de XX te brengen.

Gezien ondergetekendes vragende gezicht, en gelet op het feit, dat op dat moment de

medewerker van Mr. F binnenkwam, vertelde Mr. F dat hij werd afgeluisterd.

Hij gaf zijn medewerker de opdracht luid en duidelijk te spreken met de opmerking ‘Anders

hoort de politie ons niet.’

Na deze episode toonde Mr. F een machtiging, waaruit 2 punten bleken:

a. het woonadres van de heer X en wel yy in e-land

b. een machtiging om als advocaat voor de heer X op te treden

Desgevraagd wilde hij ondergetekende geen fotocopie verstrekken van deze machtiging,

wel stelde hij een verklaring van ontvangst op.’

Als bijlage bij voormelde verklaring is een kopie gevoegd van een verklaring van mr F van 28 december 1994 met de volgende inhoud:

‘Ondergetekende verklaart van de heer …. van de belastingdienst Amsterdam te hebben

ontvangen een aan ondergetekende gerichte brief inzake zijn cliënt X alsmede

een enveloppe met onbekende inhoud, bestemd voor de heer X. Mr. E

is niet de advocaat van de heer X, doch zulks is ondergetekende.’

2.9. Bijlage 11 bij het verweerschrift omvat een aantal kopieën van artikelen in landelijke dagbladen van 00-00-00. In een artikel in het ooblad van 00-00-00 is onder meer het volgende vermeld:

‘De Belastingdienst heeft afgelopen week bij X.’s raadsman voor ruim 540 miljoen gulden

aan navorderingen gedeponeerd over 1989 en 1991. (...)

X, die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft in Nederland, moet het astronomische

bedrag voor 31 januari 1995 aan de fiscus betalen. Mr F, de Zse

raadsman van X., heeft dit gisteren bevestigd.

(…..)

De belastingdienst heeft de aanslagen bij de advocaat van X gedeponeerd. omdat de

verblijfplaats van zijn cliënt kennelijk onbekend is. In de bijgevoegde brief, met als

briefhoofd ‘Aanslagregeling voor uw cliënt’, stelt de belastinginspecteur dat hij

advocaat F ‘wat correspondentie’ doet toekomen met het verzoek deze aan

X. ‘bekend te maken’.’

In een artikel in 00-blad van 00-00-00 komt onder andere het volgende voor:

‘F noemt de aanslag ‘volkomen uit de lucht gegrepen’ en spreekt van ‘een

belachelijk kerstcadeautje’. Hij is van plan een klacht in te dienen. “Ik ga dat team

aanklagen wegens knevelarij; dat is de term als sprake is van een ambtsmisdrijf.” ‘

2.10. Op 29 december 1994 heeft mr F bij de hoofdofficier van justitie te Z een strafklacht ingediend tegen de belastingdienst wegens knevelarij.

2.11. Bij schrijven van 30 december 1994 heeft mr F zich tot de inspecteur gewend (bijlage 12 bij het verweerschrift). In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

‘Va[n] uw medewerker de heer ..... vernam ik dat opgemelde kwestie onder uw

verantwoordelijkheid berust. In uw opdracht is klaarblijkelijk dan ook aan mij een schrijven

uitgereikt op 28 dezer door de heer ....., waarin wordt gesugereerd dat de bijgesloten

enveloppen “wat hem -lees mijn cliënt de heer X- aangaande correspondentie” bevat.

Ik heb geconstateerd dat deze “correspondentie” in werkelijkheid bestaat uit:

1. een navorderingsaanslag IB 1989 ad. f 384.352.788,-

2. een navorderingsaanslag PH 1989 ad. f 35.581,-

3. een navorderingsaanslag VB 1990 ad. f 3.690.360,-

4. een aanslag IB/PH 1991 ad. f 152.358.171,-

5. een aanslag VB 1992 ad. f 1.756.188,-

Totaal f 542.193.088,-

Uit de niet ondertekende bijlagen blijkt dat u zich op het standpunt stelt dat uit publicaties en

berichten in de media en overige u ter beschikking staande informatie een rechtsgeldig

vermoeden zou bestaan dat mijn cliënt leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie

met inkomsten uit u onbekende bronnen alsmede activiteiten heeft ontplooid bestaande uit

handel in verdovende middelen, welke inkomsten u voor het jaar 1989 stelt op

f.231.396.300,-.

U stelt vervolgens dat cliënt een aangiftebiljet IB 1989 zou zijn uitgereikt hetgeen ook na

aanmaning niet zou zijn ingeleverd met als gevolg het opleggen van een zgn. ambtshalve

aanslag, waarvan u stelt dat “inmiddels is gebleken dat deze aanslag ten onrechte op nihil

is gesteld”.

Uit uw brief blijkt voorts dat u het standpunt inneemt dat cliënt opzettelijk aangifte van

inkomsten van zeer omvangrijke aard achterwegen heeft gelaten en dit verzwijgen van

inkomen merkt u aan als een omvangrijke fraude waarin u aanleiding vindt cliënt een

boete op te leggen van 100% zonder kwijtschelding.

Uw aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991/vermogensbelasting 1992

stelt u op basis van dezelfde gegevens vast op een gelijk inkomen voor dat jaar alsmede stelt

u het vermogen vast op f.200.000.000,-

(.....)

Het is u (inmiddels) ambtshalve bekend dat cliënt sedert 30 september 1988 geen

Nederlands ingezetene meer is. Onder verwijzing naar art. 4 AWR verzoek ik u mij mee

te delen waarom u van mening bent dat cliënt desalniettemin als belastingplichtige

aangemerkt wordt en in fiscale zin frauduleus zou hebben gehandeld.

(.....)

Aannemende dat slechts sprake is van administratieve afdoening deel ik u voorts het

volgende mede:

1. het adres d-weg 26 te Z is zover ik weet nimmer het adres van

cliënt geweest.

2. publicaties in de media, zeker waar geen hoor en wederhoor is toegepast, kunnen

nimmer grond vormen voor het opleggen van een aanslag.

3. de overige informatie waarvan u rept vermeldt u niet, ik verzoek u met kracht van

sommatie deze aan mij bekend te maken, waarbij ik voorzover nodig een beroep

doe op de Wet Openbaarheid van Bestuur.

4. Hoewel ik uitdrukkelijk het standpunt inneem namens cliënt dat opgemelde

aanslagen invalide en onrechtmatig zijn en zijn aan te merken als knevelarij

-ter zake waarvan ik een strafklacht heb ingediend- maak ik namens cliënt

ter behoud van rechten bezwaar tegen gemelde aanslagen.

5. Behoudens uw omgaand tegenbericht neem ik aan dat cliënt voor het gebruikelijke

uitstel in aanmerking komt.’

2.12. Bij brief van 4 januari 1995 berichtte de inspecteur mr F onder andere als volgt (bijlage 13 bij het verweerschrift):

‘In uw aan mij persoonlijk gerichte schrijven de dato 30 december 1994 deelt u mede dat u

ter behoud van rechten namens uw cliënt X bezwaar maakt tegen de opgelegde

(navorderings)aanslagen.

Alvorens inhoudelijk op uw schrijven in kan worden gegaan, verzoek ik u om mij binnen

zeven dagen na dagtekening van deze brief een door uw cliënt persoonlijk ondertekend

geschrift dan wel een schriftelijke verklaring uwerzijds te overleggen waaruit blijkt dat en

in hoeverre u gemachtigd bent om namens X op te treden. In deze volmacht dan

wel schriftelijke verklaring dienen uw bevoegdheden nauwkeurig te zijn omschreven.’

2.13. Op 19 januari 1995 bericht mr F de inspecteur:

‘Ingesloten hierbij retour “de correspondentie” van u aan mijn cliënt de heer X,

vergezeld van een vijftal brieven (bezwaren) van mijn hand in opgemelde kwestie.’

Voormelde vijf brieven, met dagtekening 18 januari 1995, zijn in kopie als bijlage 14 bij het verweerschrift gevoegd en zijn gelijkluidend met uitzondering van de aanhef waar het gaat om de betreffende belastingaanslagen, hiervoor onder 2.11. genoemd. De inhoud van de betreffende brieven luidt als volgt:

‘Bijgaand zend ik u het duplikaat van de in hoofde genoemde aanslag retour. Hierbij deel

ik u mede dat ik niet in het bezit ben van een door de heer X persoonlijk

ondertekende volmacht als bedoeld in uw brief van 4 januari 1995 en dat ik tot de conclusie

gekomen ben dat ik mijzelf in deze niet als gemachtigde van de heer X beschouw.

Voorts deel ik u mede dat de aanslag niet juist geadresseerd is en de belanghebbende niet

heeft bereikt.

Voor het geval mijn conclusie dat ik in deze geen gemachtigde van de heer X ben

onjuist zou zijn teken ik voor zoveel nodig namens de in hoofde genoemde belanghebbende

bezwaar aan tegen de bovengenoemde aanslag alsmede tegen de daarin begrepen verhoging

en heffingsrente.

Het bezwaar dient ter behoud van rechten van belanghebbende.

