Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AB0101

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/50
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kleding zijn alle zaken die dienen tot bedekking van het lichaam. Ook een motorhelm is kleding. Een helm met intercom-installatie is ook geschikt om buiten het verwerven van de inkomsten te dragen. De op twee beeldmerken vermelde teksten ‘gediplomeerd motorrijinstructeur’ en ‘KNMV’ duiden op de werkzaamheden van belanghebbende en dat deze beeldmerken daarom voldoen aan de voorwaarden dat zij zijn gebonden aan de werkgever, hoewel de naam van de werkgever niet op het beeldmerk is vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/35.16 met annotatie van Redactie
FutD 2001-0370
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, hierna de inspecteur, gedagtekend 25 november 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1997.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 januari 2001.

Beslissing

Het Hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.970;

gelast de Staat het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden; en

veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 35 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1. Belanghebbende was in 1997 als motorrij-instructeur in dienstbetrekking werkzaam. Tijdens zijn werk draagt belanghebbende door hem zelf aangeschafte motorrijkleding. In 1997 heeft belanghebbende een bedrag van (afgerond) ƒ 3.588 aan deze motorrijkleding besteed. Dit bedrag kan als volgt worden gespecificeerd:

regenoverall ƒ 148,90

handschoenen ƒ 205,00

helm ƒ 499,00

helmklep ƒ 38,50

helmvizier ƒ 69,95

zijdeksels voor helm ƒ 22,50

bijbetaling bij inruil helm (ƒ 450,21 + ƒ 78,79 BTW) ƒ 529,00

gladleren broek (ƒ 297,45 + ƒ 52,05 BTW) ƒ 349,50

kevlar jas ƒ 250,00

diverse kleding ƒ 235,00

kevlar broek ƒ 250,00

laarzen Daytona ƒ 499,00

verwarmde handschoenen met plug ƒ 311,50

schoenen ƒ 179,95

totaal ƒ 3587,80

Op de kevlar jas waren twee identieke vignetten aangebracht, waarvan belanghebbende ter zitting een exemplaar heeft overgelegd. De vignetten zijn vierkant met zijden van ongeveer 6 centimeter. Op de vignetten staan de teksten ‘gediplomeerd motorrij-instructeur’ en ‘KNMV’. Niet in geschil is dat belanghebbende de hiervoor vermelde zaken nodig heeft voor de uitoefening van zijn dienstbetrekking en dat de kosten in zoverre meer bedragen dan hetgeen personen die soortgelijke inkomsten niet genieten doch voor het overige in dezelfde omstandigheden als belanghebbende verkeren deswege plegen te maken.

2. In geschil is of de hiervoor onder 1 vermelde uitgaven zijn aan te merken als kleding, met uitzondering van werkkleding, als bedoeld in artikel 36, eerste lid, onderdeel f, en twaalfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) in verbinding met artikel 7a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling), zoals deze bepalingen luiden met ingang van 1 januari 1997.

3. Ten aanzien van de vraag of de aangeschafte zaken kleding zijn, overweegt het Hof het volgende. Het Hof is van oordeel dat als kleding moet worden aangemerkt alle zaken die dienen tot bedekking van het lichaam. Het Hof verwijst in dit verband naar Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, twaalfde druk, dat kleding omschrijft als “wat dient om iemand of zich te kleden” en kleden als “van lichaamsbedekking, kleding voorzien”. Het Hof is van oordeel dat de helm, die dient om een deel van het lichaam, namelijk het hoofd, te bedekken, is aan te merken als kleding. De helmklep, het helmvizier en de zijdeksels zijn bij de helm behorende accessoires, die blijkens de wetsgeschiedenis ook als kleding zijn aan te merken. Ook de overige vermelde zaken zijn naar het oordeel van het Hof aan te merken als kleding.

