Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AA9681

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
98/3698
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/37.34 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht te Amsterdam, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 25 november 1999, ingediend door Y als gemachtigde van belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 18 november 1999, betreffende de ten name van belanghebbende opgelegde -op één biljet met aanslagnummer 000 verenigde- aanslagen waterschapsbelasting voor het jaar 1998. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

Het beroep strekt, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vernietiging van de aanslagen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Op 26 september 2000 is ter griffie een pleitnota van de gemachtigde ingekomen. Verweerder heeft van de pleitnota kennis kunnen nemen en zich erover kunnen uitlaten. De pleitnota wordt tot de gedingstukken gerekend.

Ter zitting van 6 oktober 2000 is verschenen Y alsmede, namens verweerder, (…). Het beroep is met instemming van alle partijen gelijktijdig behandeld met de beroepen van belanghebbende die bij het Hof zijn geadministreerd onder de nummers 99/3695, 99/3696 en 99/3697.

Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 19 oktober 2000. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is op 6 november 2000 aan partijen verzonden. Ter griffie is op 14 november 2000 van de gemachtigde het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht, ƒ 80, is tijdig voldaan.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Met dagtekening 31 maart 1999 heeft verweerder ten name van belanghebbende drie aanslagen waterschapsbelasting 1998 (aanslagnummer 000) opgelegd, één ter zake van de onroerende zaak a-weg 1 en twee ter zake van onroerende zaken, beide aangeduid als b-weg 1, alle gelegen te Z. Het op deze aanslagen te betalen bedrag is in totaal ƒ 31. De aanslagen zijn opgelegd op grond van de Omslagverordening Amstel, Gooi en Vecht. Een kopie van deze verordening behoort tot de gedingstukken.

2.2. De onderhavige aanslagen betreffen omslagen ter zake van het genot krachtens eigendom of beperkt recht van gebouwde onroerende zaken.

3. Geschil

In geschil is of de onderhavige aanslagen terecht zijn opgelegd, welke vraag verweerder bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- het volgende toegevoegd.

door de gemachtigde:

Belanghebbende heeft dwangbevelen ontvangen op het moment dat nog niet op het bezwaar beslist was.

De aanslagen zijn gerelateerd aan de WOZ-waarde van de betreffende onroerende zaken. De gemeente Z springt onzorgvuldig om met de gegevens; wordt belanghebbende wel voor het juiste bedrag aangeslagen?

Verweerder moet zelf de taxatie van de onroerende zaken uitvoeren.

Het is niet correct dat er een verband wordt gelegd tussen het waterbeheer en de waarde van de onroerende zaken.

door verweerder:

De bezwaren van belanghebbende betreffen het wettelijk systeem.

De gemeente Z is verplicht om ons de WOZ-gegevens te verschaffen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbendes voornaamste grieven bestaan eruit dat de WOZ-waarde van de onder 2.1. genoemde onroerende zaken als uitgangspunt voor de hoogte van de onderhavige aanslagen geldt, dat de gemeente Z onzorgvuldig met haar adresgegevens is omgegaan en deze zonder haar toestemming aan het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Hoogheemraadschap) ter beschikking heeft gesteld.

5.2. Wat belanghebbendes grief over de WOZ-waarde als uitgangspunt voor de hoogte van de aanslagen betreft, overweegt het Hof dat de wetgever voor de ‘omslagheffing gebouwd’ bij de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) heeft willen aansluiten. Ingevolge artikel II, onderdeel B, van de Wet van 23 december 1996, Stb. 653, is de tekst van artikel 120 van de Waterschapswet gewijzigd. Deze Aanpassingswet Wet WOZ bevat onder meer wijzigingen van de Waterschapswet die verband houden met de eerder in werking getreden Wet WOZ. “De objectafbakening en het waardebegrip voor de waterschapsomslag ter zake van gebouwde onroerende zaken sluiten in hoofdlijnen aan bij die uit de Wet WOZ, en daarmee bij die welke gelden voor de onroerende-zaakbelastingen uit de Gemeentewet. De ingevolge de Wet WOZ vastgestelde waarde kan dan ook om de met betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen uiteengezette reden worden gebruikt voor de omslagen ter zake van gebouwde onroerende zaken. (…).” (Kamerstukken II, 1996/97, 25 037, nr. 3, blz. 7/8).

5.3. Sinds 1 januari 1997 luidt artikel 120, tweede lid, van de Waterschapswet als volgt: “Voor de omslagen ter zake van gebouwde onroerende zaken is, indien de gebouwde onroerende zaak tevens een onroerende zaak is als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, de heffingsmaatstaf op de voet van hoofdstuk IV van die wet voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het tijdvak waarbinnen het desbetreffende belastingjaar valt.”

5.4. Ook vóór het in werking treden van de Wet WOZ gold de waarde in het economische verkeer al als maatstaf voor de onderhavige heffing. Naar het oordeel van het Hof mocht de wetgever zonder schending van enige rechtsregel deze maatstaf kiezen. De aan de aanslag ten grondslag liggende verordening is in overeenstemming met het wettelijke voorschrift.

5.5. Artikel 24 van de Wet WOZ bepaalt dat de desbetreffende gemeenteambtenaar gehouden is de inhoud van de WOZ-beschikking mede te delen aan de overheden die ten behoeve van hun belastingheffing gebruik maken van de WOZ-waarde. Reeds om die reden heeft verweerder de gegevens rechtmatig verkregen. Toestemming van belanghebbende is niet vereist.

5.6. De aanslagen zijn in overeenstemming met Hoofdstuk III (“Omslagheffing gebouwd”) van de omslagverordening Amstel, Gooi en Vecht opgelegd. Voorts zijn de aanslagen niet strijdig met de Waterschapswet of met enige andere wettelijke bepaling. De omstandigheid dat de WOZ-waarde eventueel nog niet definitief vaststaat, doet niet af aan de geldigheid van de aanslagen. Mocht die waarde worden verlaagd, dan is verweerder wettelijk verplicht de aanslagen ambtshalve te verminderen.

5.7. Gelet op het vorenoverwogene concludeert het Hof tot bevestiging van de bestreden uitspraak. Hetgeen belanghebbende overigens gesteld heeft kan evenmin tot vernietiging van de bestreden uitspraak leiden. Het gelijk is derhalve aan verweerder.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 17 januari 2001 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 19 oktober 2000.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.