De aanslag is niet juist geadresseerd en zou reeds daarom behoren te worden vernietigd,

nog daargelaten de vermoedelijke inhoudelijke onjuistheid ervan.

Bij mijn weten heeft belanghebbende Nederland reeds lange tijd geleden, in ieder geval

voor het aanbreken van het jaar 1989, metterwoon verlaten en is sindsdien noch binnenlands,

noch buitenlands belastingplichtig.

Op grond van het vorenstaande wordt verzocht de aanslag integraal te vernietigen.

Verder verzoek ik onderbouwing van de uitgangspunten van de aanslag en overlegging van

berekeningen hoe het veronderstelde belastbare bedrag is opgebouwd, opdat het bezwaar

nader kan worden gemotiveerd. Tevens verzoek ik u te bewerkstelligen dat uitstel van

betaling wordt verleend totdat op dit bezwaarschrift is beslist.’

2.14. Op de brieven van mr F van 18 januari 1995 heeft de inspecteur gereageerd bij schrijven van 6 februari 1995 (bijlage 15 bij het verweerschrift). Hierin is onder meer het volgende vermeld:

‘Eén van de eisen waaraan een bezwaarschrift moet voldoen op straffe van niet-

ontvankelijkheid is dat het afkomstig moet zijn van iemand die daartoe bevoegd is.

Uit uw mededelingen in de eerste alinea van opgemeld schrijven concludeer ik dat u niet

beschikt over een volmacht als bedoeld in mijn schrijven van 4 januari 1995 en u zich in

deze ook niet als gemachtigde beschouwt.

Nu een bezwaar wordt ingediend door een andere persoon dan de aangeslagene en er geen

sprake is van vertegenwoordiging in de zin van artikel 41 van de Algemene wet inzake

rijksbelastingen (AWR) juncto artikel 2:1 lid 2 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB),

zal het bezwaarschrift van uw hand gedagtekend 30 december 1994, waarin u bezwaar

maakt tegen de opgelegde (navorderings)aanslagen ten name van uw cliënt X,

niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het bovenstaande geldt mutatis mutandis voor uw brieven van 18 januari 1995.

Ik voel mij dan ook niet gehouden op de verdere inhoud van voornoemde brieven te

reageren.

(.....)

Aangezien u aan een belastingambtenaar inzage heeft gegeven in uw machtiging om als

advocaat voor uw cliënt op te treden en derhalve als zaakwaarnemer in juridische zaken

gezien kunt worden, verzoek ik u om er bij uw cliënt op aan te dringen dat hij u of een

ander vóór het verstrijken van de bezwaartermijn van 6 weken na dagtekening van de

opgelegde (navorderings)aanslagen alsnog machtigt om op te treden als vertegenwoordiger

in de zin van artikel 41 AWR juncto 2:1 lid 2 AWB. Bedoelde vertegenwoordiger kan

binnen de bezwaartermijn alsnog een ontvankelijk bezwaarschrift indienen.

Ik maak u er overigens op attent dat degene die niet binnen het Rijk een vaste woonplaats

of verblijfplaats heeft in bezwaarschriften domicilie dient te kiezen binnen het Rijk.’

2.15. In een brief van 7 maart 1995 (bijlage 16 bij het verweerschrift) bericht de inspecteur mr F onder meer als volgt:

‘In uw brief van 18 februari 1995 deelde u mede dat u niet beschikt over een volmacht als

bedoeld in mijn schrijven van 4 januari 1995 en u zich in deze ook niet als gemachtigde

beschouwt.

Inmiddels is de wettelijke bezwaartermijn van 6 weken verstreken en heeft u nog immer

geen volmacht overlegd waaruit blijkt dat en in hoeverre u gemachtigd bent om namens

uw cliënt in fiscale zaken op te treden.

Ik stel u nog éénmaal in de gelegenheid om de door mij gevraagde volmacht dan wel

verklaring te over leggen. Indien deze volmacht dan wel verklaring niet uiterlijk op 15

maart 1995 in mijn bezit is, zal ik de ingediende bezwaarschriften van uw hand niet-

ontvankelijk verklaren.’

2.16. Op 21 januari 1996 is belanghebbende aangehouden door de politie op verdenking van overtreding van de Opiumwet en het leiding geven dan wel deelnemen aan een criminele organisatie. Op 22 januari 1996 is belanghebbende overgebracht naar de Tijdelijk Extra Beveiligde Inrichting (hierna: TEBI) van de Penitentiaire Inrichting Nieuw-Vosseveld te Vught. Hij heeft daar verbleven tot en met 15 april 1998.

2.17. In een brief van 15 oktober 1996 (bijlage 20 bij het verweerschrift) die is geadresseerd aan belanghebbende aan het adres van de TEBI bericht de inspecteur belanghebbende als volgt:

‘Namens u zijn bezwaarschriften ingediend tegen de aan u opgelegde aanslagen inkomsten-

belasting 1989 en 1991 alsmede vermogensbelasting 1990 en 1992. Deze bezwaarschriften

zijn ingediend door een persoon die tot op heden geen machtiging uwerzijds kan overleggen.

Middels dit schrijven vezoek ik u om mij vóór 31 oktober 1996 te berichten of en in hoeverre

u uw fiscale aangelegenheden persoonlijk wenst af te handelen dan wel of u deze door een

vertegenwoordiger wenst te laten behartigen.

Indien u voor het laatste kiest, verzoek ik u om kenbaar te maken wie uw vertegenwoordiger

zal zijn. U dient er zorg voor te dragen dat deze vertegenwoordiger over een door u

ondertekende schriftelijke volmacht met daarin duidelijk omschreven bevoegdheden

beschikt.’

2.18. Bij telefaxbericht van 4 november 1996 bericht mr G van G

Advocaten de inspecteur als volgt (bijlage 21 bij het verweerschrift):

‘De heer X overhandigde mij Uw -ongetekend- schrijven d.d. 15 oktober 1996.

Namens cliënt kan ik U berichten dat U correspondentie voor hem bestemd kunt richten

aan mijn adres. Te zijner tijd hoop ik U dan te kunnen berichten of hij zelf zijn fiscale

aangelegenheden zal afhandelen of dat hij dat door een ander/anderen zal laten doen.

Onder voorbehoud van alle rechten van cliënt, o.m. het recht om op de inhoud van Uw

brief nog terug te komen.’

In reactie hierop stuurt de inspecteur een brief met dagtekening 7 november 1996 aan belanghebbende in de TEBI met de volgende inhoud (bijlage 22 bij het verweerschrift):

‘Op 4 november 1996 ontving ik een faxbericht van advocaat mr. G die

stelt namens u te kunnen berichten dat de voor u bestemde correspondentie aan zijn adres

gericht kan worden (zie bijlage 1).

Uit oogpunt van zorgvuldigheid dient -alvorens aan het verzoek van mr.G

tegemoet kan worden gekomen- een door u ondertekende schriftelijke verklaring te worden

overgelegd, waaruit uw uitdrukkelijke toestemming voor toezending aan het adres van

mr.G blijkt.

Gelieve bijgevoegd verzoek te ondertekenen en binnen 7 dagen na dagtekening van deze

brief te retourneren aan bovenvermelde eenheid van de Belastingdienst.

Daartoe kunt u de bijgevoegde portvrije enveloppe gebruiken.

Aangezien u niet kenbaar heeft gemaakt dat u uw fiscale aangelegenheden door een

vertegenwoordiger wenst te laten behartigen- zullen correspondentie, aanslagen en

uitspraken op bezwaarschriften aan u persoonlijk worden gericht.

Indien u er alsnog voor kiest om uw fiscale aangelegenheden door een vertegenwoordiger

te laten behartigen, dient u er zorg voor te dragen dat deze vertegenwoordiger over een door

u ondertekende schriftelijke volmacht met daarin duidelijk omschreven bevoegdheden

beschikt.’

Gedagtekend 7 november 1996 bericht de inspecteur mr G onder meer dat hij belanghebbende heeft uitgenodigd om een schriftelijk verzoek om wijziging van het toezendadres in te dienen. Voorts schrijft de inspecteur: ‘Uit oogpunt van zorgvuldigheid dient -alvorens aan uw verzoek tegemoet kan worden gekomen- een door uw cliënt

ondertekende schriftelijke verklaring te worden overgelegd, waaruit diens uitdrukkelijke toestemming voor toezending aan uw adres blijkt.' (bijlage 23 bij het verweerschrift).

2.19. In een schrijven van de inspecteur van 14 november 1996 (bijlage 24 bij het verweerschrift) aan belanghebbende in de TEBI is onder meer het volgende vermeld:

‘Uit bij de Belastingdienst bekend zijnde gegevens valt evenwel op te maken dat u sedert

30 september 1988 nog regelmatig in Nederland vertoefde.

