Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2001:AA9460

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2001
Datum publicatie
15-01-2001
Zaaknummer
6/2001 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 25
Wet op de ondernemingsraden 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2001, 9
JOR 2001/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

PROCES-VERBAAL van het verhandelde ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 januari 2001.

Tegenwoordig zijn: mr J.H.M. Willems, voorzitter, mr J. den Boer en mr R.H.L. Cornelissen, raadsheren, prof. dr Van Hoepen RA en drs Izeboud RA, raden, en mr M.F. Backx, griffier.

Behandeling van het verzoekschrift onder nummer 6/2001 OK van:

DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID BISCUITS DELACRE B.V.,

gevestigd te Ede (Gld.),

VERZOEKER,

procureur: mr L.P. Broekveldt,

advocaat: mr J.J.M. van Mierlo,

t e g e n

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BISCUITS DELACRE B.V.,

gevestigd te Ede (Gld.),

VERWEERSTER,

procureur en advocaat: mr E.Th.M. Sneek.

1. Het verloop van het geding

1.1 Bij op 5 januari 2001 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties heeft de ondernemingsraad de Ondernemingskamer verzocht a) te verklaren dat Biscuits Delacre B.V. (hierna ook de ondernemer te noemen) bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen tot sluiting van de fabriek in Ede en tot het (ten dele) verplaatsen van de productie naar Zaandam, b) de ondernemer de verplichting op te leggen het bestreden besluit in trekken en de gevolgen ervan ongedaan te maken, c) de ondernemer te verbieden handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit en d) voorlopige voorzieningen te treffen met betrekking tot de door de ondernemingsraad verzochte voorzieningen.

1.2 Ter terechtzitting van de Ondernemingskamer van 11 januari 2001 is uitsluitend het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen behandeld. Verschenen zijn aldaar: voor verzoeker zijn voorzitter M.L. Kuypers-Wittendorp, bijgestaan door de advocaat mr J.J.M. van Mierlo, en voor de ondernemer de directeuren J.W. Boshuizen en P.J.M. van Kooten, bijgestaan door de advocaat mr E.Th. Sneek.

1.3 De advocaten hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities. Mr Sneek heeft bij gelegenheid daarvan producties in het geding gebracht. De advocaten en partijen hebben geantwoord op door de Ondernemingskamer gestelde vragen.

1.4 De voorzitter heeft daarop de behandeling geschorst voor beraad. Na hervatting van de terechtzitting heeft de voorzitter meegedeeld dat de Ondernemingskamer terstond uitspraak doet op het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.

2. De vaststaande feiten

2.1 Biscuits Delacre B.V. maakt sinds 1998 deel uit van de United Biscuits Groep. Daartoe behoort in Nederland tevens Koninklijke Verkade N.V. te Zaandam. Statutaire bestuurders van de beide vennootschappen zijn J.W. Boshuizen en P.J.M. van Kooten.

2.2 Biscuits Delacre B.V. produceert in haar fabriek te Ede, alwaar ongeveer 160 werknemers werkzaam zijn, koekjes, voor een groot deel zogeheten sprits, deels onder de merknaam Verkade Nobo.

2.3 Naar de stelling van de ondernemer wordt te Ede verlies geleden. In verband daarmee heeft hij pogingen ondernomen Biscuits Delacre B.V. te vervreemden aan een derde, overigens met onder meer als uitgangspunt dat rechten op -bekende- merken zoals Verkade Nobo buiten een te sluiten transactie zouden moeten blijven omdat de ondernemer deze wenst te behouden. Bedoelde pogingen zijn op niets uitgelopen.

2.4 Vervolgens heeft de ondernemer het voornemen opgevat de fabriek te Ede te sluiten en de productie, althans minstgenomen ten dele, te verplaatsen naar de fabriek van Koninklijke Verkade N.V. te Zaandam. Dienaangaande heeft hij aan de ondernemingsraad advies gevraagd. Deze heeft negatief geadviseerd.

2.5 Bij brief van 12 december 2000 heeft de ondernemer de ondernemingsraad bericht te hebben besloten tot sluiting van de productie te Ede en tot verplaatsing van de productie (van in ieder geval sprits) naar Zaandam.

3. De gronden van de beslissing

3.1 Het verzoek van de ondernemingsraad is gebaseerd op de stelling dat de ondernemer tot het besluit om de fabriek in Ede te sluiten en de productie (ten dele) naar Zaandam te verplaatsen in redelijkheid niet heeft kunnen komen, verkort weergegeven omdat niet althans niet zoals door de ondernemer wordt voorgerekend, sprake is van een verliesgevende situatie te Ede, dat de ondernemer in zijn onderhandelingen met een derde omtrent een eventuele vervreemding aan deze van Biscuits Delacre B.V. niet als uitgangspunt het behoud van merken had mogen nemen en vooral omdat de beslissing tot sluiting van de fabriek te Ede en verplaatsing van (een deel van) de productie naar Zaandam in vergelijking met vervreemding van Biscuits Delacre B.V. aan een derde blijk geeft van een onaanvaardbare belangenafweging. Wat dat laatste betreft heeft de ondernemingsraad meer in het bijzonder naar voren gebracht, in de eerste plaats dat vervreemding van Biscuits Delacre B.V. aanmerkelijk goedkoper is dan sluiting van de fabriek te Ede en verplaatsing van de productie naar Zaandam vanwege de besparing van -zeer hoge- sluitings- en verplaatsingkosten, in de tweede plaats dat in geval van vervreemding de belangen van het personeel beter worden gediend omdat alsdan sprake is van behoud van de werkgelegenheid en in de derde plaats dat overdracht van Biscuits Delacre B.V. aan een derde de ondernemer financiële voordelen biedt omdat een derde bereid is te produceren ten behoeve van de ondernemer tegen een lagere kostprijs dan die waarvoor thans de productie van sprits plaatsvindt, terwijl die derde bovendien bereid is het voorraadrisico voor zijn rekening te nemen.