4. De kosten van kleding zijn slechts aftrekbare kosten indien het gaat om kosten van werkkleding. Het begrip werkkleding was tot 1 januari 1997 niet nader omschreven. Met ingang van de vermelde datum is de omschrijving van het begrip werkkleding opgenomen in de Wet. Deze omschrijving wijkt af van hetgeen voordien onder werkkleding diende te worden verstaan. In verband daarmee komt in zoverre geen belang toe aan rechterlijke uitspraken die - zoals de door belanghebbende overgelegde uitspraak van dit Hof - betrek-king hebben op tijdvakken gelegen voor 1997. Met ingang van 1997 is werkkleding kleding die hetzij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om bij het verwerven van de inkomsten te dragen hetzij is voorzien van een of meer duidelijk zichtbare, aan degene die de inkomsten verstrekt gebonden beeldmerken met een oppervlakte van tezamen ten minste 70 cm² (artikel 36, twaalfde lid, van de Wet in verbinding met artikel 7a van de Uitvoerings-regeling).

5. Belanghebbende stelt dat zijn helm is voorzien van een intercom-installatie en dat deze daarom (nagenoeg) uitsluitend geschikt om bij het verwerven van inkomsten te dragen. Tegenover de weerspreking door de inspecteur heeft belanghebbende - op wie de bewijslast rust - niet aannemelijk gemaakt dat de helm met intercom-installatie niet of nauwelijks geschikt is om buiten het verwerven van de inkomsten te dragen. Op de helm zijn geen beeldmerken aangebracht. De helm is naar het oordeel van het Hof niet aan te merken als werkkleding.

6. Belanghebbende stelt onweersproken dat op de kevlar jas twee beeldmerken zijn aangebracht en dat deze beeldmerken een gezamenlijke oppervlakte hebben van meer dan 70 cm². Het Hof is van oordeel dat de op de beeldmerken vermelde teksten ‘gediplomeerd motorrijinstructeur’ en ‘KNMV’ duiden op de werkzaamheden van belanghebbende en dat deze beeldmerken daarom voldoen aan de voorwaarden dat zij zijn gebonden aan de werkgever. Dat de naam van de werkgever niet op het beeldmerk is vermeld, is naar ’s Hofs oordeel niet vereist. De in artikel 7a van de Uitvoeringsregeling opgenomen voorwaarde dat de beeldmerken zijn gebonden aan degene die de inkomsten verstrekt is, blijkens de wetsgeschiedenis, immers opgenomen ten einde te voorkomen dat populaire merknamen en dergelijke worden gehanteerd en daarvan is in dit geval geen sprake. Naar het oordeel van het Hof is de kevlar jas aan te merken als werk-kleding.

7. Van de overige kledingstukken is niet gesteld en ook niet aannemelijk geworden dat deze uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt zijn om bij het verwerven van de inkomsten te dragen. Daarop zijn ook geen aan de werkgever gebonden beeldmerken aangebracht. Zij zijn daarom niet aan te merken als werkkleding. De door belanghebbende gestelde omstandig-heid dat op deze kleding om verschillende redenen geen beeldmerken kunnen worden aangebracht doet daaraan niet af. Ook het feit dat belanghebbende deze kleding specifiek voor zijn werk heeft aangeschaft maakt dat niet anders. In zoverre is het gelijk aan de inspecteur.

8. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat de aftrekbare kosten van belanghebbende ƒ 250 (de uitgaven voor de onder 6 vermelde kevlar jas) hoger zijn dan de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag in aanmerking heeft genomen. Het onzuivere inkomen van belanghebbende bedraagt derhalve (ƒ 40.037 - ƒ 250 =) ƒ 39.787. De drempel voor aftrek van studiekosten bedraagt (2% van ƒ 39.787 =) ƒ 795, in plaats van de door de inspecteur in aanmerking genomen drempel van ƒ 800. Het belastbare inkomsten van belanghebbende bedraagt (ƒ 38.225 - ƒ 250 - ƒ 5 =) ƒ 37.970.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien gesteld noch gebleken is dat andere in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan de reiskosten voor het bijwonen een zitting te Amsterdam door belang-hebbende, zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op ¦ 35.

De uitspraak is gedaan op 24 januari 2001 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.