Om vast te stellen of u in de onderhavige jaren (fiscaal) daadwerkelijk in a-land,

e-land dan wel elders woonachtig was, verzoek ik u de navolgende vragen

schriftelijk te beantwoorden:

[Hof: volgen 27 vragen]’

Bij brief van 16 december 1996 (bijlage 25 bij het verweerschrift) bericht de inspecteur belanghebbende dat hij tot nu toe de gevraagde informatie met betrekking tot de fiscale woonplaats niet heeft verstrekt en dat de inspecteur de bezwaarschriften naar eigen inzicht zal afhandelen als de betreffende informatie niet is ontvangen vóór 3 januari 1997.

2.20. Op 5 maart 1997 bericht mr G de inspecteur als volgt (bijlage 27 bij het verweerschrift):

‘Cliënt, de heer X, thans verblijvende in de penitentiaire inrichting “Nieuw

Vosseveld” te Vught, ontving een aantal aanslagen, dwangbevelen en aangifte

formulieren.

Bovendien ontving cliënt van U bij schrijven van 14 november 1996 een vragenformulier.

De heer X wenst er op te wijzen, dat hij niet woonachtig is in Nederland en voorts

ook niet belastingplichtig is in Nederland. Ik verwijs daartoe naar de bijlagen A t/m E.

Op grond daarvan behoeven de overige vragen in Uw genoemde brief geen nadere

beantwoording. Mocht u van een ander oordeel zijn, dan verneem ik dat onder opgave

van redenen.

Voorts verzoek ik U mij een volledig overzicht te verstrekken van de stand van zaken

bij de diverse aanslagen en aangiften.’

2.21. In een schrijven van 9 april 1997 (bijlage 28 bij het verweerschrift) deelt de inspecteur het volgende mede aan mr. G:

‘Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw brief van 5 maart 1997.

Wij hebben op 15 oktober 1996 aan de heer X verzocht om zijn gemachtigde in

fiscale zaken aan ons kenbaar te maken.

Op dit verzoek hebben wij geen antwoord ontvangen.

U heeft op 4 november 1996 verzocht om de correspondentie aangaande de heer X

in het vervolg aan u te richten. Bevestiging van dit verzoek, door middel van een verzoek

tot wijziging toezendadres, door de heer X zelf is uitgebleven.

Mede gezien de verdere inhoud van uw brief van 4 november zal ik er derhalve vanuit

moeten gaan dat u in deze niet de gemachtigde van de heer X bent. Indien deze

conclusie onjuist is verzoek ik u mij een kopie van uw machtiging toe te zenden.

In uw brief vraagt u naar de aangelegenheden van de heer X. Ik kan deze informatie

bij gebrek aan een machtiging niet aan u verstrekken.

Ik heb heden mogelijk ten overvloede een kopie van uw brief en deze brief aan de heer

X verzonden met het verzoek mij mede te delen of en in hoeverre u namens hem

gemachtigd bent om hem in het fiscale te vertegenwoordigen.’

2.22. In een schrijven van eveneens 9 april 1997 aan mr F (bijlage 29 bij het verweerschrift) deelt de inspecteur het volgende mede:

‘Naar aanleiding van de door u op 31 december 1994 ingediende stukken, die door u

bezwaarschriften genoemd zijn, inzake de aanslagen:

Inkomstenbelasting 1989 nr ......

Premieheffing 1989 nr .....

Vermogensbelasting 1990 nr ....

Inkomstenbelasting/Premieheffing nr .....

Vermogensbelasting 1992 nr .....

ten name van de heer X deel ik u het volgende mede:

U hebt tot op heden geen machtiging overgelegd waaruit uw bevoegdheid tot het indienen van bezwaarschriften namens de belanghebbende bleek. Belanghebbende heeft ons tot op heden niet bericht dat hij beschikt over een gemachtigde.

Ik stel mij derhalve op het standpunt dat de door u ingediende stukken niet zijn aan te merken als bezwaarschriften.

Ik zal dan ook geen uitspraak doen.

Bij deze sluit ik de correspondentie inzake belanghebbende met u.’

Ook bij brief van 9 april 1997 heeft de inspecteur zich tot belanghebbende in de TEBI gewend (bijlage 30 bij het verweerschrift). Daarin is het volgende vermeld:

‘Hierbij doe ik u kopieën van de correspondentie die ik heb gevoerd met mr. G

toekomen.

Ik verzoek u mij een machtiging te sturen om deze brief te beantwoorden en de gevraagde

informatie te verstrekken. Indien u inmiddels een fiscaal gemachtigde heeft aangewezen

verzoek ik u mij de inhoud van die machtiging en de personalia van de gemachtigde te

verstrekken.

Ook doe ik u een kopie toekomen van mijn brief aan mr. F.

Zonder bericht uwerzijds zal ik verder niet op correspondentie van enigerlei zijde ingaan.’

2.23. Bijlage 31 bij het verweerschrift bevat de volgende brieven:

Een brief van mr G aan de inspecteur van 6 mei 1997 met de volgende inhoud:

‘Wat betreft Uw brief d.d. 9 april 1997 diene als volgt:

Zoals U bekend is mijn cliënt, de heer X, gedetineerd in Nieuw Vosseveld te Vught,

afd. TEBI.

Mede doordat hij daar sedert ongeveer anderhalf jaar onder welhaast onmenselijke

omstandigheden moet verblijven, acht hij zich niet in staat zelf adequaat over belasting

(en andere) zaken na te denken.

Terzijde merk ik nog op dat (ook) Uw standpunt ten aanzien van mr. F mij

bepaaldelijk onjuist lijkt.’

Een brief van 7 mei 1997 van de inspecteur aan belanghebbende met de volgende inhoud:

‘Hierbij doe ik u kopieën van de correspondentie met uw advocaat mr. G.

toekomen.’

Een brief van 7 mei 1997 van de inspecteur aan mr G met de volgende

inhoud:

‘Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw brief van 6 mei 1997.

Uit uw brief concludeer ik dat u niet gemachtigd bent om de heer X in het fiscale

te vertegenwoordigen. Ik zal derhalve mijn correspondentie rechtstreeks aan de heer

X blijven zenden.’

2.24. Bij vonnis van 7 februari 1997 van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. (bijlage 26 bij het verweerschrift).

2.25. Bij arrest van 30 januari 1998 van het Gerechtshof te Amsterdam is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 jaren en 6 maanden en een geldboete van één miljoen gulden. Ten laste van belanghebbende is onder meer bewezen verklaard:

1. dat hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 1988 tot en met 21 januari 1996 heeft

deelgenomen aan een organisatie welke organisatie tot oogmerk had het opzettelijk

binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen en verkopen en afleveren

en vervoeren van grote hoeveelheden hasj;

2. dat hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 1988 tot en met 31 december 1988 in

Nederland te zamen en in vereniging met anderen, opzettelijk vanaf volle zee binnen

het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer vijftienduizend kilogram

hasj;

3. dat hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1989 tot en met 31 december 1989

te zamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van

Nederland heeft gebracht ongeveer achtenvijftigduizend kilogram hasj;

en

dat hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1989 tot en met 31 december 1989

te zamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en opzettelijk binnen het grondgebied van Canada heeft

vervoerd ongeveer zesentwintigduizend kilogram hasj.

4. dat hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 1990 tot en met 31 juli 1991 te zamen

en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Portugal heeft

vervoerd ongeveer honderd achttienduizend kilogram hasj

en

dat hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 1990 tot en met 31 juli 1991 te Canada,

te zamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Canada

heeft vervoerd ongeveer vijfenvijftigduizend kilogram hasj.

Op 16 april 1998 is belanghebbende overgeplaatst van de TEBI naar de Penitentiaire Inrichting Lelystad te Lelystad.

Bij arrest van 6 april 1999 heeft de Hoge Raad der Nederlanden het beroep in cassatie tegen voormeld arrest van het Gerechtshof verworpen.

Het arrest van het Gerechtshof en het arrest van de Hoge Raad zijn als bijlagen 32 en 34 bij het verweerschrift gevoegd.

2.26. Bij ambtshalve gegeven beschikking van 30 september 1999 heeft de inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f.104.796.428; voorts heeft de inspecteur besloten de boete te handhaven op 100 procent van de nagevorderde belasting.

Bij ambtshalve gegeven beschikking van eveneens 30 september 1999 heeft de inspecteur de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekering voor het jaar 1991 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f.149.194.938.

Kopie van beide ambtshalve gegeven beschikkingen en de daarbij behorende toelichtingen zijn als bijlagen 35 en 36 bij het verweerschrift gevoegd.

Voormelde verminderingsbeschikkingen zijn op 30 september 1999 uitgereikt aan belanghebbende die toen verbleef in de Penitentiaire Inrichting in Haarlem. Belanghebbende weigerde de betreffende stukken in ontvangst te nemen. In verband met die weigering heeft de deurwaarder de stukken achtergelaten onder opmaking van een akte van betekening (bijlage 37 bij het verweerschrift).

2.27. Gedurende het laatste deel van zijn detentie in verband met zijn veroordeling (zie 2.25. hiervoor) diende belanghebbende zich in de periode van 23 juli 1999 tot 17 september 1999

in het kader van de zogenoemde dagdetentie elke ochtend te melden bij de penitentiaire inrichting waarna hij onder meer in de middaguren administratieve werkzaamheden verrichtte bij een advocatenkantoor te Amsterdam. Gedurende avonden, nachten en weekenden was belanghebbende vrij.