3.2 Daaromtrent en omtrent het verweer van de ondernemer overweegt de Ondernemingskamer -nu het om het al of niet treffen van voorlopige voorzieningen en derhalve om een voorlopig oordeel gaat: uiteraard voorshands en summierlijk- als volgt. In de eerste plaats geldt dat niet aannemelijk is geworden dat niet sprake is van -een situatie en mate van- verliesgevendheid van de onderneming te Ede zodanig dat de ondernemer geen maatregelen zou mogen nemen om daaraan een einde te maken, bijvoorbeeld in de vorm van een besluit als dat waartoe hij thans is gekomen.

3.3 Voorzover de ondernemer bij zijn besluitvorming dienaangaande als uitgangspunt heeft genomen dat hij in de onderneming althans in de groep waarvan hij deel uitmaakt zelf wil kunnen beschikken over merken waaraan hij een grote waarde toekent, maakt zulks het bestreden besluit -of in beginsel enig ander besluit- evenmin kennelijk onredelijk. De ondernemer kan immers, althans zeker in beginsel, dat uitgangspunt in redelijkheid aan besluitvorming ten grondslag leggen.

3.4 Het bestreden besluit houdt -zoals overwogen- in ieder geval (ook) in verplaatsing van de productie van sprits naar Zaandam en beëindiging -in zoverre- van de productie te Ede. Naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer heeft de ondernemer aan de aan dit besluit ten grondslag gelegde motivering, meer in het bijzonder voor zover deze financiëel van karakter is en als zij wordt bezien in relatie tot een door hem zelf onderzocht en thans in het bijzonder ook door de ondernemingsraad gepresenteerd alternatief, noch in de adviesaanvraag noch in het uiteindelijke, in afwijking van het advies van de ondernemingsraad, genomen besluit, voldoende aandacht gegeven.

3.5 Aldus is onvoldoende duidelijk geworden of en zo ja op welke wijze de ondernemer alle betrokken belangen in de afweging heeft betrokken, meer in het bijzonder ook voor zover die de keuze uit de voorhanden alternatieven heeft bepaald.

3.6 Ofschoon weliswaar de uiteindelijke beslissing in een aangelegenheid als de onderhavige aan de ondernemer en niet aan de ondernemingsraad is, heeft de ondernemingsraad terecht aangevoerd dat de ondernemer onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het alternatief van overdracht van Biscuits Delacre B.V. en daarmee van de onderneming aan een derde, met name ook gezien de personeelsbelangen, niet de voorkeur zou hebben verdiend boven het besluit zoals dat thans is genomen, mede omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet -voldoende- duidelijk is gemaakt waarom dat alternatief niet -ook- zou passen in de opvattingen van de ondernemer omtrent de door hem bij de besluitvorming nagestreefde doeleinden, terwijl voorts ook een specifieke en genoegzame motivering van het bestreden besluit -ook los van het perspectief van het moeten maken van een keuze uit alternatieven- ontbreekt. De ondernemer heeft immers eerst ter zitting van de Ondernemingskamer een -in beginsel voldoende toetsbare- motivering gepresenteerd doordat hij een aantal stellingen van feitelijke aard naar voren heeft gebracht zowel ter staving van de door hem genomen beslissing als ter adstructie van zijn keuze voor sluiting van de fabriek te Ede en verplaatsing van (een deel van) de productie naar Zaandam in plaats van voor overdracht van Biscuits Delacre B.V. aan een derde. Aldus kan niet, althans niet zonder méér worden vastgesteld of en zo ja in hoeverre die motivering deugdelijk is te achten terwijl bovendien moet worden geoordeeld dat voormelde stellingen, meer in het bijzonder voor zover zij betrekking hebben op de kosten van productie in Zaandam en het oplossen van het probleem van overcapaciteit aldaar, ook al kunnen deze -mits vaststaand- overigens door de ondernemer bepaaldelijk in de besluitvorming worden betrokken, in het overleg met de ondernemingsraad niet eerder naar voren zijn gebracht en dus door de ondernemingsraad in zijn advies en in zijn beschouwingen omtrent het door hem aangedragen alternatief -ten onrechte- geen rol hebben kunnen spelen.

3.7 Voorshands moet dus worden geoordeeld dat een genoegzame motivering vanwege de ondernemer zowel ten aanzien van het bestreden besluit op zichzelf genomen als ten aanzien van de keuze daarvoor in relatie tot het door de ondernemingsraad genoemde alternatief ontbreekt. Het bestreden besluit moet derhalve voorshands als kennelijk onredelijk worden aangemerkt. De verzochte voorlopige voorzieningen zijn op deze grond voor toewijzing vatbaar, hetgeen leidt tot de volgende beslissing.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

Verstaat dat naar haar voorlopig oordeel de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het thans door de ondernemingsraad bestreden besluit tot sluiting van de fabriek te Ede en tot verplaatsing van (een deel van) de productie naar Zaandam.

Verbiedt bij wege van voorlopige voorziening, vooralsnog voor de duur van het geding, de ondernemer handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit.

Legt bij wege van voorlopige voorziening, vooralsnog voor de duur van het geding, de ondernemer de verplichting op eventuele, reeds ingetreden gevolgen ongedaan te maken.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Bepaalt dat het verzoek ten gronde zal worden behandeld op een nader, op eerste verzoek van (een der) partijen, te bepalen dag en uur.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Waarvan proces-verbaal,