Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0337

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/159
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Moeder van belanghebbende woonachtig in Pakistan. Overgelegde verklaring voorzien van attestatiestempels van advocate voldoende bewijs voor behoeftigheid van de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-0432

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P (hierna: de inspecteur), gedagtekend 5 januari 2000, betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 februari 2001.

Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond

vernietigt de bestreden uitspraak

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 36.624

gelast de Staat het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

Feitelijke gronden

1. Belanghebbende, geboren in 1963 en ongehuwd, heeft over het jaar 1998 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ¦ 36.334. Het onzuiver inkomen van belanghebbende bedraagt ¦ 38.955.

2. In zijn aangifte heeft belanghebbende een bedrag van ¦ 2.500 minus ¦ 389 (drempel) = ¦ 2111 opgevoerd als buitengewone lasten wegens uitgaven voor levensonderhoud van zijn moeder in Pakistan. De inspecteur heeft dit bedrag niet in aftrek toegelaten nu het voornoemde bedrag niet rechtstreeks aan de ondersteunde is overgemaakt. Daarnaast acht de inspecteur de behoeftigheid van de moeder van belanghebbende niet voldoende aannemelijk gemaakt.

3. Gedateerd 18 februari 1999 verklaart A, weduwe van AY, schriftelijk dat zij niet zelf werkzaam is en daarom volledig afhankelijk is van de inkomsten van haar zoon in Nederland, dat belanghebbende haar zoon is en dat die zoon haar geld stuurt voor haar uitgaven in Pakistan. De verklaring is voorzien van vier attestatiestempels en een attestatiezegel. Voorts heeft belanghebbende een kopie van een formulier A van de Nederlandse Bank overgelegd waaruit blijkt dat belanghebbende op 14 december 1998 een bedrag van ¦ 2.600 heeft overgemaakt aan B.

4. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat B zijn broer is, bij wie zijn moeder inwoont. De inspecteur heeft zich met deze verklaring van belanghebbende kunnen verenigen, alsmede daarmede dat alsdan voor vaststaand kan worden gehouden dat het aan B overgemaakte geld aan de moeder van belanghebbende ten goede is gekomen.

Rechtsgronden

5. Op grond van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 2e, Wet op de inkomstenbelasting1964 moeten uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van verwanten worden aangetoond met schriftelijke bescheiden. Daarnaast dient belanghebbende aannemelijk te maken dat ter zake van de ondersteunde verwanten sprake is van behoeftigheid.

6. Uiteindelijk betwist de inspecteur nog uitsluitend dat de overgelegde verklaring van de moeder van belanghebbende een voldoende bevestiging inhoudt van haar behoeftigheid, nu die verklaring weliswaar attestatiestempels bevat, maar niet een attestatiestempel van een rechtbank in Pakistan. In dit verband heeft de inspecteur ter zitting een gelijksoortige verklaring in een andere zaak getoond, voorzien van een door hem als voldoende bevestiging beschouwde attestatiestempel. Belanghebbende heeft erop gewezen dat zijn moeder in een ander district woont en dat de attestatiestempels alleen in dat opzicht van elkaar afwijken.

7. Het Hof ziet geen reden om de stelling van belanghebbende omtrent de onderlinge afwijking van de attestatiestempels te verwerpen en houdt het ervoor dat dit verschil niet van belang is, nu het blijkens beide attestatiestempels gaat om een bevestiging door een “Advocate”. Het Hof oordeelt mitsdien dat de behoeftigheid van de moeder van belanghebbende voldoende aannemelijk is gemaakt.

8. Gezien het hiervoor overwogene is het gelijk aan belanghebbende. Het vastgestelde belastbaar inkomen dient te worden vermindert met ¦ 2.600 minus ¦ 779 (drempel) is ¦ 1.821.

Proceskosten

Nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 20 februari 2001 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Hiervan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door het lid van de belastingkamer en de griffier.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.