2.28. Op 17 september 1999 is belanghebbende voor zes maanden in vervangende hechtenis genomen wegens niet betaling van de door het Gerechtshof opgelegde geldboete van f.1.000.000. Tijdens deze periode van hechtenis heeft belanghebbende enige malen een aantal dagen verlof gehad.

2.29. Op 13 januari 2000 heeft de Ontvanger van de Belastingdienst bij de Arrondissementsrecht te Amsterdam gevorderd dat onder meer de dwangbevelen betreffende

de onderhavige navorderingsaanslag en de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 door lijfsdwang ten uitvoer kunnen worden gelegd.

2.30. Bijlage 38 bij het verweerschrift is een kopie van een brief van 15 februari 2000 van de gemachtigde aan de inspecteur waarin onder andere het volgende is vermeld:

‘Tot mij heeft zich gewend de heer X, verblijvende in het Huis van Bewaring te

Haarlem, met het verzoek zijn belangen te behartigen in een door de Ontvanger van uw

dienst bij de Rechtbank te Amsterdam aanhangige gemaakte prodecure. In het kader van

die procedure ontving ik op 10 februari jongstleden de conclusie van eis met produkties,

waaraan de ten name van cliënt gestelde navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1989

(H97) en primaire aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991 (H16)

bleken te zijn gehecht. Cliënt kan zich hiermede niet verenigen en derhalve treft u

ingesloten proforma-bezwaarschriften tegen deze aanslagen aan.

Genoemde aanslagen zijn gedateerd op 31 december 1994, doch zijn niet op de

voorgeschreven wijze aan cliënt bekend gemaakt. Blijkens de adressering zijn zij verstuurd

naar het adres a-weg 126 te Z, doch dat is nimmer het adres van cliënt

geweest. In dit verband verwijs ik tevens naar uw brieven d.d. 30 september 1999, welke

eveneens aan genoemde conclusie van eis waren gehecht. Daaruit blijkt dat u zich kennelijk

bewust was van de onjuiste adressering, gelet op het feit dat u die aanslagen tevens zond aan

de advocaat mr F. Uit diezelfde brieven blijkt echter dat mr F niet als

gemachtigde van X kon worden beschouwd.

(.....)

Het verblijf in de TEBI, in combinatie met de intensieve strafrechtelijke procedure en het

publiciteitsoffensief hebben de geestelijke gesteldheid van X op ernstige wijze

aangetast. De gevolgen waren van dien aard, dat hij het psychisch niet aan kon om kennis

te nemen van zijn fiscale problemen. Dit was de oorzaak van het feit dat hij weigerde om van

uw dienst afkomstige stukken te ontvangen dan wel die stukken ongeopend retour zond.

Cliënt heeft zich ook onder behandeling van de psychiater/psycho-analyticus dr. A

te Z moeten stellen, wiens schrijven d.d. 14 februari 2000 (prod. 1) bevestigt dat

cliënt op psychische gronden geen kennis kon nemen van zijn belastingproblematiek.

Gelet op het bovenstaande stelt cliënt primair dat hij pas op 10 februari 2000, op welke

datum ik meergenoemde conclusie van eis met produkties ontving, kennis heeft genomen

van meergenoemde aanslagen over 1989 en 1991.

(.....)

Subsidiair meent cliënt dat aan hem een rechtsgeldig beroep op art. 6:11 van de Algemene

wet bestuursrecht (.....) toekomt.

(.....)”.

In het schrijven van 14 februari 2000 van A voornoemd aan de gemachtigde is onder meer het volgende vermeld:

‘Op uw verzoek onderzocht ik de heer X, thans verblijvende in de Penitentiaire

Inrichting te Haarlem, met de vraagstelling of het op psychische gronden is te verklaren

waarom cliënt de belastingpapieren aan de bezorger heeft teruggegeven en niet op de

gebruikelijke wijze heeft geaccepteerd. Teneinde hierin inzicht te verkrijgen heeft onder-

getekende een aantal gesprekken met cliënt gevoerd over de psychische druk waaronder

hij destijds heeft geleden.

(....)

Samenvatting: De heer X heeft de TEBI-detentie niet kunnen doorstaan zonder zich

als het ware emotioneel terug te treken. Dit gebeurde niet uit vrije wil, maar werd

afgedwongen als zijnde de minst schadelijke aanpassing aan een als inhumaan ervaren

regiem. De nadelige beïnvloeding van het regiem werd zowel door de aard als de duur ervan

bepaald. Stressverhogende factoren zijn geweest het tot een megaspektakel maken van de

zaak waarin cliënt verwikkeld was en waarin een licht spraakgebrek werd gebruikt als een

soort eigennaam, hetgeen als bijzonder krenkend werd ervaren.

Naast de omstandigheden welke met de publiciteit en detentie te maken hebben, heeft cliënt

een zeer zware belasting ervaren door de depressie van zijn partner, de psychotische

decompensatie van zijn dochter (...) en de problematiek van (...), alle voornamelijk reacties

op de aard van de detentie van cliënt.

De psychische belasting van cliënt was dermate zwaar dat cliënt er niets bij kon hebben dat

zijn fragiele evenwicht kon verstoren. Hij wees niet slechts de belastingpapieren af, ook wees

cliënt bezoek van zijn dierbaren af en moest de raadsman interveniëren ter voorkoming van

het afstand doen van zijn rechten.

Conclusie: Ondergetekende concludeert dat het afwijzen van de belastingpapieren een direct

gevolg is van de psychische druk en de psychische klachten ten tijde van de afwijzing. Het

betreft een opeenstapeling van stresserende factoren, waarvan bij vele psychisch gezonde

mensen vaak één factor al voldoende is voor een psychische ineenstorting. Zo kan een

extreme negatieve publicatie op zich al mensen ziek doen worden, laat staan een

psychiatrisch ziektebeeld bij partner of dochter. Dit allemaal des te meer in een situatie

waarin geen humaan contact mogelijk is en de emotionele spanning niet afgevloeid kan

worden door een uitwisseling met een vertrouwenspersoon. Cliënt heeft instinctief

aangevoeld dat hij de extra psychische last van de belastingpapieren niet zou kunnen

verwerken en gaf deze aan de bezorger terug, zonder te kunnen overzien welke gevolgen

dit voor hem zou kunnen hebben.’

2.31. De inspecteur heeft op het hiervoor onder 2.30. vermelde schrijven gereageerd bij brief van 7 maart 2000 (bijlage 39 bij het verweerschrift); hierin is onder andere het volgende vermeld:

‘Ten aanzien van uw stelling dat de onderhavige (navorderings)aanslagen met dagtekening 31

december 1994 niet op de voorgeschreven wijze aan uw cliënt bekend zijn gemaakt, wil ik

het volgende opmerken:

Blijkens informatie van het Bureau Vestigingsregister van het Ministerie van Binnenlandse

Zaken is uw cliënt op 30 september 1988 afgevoerd van het Centraal Persoonsregister

wegens vertrek naar a-land en sedertdien niet meer in één van de persoonsregisters van

Nederland opgenomen. Voor zover bekend heeft uw cliënt bij zijn uitschrijving geen adres

in a-land opgegeven.

Uit een na zijn aanhouding op 21 januari 1996 ingesteld onderzoek is gebleken dat uw cliënt

van 15 oktober 1987 tot 14 oktober 1989 aaneensluitend beschikte over een duurzame

woongelegenheid op het adres f-weg 26 te H, alwaar ook zijn levenspartner (.....)

en kind (.....) (geboren 00-00-00) verbleven.

Het onderzoek heeft voorts uitgewezen dat uw cliënt tot in ieder geval maart 1993

veelvuldig verbleven heeft op het adres g-straat 620 te I, welke woonruimte sedert

1989 aan zijn levenspartner (.....) ter beschikking stond.

Uw cliënt en zijn levenspartner hebben verzuimd de desbetreffende gemeentebesturen en de

belastingadministratie na hun beweerde vertrek eind september 1988 op de hoogte te brengen

van hun feitelijke woonadressen.

Het ingestelde onderzoek heeft daarentegen uitgewezen dat uw cliënt juist alles in het werk

heeft gesteld om zijn feitelijke binnenlandse woon- en verblijfplaatsen voor de Nederlandse

overheid, waaronder de Belastingdienst, te verhullen.

Ingevolge artikel 10 van het Besluit bevolkingsboekhouding is hij die verhuist of van adres

verandert, verplicht daarvan niet eerder dan vijf dagen voor en niet later dan vijf dagen na de

verhuizing of adresverandering mondeling of schriftelijk aangifte te doen bij het gemeente-

bestuur van de gemeente in welker persoonsregister hij is opgenomen, met opgave van het

oude en het nieuwe adres. Overeenkomstig voormeld artikel rust op een burger de plicht er

voor zorg te dragen, door de adreswijziging aan de gemeente door te geven, dat diverse

overheidsinstanties op de hoogte zijn van zijn juiste adres.

Volgens vaste jurisprudentie valt een onjuiste adressering van (navorderings)aanslagen niet

aan de belastingadministratie tegen te werpen indien dit te wijten is aan de nalatigheid van

belastingplichtige om tijdig zijn adreswijziging aan de belastingadministratie bekend te

maken.

Eind 1994 beschikte de Belastingdienst uitsluitend over informatie dat uw cliënt mogelijk in

het verleden op het adres a-weg 26 te Z verbleef. Aangezien er geen

ander woon- of verblijfsadres van uw cliënt bekend was, zijn de originele aanslagbiljetten

naar dit adres verzonden. Vanwege de niet ondenkbeeldige kans dat de betreffende

aanslagbiljetten uw cliënt niet (tijdig) zouden bereiken, is er uit oogpunt van zorgvuldigheid

voor gekozen om daarenboven duplicaat-aanslagbiljetten in gesloten enveloppe aan de op dat

moment bij de Belastingdienst bekende advocaten van uw cliënt te overhandigen met het

verzoek tot doorgeleiding daarvan aan hun cliënt.

(.....)’

2.32. Bij vonnis van 16 maart 2000 heeft de President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, rechtsprekende in kort geding, in de zaak van de Ontvanger van de Belastingdienst te P tegen belanghebbende bepaald dat de twee tegen belanghebbende uitgevaardigde dwangbevelen voor belastingschulden over de jaren

1989 en 1991 ad in totaal f.272.174.089 te vermeerderen met de invorderingsrente vanaf de vervaldata van de aanslagen, onmiddellijk na de betekening van dit vonnis door lijfsdwang ten uitvoer kunnen worden gelegd, door belanghebbende in gijzeling te nemen totdat twee weken zullen zijn verstreken nadat de rechtbank in de aanhangige bodemprocedure vonnis zal hebben gewezen, met dien verstande dat de gijzeling een periode van een jaar niet zal overschrijden.

Bij vonnis van 13 juli 2000 heeft de President van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, rechtsprekende in kort geding, in de zaak van belanghebbende tegen de Ontvanger van de Belastingdienst te P bepaald dat er geen reden is de gijzeling op te heffen.

2.33. In een brief van 27 maart 2000 (bijlage 41 bij het verweerschrift) schrijft de gemachtigde onder meer het volgende aan de inspecteur:

‘Cliënt was tot 30 september 1988 ingeschreven bij het Centraal Persoonsregister. De

reden dat hij zich juist in dat register had laten inschrijven, was erin gelegen dat cliënt

als rondtrekkend handelaar geen vast verblijfadres had. Op het moment dat hij besloot

Nederland te verlaten en naar a-land te vertrekken, heeft hij daarvan melding laten

maken in het betreffende register. In a-land beschikte hij evenmin over een vast adres,

zodat hij dat ook niet kon opgeven.

Op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat u volstrekt ten onrechte stelt

dat cliënt alles in het werk heeft gesteld om zijn feitelijke woonplaats te verhullen. In dit

geval had hij immers evengoed zijn inschrijving in het Centraal Persoonsregister kunnen

handhaven. Dat hij daarentegen opgave heeft gedaan van zijn vertrek naar a-land, kan

hem derhalve geenszins worden tegengeworpen.

Daar komt bij dat op aanvraag van cliënt de Burgemeester van ’s-Gravenhage op 6 juli 1991

een zogenaamde Verklaring omtrent het gedrag heeft afgegeven (productie 2) ten behoeve

van de verblijfsvergunning in e-land van cliënt, waarover ik hierna nog zal komen te

spreken.

Het verzoek van cliënt om die verklaring is in evidente strijd met het streven zijn feitelijke

woonplaats te verhullen, zoals door u wordt gesteld.

Voorts suggereert u ten onrechte dat cliënt en zijn partner duurzaam verbleven op adressen

te H en I. Dat betroffen namelijk niet hun feitelijke woonadressen, zodat zij zulks

ook niet aan de betreffende gemeentebesturen konden berichten.

(.....)

Ook op basis van de door u in dit verband genoemde omvangrijke hoeveelheid berichten in

de Nederlandse media kan niet worden gesteld, dat cliënt binnen de aanslagtermijn op de

hoogte was van de aanslagen. Cliënt verbleef in die periode namelijk in e-land, waarop

ik nog zal terugkomen bij bespreking van het volgende onderwerp.

(.....)

Uit de aan deze brief gehechte huurnota’s (productie 3) blijkt dat cliënt in ieder geval vanaf

juli 1991 een duurzame woongelegenheid te e-land had.

(.....)

Een andere belangrijke aanwijzing voor de fiscale woonplaats is het verblijfadres van

gezinsleden. (.....) De partner van cliënt heeft zich namelijk niet alleen laten uitschrijven uit

het bevolkingsregister in Nederland, doch is ook daadwerkelijk in het buitenland -namelijk

h-land- gaan wonen.

Als laatste omstandigheid in de zin van artikel 4 Awr wil ik de wil van cliënt noemen, zoals

die kan worden afgeleid uit zijn daden.

Aangezien hij in e-land een permanente verblijfsvergunning heeft aangevraagd èn

verkregen en voorts aldaar [een] permanent een woning is gaan huren, is boven alle twijfel

verheven dat de wil van cliënt was gericht op dat land.

(......)

Uw argument dat de notitiewijze van telefoonnummers in de ‘organizer’ erop wijst dat hij

die nummers vanuit Nederland koos, is niet valide te achten. Ik begrijp dat voor die

telefoonnummers niet de cijfers 00 31 (het landnummer van Nederland) stonden. Overigens

zou ik gaarne afschriften van de vastlegging in die organizer ontvangen, alsmede een

overzicht van de door u in uw brief van 30 september 1999 genoemde personenauto’s en

motorvoertuigen.

(.....)’

Van de in voormelde brief genoemde ‘organizer’ is een kopie van een uitdraai als bijlage 17 bij het verweerschrift gevoegd.

De in voornoemde brief genoemde huurnota’s zijn in kopie bijgevoegd.

2.34. In een brief van 21 april 2000 verzoekt de inspecteur de gemachtigde onder meer om de bezwaren tegen de onderhavige navorderingsaanslag en de aanslag in de inkomstenbelasting/

premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 nader te motiveren en om de in de vragenbrief van 14 november 1996 gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken (bijlage 42 bij het verweerschrift).

Naar aanleiding van een verzoek van de gemachtigde van 28 april 2000 om toezending van de bevindingen van het FIOD/Douanerecherche-onderzoek stelt de inspecteur de gemachtigde bij brief van 8 mei 2000 in de gelegenheid om de bezwaren nader te motiveren; de daarbij genoemde termijn loopt tot 21 mei 2000. Bij brief van 18 mei 2000 is deze termijn verlengd tot 31 mei 2000.

In een brief van 23 mei 2000 deelt de gemachtigde de inspecteur mede dat de onderhavige navorderingsaanslag en de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991 dienen te worden vernietigd. In zijn reactie van 29 mei 2000 deelt de inspecteur mede dat hij voornemens is om op 5 juni 2000 uitspraak te doen op de bezwaarschriften indien de gemachtigde de bezwaren niet verder inhoudelijk wenst te motiveren.

Bij brief van 31 mei 2000 deelt de gemachtigde onder meer mede dat hij de vraag naar de ontvankelijkheid van de bezwaarschriften eerst wenst voor te leggen aan de President van de Belastingkamer. Bij schrijven van 5 juni 2000 heeft de gemachtigde de aanvullende bezwaarschriften aan de inspecteur doen toekomen.

2.35. Bij schrijven van 5 juni 2000 deelt de inspecteur de gemachtigde onder andere mede:

‘Een bezwaarschrift is tijdig ingediend als het binnen zes weken na de dagtekening van de

aanslag bij mij is bezorgd. Een bezwaarschrift wordt ook als tijdig beschouwd als u het

binnen deze termijn ter post heeft bezorgd en ik het binnen zeven weken na dagtekening

van de aanslag heb ontvangen. U heeft het bezwaarschrift niet tijdig ter post bezorgd.

Daarom verklaar ik u niet-ontvankelijk in uw bezwaar.

Ik zal uw bezwaar toch beoordelen. Ik merk het echter aan als een verzoek om ambtshalve

herziening.

(.....)’

2.36. In een uitspraak van de President van het Gerechtshof als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht van 5 juli 2000 heeft de President het verzoek van belanghebbende tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Geschil

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar tegen de onderhavige belastingaanslag.

4. Standpunten van partijen

Hiervoor verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- nog het volgende toegevoegd.

Door de gemachtigde

Naar aanleiding van hetgeen de getuige/deskundige heeft opgemerkt wil ik nog mededelen dat belanghebbende in het voorjaar van 1999 van Lelystad naar Haarlem is overgeplaatst.

Op bladzijde 6 van mijn pleitnota, 2e alinea, 12e regel dient voor “nietigheid” te worden gelezen “niet-ontvankelijkheid”.

Belanghebbende was er niet mee bekend dat mr F bezwaar zou instellen en F was daartoe niet gemachtigd.

De inspecteur heeft aan mr G eveneens om een machtiging gevraagd. In de brief van mr G van 4 november 1996 deelt hij mede aan de inspecteur dat belanghebbende op dat moment niet in staat is om brieven van de inspecteur te beantwoorden. Daarom was het ook niet mogelijk om met een gemachtigde te spreken. Er was toen al sprake van overmacht want belanghebbende zat al lange tijd in de TEBI.

Belanghebbende was op dat moment niet eens in staat om te beoordelen of hij zelf zijn fiscale zaken zou afhandelen of dat hij dat iemand anders zou laten doen.

Ik weet niet of belanghebbende mr G heeft aangewezen als gemachtigde. Ik kan me voorstellen dat in een gesprek tussen mr G en belanghebbende besproken is dat belanghebbende niet hier woonde. Daarop hebben ook die stukken uit e-land betrekking.

Ik heb de klacht wegens knevelarij nooit gezien. Belanghebbende heeft zich er ook niet over beklaagd. Ik denk dat hij er niet mee bekend was. Ik weet niet hoe die klacht is afgehandeld.

Ik heb niet aan mr F gevraagd tot wanneer hij de advocaat van belanghebbende is geweest.

Ik denk dat de conclusie kan worden getrokken dat belanghebbende kennelijk geen bezwaar heeft gehad tegen het mediacircus dat het gevolg was van het naar buiten brengen van het opleggen van de aanslagen. Ik denk dat mr G ingevolge de gedragsregels voor advocaten daar inderdaad de toestemming van belanghebbende voor nodig had.

De inspecteur heeft in zijn brief van 9 april 1997 nadrukkelijk vermeld dat hij geen uitspraak zal doen. Hij had het bezwaar ook niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

Door de inspecteur

In de organizer van belanghebbende stonden aantekeningen over een belastingadviseur. Die heeft daarover verklaard.

Er zijn sterke aanwijzingen dat belanghebbende op de hoogte was van het bestaan van de aanslagen; in elk geval dat hij dat was ten tijde van zijn aanhouding.

De kroongetuigen in de strafzaak zijn niet gehoord over de belastingaangelegenheden van belanghebbende.

Belanghebbende heeft ruim zes jaar de tijd gehad om te reageren op de aanslagen. Tot op heden zijn de bezwaren niet, dan wel zeer summier gemotiveerd en dan nog zonder bewijs.

De bewijslast is omgekeerd.

De onjuiste adressering is niet te wijten aan de inspecteur. Dat is ook in de civiele procedures aan de orde geweest. Dat leidde evenwel niet tot verwijten richting inspecteur.

De getuigenis van de psychiater heeft ten aanzien van de onderhavige procedures geen toegevoegde waarde en wel op de volgende gronden.

Belanghebbende heeft zich vanaf het moment dat de aanslagen zijn opgelegd laten bijstaan door deskundige adviseurs. Voor deze procedure is slechts relevant de geestesgesteldheid van belanghebbende in de bezwaarperiode, dat is begin 1995. De verklaring van de psychiater heeft daarop geen betrekking. Indien het Hof een deskundig oordeel over belanghebbendes geestelijke gesteldheid wel noodzakelijk acht verzoek ik het Hof om een deskundigenonderzoek ex artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht te laten instellen door een onafhankelijke, door het Hof benoemde deskundige en niet door een door de wederpartij aangedragen deskundige.

Via de pers was mij bekend dat mr F de advocaat van belanghebbende was.

Op verzoek van de FIOD zijn de aanslagen naar het adres a-weg 26 in Z gezonden. De FIOD deed al vanaf 1991 onderzoek naar belanghebbende. Het adres is een soort subkampje; er staan wat caravans en er is een autosloperij en dergelijke.

Als een bezwaar wordt ingediend door een op de eenheid onbekende gemachtigde wordt eerst gevraagd om een machtiging. Als er geen machtiging komt wordt het standpunt ingenomen dat het bezwaar terzijde wordt gesteld. Er wordt dan geen uitspraak gedaan. De brief van mr F houdt in feite in dat bezwaar wordt ingesteld onder de voorwaarde dat hij gemachtigde is. Die voorwaarde is niet vervuld. Dat kan worden beschouwd als een intrekking.

Van de klacht wegens knevelarij zijn geen stukken meer. Ik meen dat de klacht is verworpen.

Ik acht het onmogelijk dat er geen contact was tussen belanghebbende en mr F. Daarbij baseer ik mij op het volgende: de klacht wegens knevelarij, de aandacht in de media en de organizer.

De belastingadviseur is telefonisch benaderd door de FIOD over zijn relatie met belanghebbende. De belastingadviseur is gevraagd hoe het mogelijk is dat zijn naam voorkomt in de organizer van belanghebbende. Ik meen dat hij daarover eind 1996 is gehoord. Hij heeft het dan over het jaar ervoor, dat is 1995. Toen is hij benaderd door mr G met een anonieme casus. Dat heb ik beschreven in mijn verweerschrift.

De belastingadviseur heeft een nota verzonden. Het nummer daarvan is ook in de organizer gevonden. De belastingadviseur heeft de nota later gecrediteerd want hij wilde niet in verband gebracht worden met belanghebbende.

Als er na het verstrijken van de bezwaartermijn nog een machtiging was gekomen was alles in orde geweest. Dan was het geschrift van mr F vanaf het begin als een bezwaarschrift aangemerkt.

De brieven die zijn gericht aan belanghebbende zijn op een gegeven moment teruggekomen, dat was vanaf november 1996. Voor die tijd zijn de brieven niet teruggekomen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft belanghebbende primair gesteld dat de dagtekening van de navorderingsaanslag (31 december 1994) vóór de dag van de bekendmaking daarvan aan belanghebbende heeft gelegen, omdat belanghebbende eerst op 10 februari 2000 van de navorderingsaanslag kennis heeft genomen. Het bezwaar van 15 februari 2000 is, naar belanghebbende meent, derhalve ontvankelijk.

De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende betwist en gesteld dat de navorderings-aanslag op 28 december 1994 rechtsgeldig aan belanghebbende, althans aan diens vertegen-woordiger, is uitgereikt en dat het bezwaar van 15 februari 2000 wegens termijnoverschrij-ding niet-ontvankelijk is, gelijk de inspecteur in zijn als “uitspraak” aangeduide besluit van 5 juni 2000 heeft beslist. Het geschrift van 30 december 1994 van mr F (hierna: F) heeft de inspecteur bij zijn besluit van 9 april 1997 niet als bezwaarschrift aangemerkt, nu het was ingediend door een daartoe niet bevoegde. Subsidiair (zie onder 4.) stelt de inspecteur dat, zo het geschrift van 30 december 1994 als een bezwaarschrift moet worden beschouwd, dat bezwaar blijkens de brief van F van 18 januari 1995 (zie 2.13) aan nadere voorwaarden is onderworpen, welke voorwaarden niet zijn vervuld zodat het bezwaar alsnog geacht moet worden te zijn ingetrokken.

Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat, zo de navorderingsaanslag op 28 december 1994 rechtsgeldig zou zijn bekendgemaakt, sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dan wel, meer subsidiair, dat de inspecteur in gebreke is gebleven tijdig uitspraak te doen op het door F ingediende bezwaarschrift van 30 december 1994.

5.2.1. De bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de aanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt (artikel 6:8, eerste lid, Awb). Bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking aan de belastingplichtige (artikel 3:41 Awb). Het Hof zal dan ook eerst bezien wanneer de onder-havige navorderingsaanslag geacht moet worden te zijn bekendgemaakt. Van belang hierbij is met name de stelling van de inspecteur dat belanghebbende binnenlands belastingplichtige was en zijn woonplaats hier te lande heeft vervuld voor onder meer de belastingdienst.

5.2.2. De inspecteur heeft naar ’s Hofs oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in het onderhavige jaar belastingplichtig in Nederland was. Het door belanghebbende terzake ingenomen standpunt dat hij noch binnenlands, noch buitenlands belastingplichtige was, acht het Hof niet pleitbaar. Daarbij neemt het Hof in aanmerking, naast hetgeen is vermeld in de brief van de inspecteur van 7 maart 2000 aan de gemachtigde (zie 2.3.1.), dat belanghebbende onder meer strafrechtelijk is veroordeeld voor deelname in de periode van 1 mei 1988 tot en met 21 januari 1996 aan een organisatie welke tot oogmerk had het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen en verkopen en afleveren en vervoeren van grote hoeveelheden hasj en voor het in 1989 binnen het grondgebied van Nederland brengen van een omvangrijke partij hasj. Uit de verklaringen die door de strafkamer van het Hof in zijn arrest van 30 januari 1998 zijn gebezigd tot het bewijs leidt het Hof af dat belanghebbende regelmatig en veelvuldig in Nederland verbleef en dat hij kon beschikken over een rekening bij de J-bank. Het Hof heeft voorts gelet op de volgende omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat de beide dochters van belanghebbende, geboren in 0000 en 0000, niet in Nederland verbleven. De enkele stelling dat belanghebbendes concubine naar h-land is vertrokken is niet met bewijzen gestaafd en wordt door het Hof niet aannemelijk geacht, mede gelet op het feit dat uit de schriftelijke verklaringen van psychiater A kan worden afgeleid dat beide dochters bij de concubine hebben verbleven. Nu zijn concubine en dochters in Nederland woonden, had belanghebbende naar ’s Hofs oordeel -naast de hiervoor bedoelde economische banden- zodanig sterke persoonlijke banden met dit land, dat aannemelijk is dat belanghebbende in Nederland over een feitelijke verblijfplaats beschikte en dat hij woonachtig was in Nederland. Daaraan doet niet af dat belanghebbende over een woonruimte in e-land kon beschikken.

Nu aannemelijk is dat belanghebbende voor fiscale doeleinden in Nederland woonde, had het op zijn weg gelegen ervoor zorg te dragen dat de belastingdienst op de hoogte was van zijn feitelijke verblijfplaats, althans van zijn postadres of ander contactadres. Belanghebbendes standpunt dat hij niet in Nederland belastingplichtig was en dat hij derhalve niet tot opgave van een zodanig adres verplicht was, wordt door het Hof als niet juist verworpen. Gelet op vorenstaande overwegingen en op hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is het Hof van oordeel dat het standpunt van belanghebbende zelfs niet pleitbaar is.

5.2.3. De onderhavige navorderingsaanslag is gedagtekend 31 december 1994; een duplicaat van het aanslagbiljet is op 28 december 1994 in een gesloten enveloppe overhandigd aan F. Dit wordt bevestigd door de schriftelijke verklaring van F (zie 2.8.). Het originele aanslagbiljet is gezonden aan het adres d-weg 26 te Z. Vaststaat dat belanghebbende zich op 30 september 1988 heeft laten uitschrijven uit het Centraal Persoonsregister wegens, naar hij stelt, vertrek naar a-land en dat hij sedertdien niet meer in een van de persoonsregisters van Nederland opgenomen is geweest. De inspecteur beschikte slechts over een door de FIOD aangegeven adres, te weten d-weg 26 te Z. De inspecteur heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende alles in het werk heeft gesteld om zijn feitelijke binnenlandse woonplaats te verhullen voor, onder andere, de belastingdienst. Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking hetgeen de inspecteur heeft gesteld in zijn brief van 7 maart 2000 (zie 2.31. hiervoor). Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan hetgeen in die brief is vermeld omtrent feitelijke verblijfplaatsen van belanghebbende, welke door hem niet zijn gemeld bij de persoonsregisters van de betreffende gemeentes. Hetgeen belanghebbende daartegen heeft aangevoerd is onvoldoende gemotiveerd en leidt niet tot een ander oordeel. Onder deze omstandigheden stond de inspecteur geen andere weg open dan zich voor het uitreiken van het onderhavige aanslagbiljet, overeen-komstig de bepalingen van artikel 58 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) te wenden tot een vertegenwoordiger van belanghebbende.

De inspecteur had uit berichtgeving in de dagbladen begrepen en mocht dit naar ’s Hofs oordeel ook begrijpen dat onder meer F optrad als raadsman van belanghebbende in strafzaken. Dit laatste vindt voorts bevestiging in de verklaring van de medewerker van de eenheid van de belastingdienst (2.8. hiervoor). Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de inhoud van deze verklaring welke door belanghebbende ook niet is weersproken.

5.2.4. Op 29 december 1994 heeft F bij de hoofdofficier van justitie een strafklacht wegens knevelarij ingediend tegen de belastingdienst.

5.2.5. In zijn pleitnota heeft de gemachtigde gewezen op regel 6 van de Gedragsregels voor advocaten 1992. In het eerste lid van voormelde regel is vermeld:

“De advocaat is verplicht tot geheimhouding; hij dient te zwijgen over bijzonderheden van door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang van diens belangen.”

Volgens de gemachtigde geeft het tweede lid van de betreffende regel de mogelijkheid dat de advocaat toch gegevens naar buiten brengt, evenwel onder de voorwaarde ‘voor zover de cliënt daartegen geen bezwaar heeft en voor zover dit in overeenstemming is met een goede beroepsuitoefening.’

5.2.6. Gelet op hetgeen is bepaald in regel 6 van de Gedragsregels voor advocaten acht het Hof het niet aannemelijk dat F de klacht die hij op 29 december 1994 wegens knevelarij heeft ingediend tegen de belastingdienst en bekend heeft gemaakt in dagbladen, heeft opgesteld en openbaar gemaakt zonder medeweten en instemming van belanghebbende. Hieraan verbindt het Hof de gevolgtrekking dat F belanghebbende op de hoogte heeft gebracht van het bestaan van de betreffende belastingaanslagen, waaronder de onderhavige. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt het Hof nog in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, die in december 1994 en in 1995 nog niet was gedetineerd, F op enigerlei wijze aansprakelijk heeft gesteld omdat hij zijn geheimhoudingsplicht zou hebben geschonden. Daaruit leidt het Hof af dat de klacht wegens knevelarij en de bekendmaking daarvan in dagbladen met instemming van belanghebbende is gebeurd en tevens dat hij wist dat de betreffende (navorderings)aanslagen, waaronder de litigieuze, waren opgelegd en voorts, tot welke bedragen.

5.2.7. Al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, leidt het Hof tot het oordeel dat de onderhavige navorderingsaanslag door de inspecteur rechtsgeldig is uit-gereikt aan belanghebbende en wel door tussenkomst van zijn toenmalige vertegenwoordiger F. De omstandigheid dat F, in zijn brief van 18 januari 1995 (zie 2.13.), de inspecteur heeft medegedeeld dat hij niet gemachtigd was om namens belanghebbende zijn fiscale zaken te behartigen, doet aan het vorenstaande oordeel niet af. Het begrip vertegenwoordiger in artikel 58 AWR is immers niet gelijk aan het in de brief van 18 januari 1995 aan de orde zijnde begrip fiscaal gemachtigde.

5.3.1. Naar het oordeel van het Hof heeft F met zijn schrijven van 30 december 1994 (2.11.) tijdig bezwaar gemaakt tegen de onderhavige navorderingsaanslag.

Daarin is immers vermeld: ‘Hoewel ik uitdrukkelijk het standpunt inneem namens cliënt dat opgemelde aanslagen invalide en onrechtmatig zijn en zijn aan te merken als knevelarij -ter zake waarvan ik een strafklacht heb ingediend- maak ik namens cliënt ter behoud van rechten bezwaar tegen gemelde aanslagen.’

5.3.2. Bij brief van 4 januari 1995 heeft de inspecteur F om een machtiging voor het indienen van een bezwaarschrift gevraagd. Op 19 januari 1995 heeft Fde inspecteur onder andere het duplikaataanslagbiljet geretourneerd met een brief van 18 januari 1995 waarin F de inspecteur mededeelt dat hij zichzelf niet beschouwt als gemachtigde van belanghebbende (2.13.). Anders dan de inspecteur in zijn subsidiaire standpunt stelt, is het Hof van oordeel dat hiermede niet het onder 5.3.1. bedoelde bezwaar is ingetrokken. F deelt de inspecteur immers mede dat voor het geval hij wel gemachtigde is hij bezwaar aantekent tegen de onderhavige navorderingsaanslag en de daarin begrepen verhoging en

heffingsrente. Daaruit leidt het Hof af dat F met deze bewoordingen juist heeft willen voorkomen dat het bezwaar (voorwaardelijk) als ingetrokken zou kunnen worden aangemerkt.

5.4. In het schrijven van 9 april 1997 van de inspecteur aan F(zie 2.22.) is vermeld: ‘Ik stel mij derhalve op het standpunt dat de door u ingediende stukken niet zijn aan te merken als bezwaarschriften. Ik zal dan ook geen uitspraak doen.’. Het Hof zal thans bezien in hoeverre dit besluit, dat het geschrift van 30 december 1994 niet als bezwaar kan worden aangemerkt omdat het door een onbevoegde vertegenwoordiger is ingediend, juist is geweest.

5.5. Op 6 februari 1995 verzoekt de inspecteur F er bij zijn cliënt op aan te dringen om F of een ander voor het verstrijken van de bezwaartermijn te machtigen om op te treden als vertegenwoordiger in de zin van artikel 41 AWR juncto 2:1 lid 2 AWB. Bij brief van 7 maart 1995 heeft de inspecteur verzocht om uiterlijk 15 maart 1995 een machtiging over te leggen. F heeft geen machtiging overgelegd.

5.6. Ingevolge artikel 2:1, tweede lid, van de Awb kon de inspecteur van F, de indiener van het bezwaarschrift, een schriftelijke machtiging vragen. Daaraan staat niet in de weg dat hij van beroep advocaat is. De inspecteur heeft in zijn schrijven van 6 februari 1995 aan mr.F (zie 2.14) aangegeven waarom hij aan hem als indiener van het bezwaarschrift een machtiging vroeg. Het verzoek van de inspecteur om inzending van een schriftelijke machtiging was niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur; althans dat is niet gesteld of gebleken.

5.7. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur voldoende aangetoond dat het in 1995 en begin 1996, vóór zijn aanhouding door de politie, aan belanghebbende zelf is te wijten dat geen machtiging is overgelegd aan de inspecteur. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat belanghebbende zijn binnenlandse woonplaats heeft pogen te verhullen voor de belastingdienst, zoals het Hof hiervoor onder 5.2.3. heeft overwogen en dat belanghebbende ook geen (ander) contactadres aan die dienst heeft opgegeven, een en ander terwijl hij daartoe -op grond van zijn binnenlandse belastingplicht- wel verplicht was. Belanghebbendes andersluidende standpunt is door het Hof reeds in 5.2.2. als niet-pleitbaar verworpen. De inspecteur kon indertijd derhalve zelf geen contact leggen met belanghebbende. Met de periode 6 februari 1995 - 21 januari 1996 acht het Hof de door de inspecteur aan belanghebbende gegunde termijn voor het overleggen van de verzochte machtiging ruimschoots voldoende. De omstandigheid dat de inspecteur niet spoedig na belanghebbendes detinering in 1996 met hem contact heeft gezocht, kan dan ook niet aan de inspecteur worden tegengeworpen en doet aan ’s Hofs voorgaande oordeel niet af.

5.8. In artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, bepaald dat voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld wordt de schriftelijke weigering een besluit te nemen.

Naar het oordeel van het Hof laten de bewoordingen van de inspecteur in de hiervoor onder 5.4. genoemde brief van 9 april 1997 geen andere gevolgtrekking toe dan dat de inspecteur schriftelijk heeft geweigerd een besluit te nemen in de zin van artikel 6:2 Awb. Het schrijven van de inspecteur van 9 april 1997 is, gelet op artikel 6:2 Awb gelijkgesteld met een besluit.

Tegen dat besluit had belanghebbende, indien hij zich niet kon vinden in de inhoud van dat besluit, op de voet van artikel 8:1 beroep dienen in te stellen bij het Hof.

Hieraan doet naar ’s Hofs oordeel niet af dat de inspecteur, in strijd met het bepaalde in artikel 6:23 Awb, geen melding heeft gemaakt van het tegen het besluit openstaande rechtsmiddel.

5.9. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur zich in het onderhavige geval ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij diende te besluiten tot weigering van het doen van een uitspraak. Gelet op de omstandigheden zoals die hiervoor zijn weergegeven onder 5.5. tot en met 5.8. had de inspecteur een uitspraak dienen te doen op het bezwaarschrift van 30 december 1994 in dier voege dat hij het bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te verklaren nu dat niet was ingediend door een persoon die bevoegd was belanghebbende in fiscalibus te vertegenwoordigen. In zijn brieven van 6 februari 1995 en 7 maart 1995 (zie 2.14. en 2.15) heeft de inspecteur dan ook terecht aangekondigd dat hij het bezwaar niet-ontvankelijk zal verklaren.

5.10. Ten aanzien van het onderhavige beroep overweegt het Hof als volgt.

Bij schrijven van 15 februari 2000 heeft de gemachtigde zich tot de inspecteur gewend met de mededeling dat hij pro-forma-bezwaarschriften indient tegen diverse belastingaanslagen, waaronder de onderhavige navorderingsaanslag. Niet vermeld is dat reeds eerder een bezwaarschrift is ingediend dat wordt bekrachtigd door het onderhavige geschrift. Zulks is evenmin vermeld in de aanvulling van 27 maart 2000 (bijlage 41 bij het verweerschrift).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het besluit van de inspecteur van 9 april 1997 had de inspecteur het schrijven van 15 februari 2000 dienen aan te merken als een beroepschrift dat is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan, een en ander conform het bepaalde in artikel 6:15 Awb. Op de inspecteur rustte derhalve een doorzendplicht. Daaraan heeft hij evenwel niet voldaan en hij heeft daarentegen op 5 juni 2000 een als uitspraak aangeduid besluit genomen op het door de gemachtigde als bezwaarschrift aangeduide geschrift waarbij het bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard. Tegen deze “uitspraak” is het onderhavige beroep primair gericht. Naar het Hof begrijpt stelt belanghebbende meer subsidiair dat het onderhavige beroep, conform het hiervoor overwogene, dient te worden aangemerkt als te zijn gericht tegen het besluit van de inspecteur van 9 april 1997. In zoverre is het gelijk derhalve aan belanghebbende.

5.11. Vaststaat dat het beroepschrift niet bij de inspecteur is ingekomen binnen de bij artikel 6:7 Awb juncto artikel 26c AWR bepaalde termijn van zes weken na 9 april 1997.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5.12. Belanghebbende is op 21 januari 1996 door de politie aangehouden waarna hij op 22 januari 1996 is overgebracht naar de TEBI waar hij verbleef tot en met 15 april 1998. Op 16 april 1998 is belanghebbende overgeplaatst naar de Penitentiaire Inrichting Lelystad.

Onmiddellijk na afloop van deze detentie is belanghebbende voor zes maanden in vervangende hechtenis genomen wegens niet betaling van de strafrechtelijke geldboete.

5.13. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan hetgeen de psychiater A heeft gesteld in zijn verklaring van 14 februari 2000 (2.30. hiervoor) en de daarop ter zitting gegeven toelichting.

Het Hof acht daarmede voldoende aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de beroeps-fase die aanving op 10 april 1997 psychisch niet in staat was om adequaat te reageren op de door de inspecteur uitgereikte belastingaanslagen, waaronder de onderhavige navorderings-aanslag, en de weigering om uitspraak te doen op het door F ingediende bezwaar, waaraan ook nog een rechtsmiddelverwijzing ontbrak. Hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd op dit punt leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof acht zich met de verklaring van A voldoende voorgelicht omtrent de psychische gesteldheid van belanghebbende en acht een onderzoek door een andere deskundige, zoals de inspecteur ter zitting heeft voorgesteld, niet noodzakelijk. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de deskundigheid en onpartijdigheid van A. Ook uit de brief van mr G van 6 mei 1997 (zie 2.23) leidt het Hof af dat belang-hebbende destijds niet in staat was om over belastingzaken na te denken en een beroepschrift in te dienen.

5.14. Gelet op het vorenoverwogene komt het Hof tot de slotsom dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest en dat het op 15 februari 2000 bij de inspecteur ingediende beroepschrift tijdig is ingediend. De inspecteur heeft niet voldaan aan de op hem rustende doorzendplicht. Dat neemt, gelet op artikel 6:15, derde lid, Awb, niet weg dat in casu sprake is van een ontvankelijk beroep dat, naar ’s Hofs oordeel, is gericht tegen het besluit van de inspecteur van 9 april 1997.

5.15. Bij het bestreden besluit van 9 april 1997 heeft de inspecteur naar het oordeel van het Hof ten onrechte geweigerd uitspraak te doen op het tijdig ingediende bezwaarschrift van F van 30 december 1994. De inspecteur had dat bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren nu van de zijde van belanghebbende op voor zijn risico komende gronden geen geldige machtiging aan de inspecteur is verstrekt hoewel daar door de inspecteur verschillende keren om is verzocht.

5.16. De inspecteur heeft op 9 april 1997 geweigerd uitspraak op bezwaar te doen. Deze schriftelijke weigering wordt op grond van artikel 6:2 Awb gelijkgesteld met een uitspraak. Het Hof zal deze uitspraak op bezwaar vernietigen en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaren omdat de indiener geen geldige machtiging heeft overgelegd.

Voorts heeft de inspecteur zich in de door hem als uitspraak aangemerkte beslissing van 5 juni 2000 (alsnog) op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is, zij het op de verkeerde grond nu daarin is vermeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens overschrij-ding van de bezwaartermijn terwijl naar het oordeel van het Hof de niet-ontvankelijkheid van

het bezwaar had dienen te worden gesteund op het feit dat in de bezwaarfase geen machtiging is overgelegd. De inspecteur is echter niet bevoegd voor de tweede maal uitspraak te doen op één bezwaarschrift. Voor zover nodig vernietigt het Hof ook de uitspraak van de inspecteur van 5 juni 2000.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen tot vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de proceskosten gesteld op 2 (voor proceshandelingen) x 2 (voor het gewicht van de zaak) x

f. 710 is f. 2.840.

Er is sprake van samenhang met de zaak met kenmerknummer 00/02061 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1991. Gelet op deze samenhang komt in elk van de zaken een bedrag van ½ x

f. 2.840 is f. 1.420 voor vergoeding in aanmerking.

7. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraken van de inspecteur van 9 april 1997 en van 5 juni 2000,

verklaart het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk,

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van f.1.420 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

gelast de Staat het griffierecht ad. f. 60 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 31 januari 2001 door mrs Van Ballegooijen, Faase en Meussen, in tegenwoordigheid van mr Geel-Cieraad als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter van de kamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.