Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AN8474

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2000
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
0029/98
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het Besluit monsterneming en monsteronderzoek is aan de ambtenaren opgedragen een zodanige hoeveelheid van de te bemonsteren goederen te nemen dat daaruit tenminste drie eindmonsters kunnen worden samengesteld. Hiervan dient er één naar het onderzoekslaboratorium te worden gestuurd, terwijl de twee resterende monsters moeten worden achtergehouden om te kunnen worden gebruikt voor het heronderzoek of voor de bezwaarprocedure. In casu is gebleken dat bij de ambtelijke monsterneming onjuistheden zijn begaan. Het monsteronderzoek is in beide fasen slechts geconcentreerd op een en hetzelfde deelstuk, hetgeen tot het oordeel moet leiden dat de uitslag van het onderzoek onevenwichtig is en niet kan worden gebruikt om het karakter van de gehele partij te representeren. Het hier geconstateerde verzuim betekent volgens vaste rechtspraak van de Tariefcommissie, dat in de verificatieprocedure wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden, waardoor het niet mogelijk is de uitslag van die procedure te aanvaarden als grondslag voor de indeling in de restitutienomenclatuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0029/98 TC

de dato 14 november 2000

1. De procedure

1.1. Op 18 februari 1998 is een beroepschrift ingekomen van A en B van C, belastingadviseurs te R. ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid D B.V., belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het Hoofd van het douanedistrict X (hierna: de inspecteur) van 9 februari 1998, nr. xxx, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de door de ambtenaren vastgestelde indeling van ten uitvoer aangegeven goede-ren in de restitutienomenclatuur, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 8 augustus 2000. Daar zijn verschenen namens belanghebbende A en B, vergezeld van E en F; namens de inspecteur zijn verschenen Y en Z. Partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 22 juli 1996 heeft belanghebbende in opdracht van G B.V. bij de douane te P onder nummer yyy een aangifte ten uitvoer EX 1 gedaan voor een partij rundvlees met een nettogewicht van 12.500 kg. Het rundvlees is op de aangifte omschreven als:

"vlees van runderen, bevroren, zonder been andere, delen zonder been, ieder afzonderlijk verpakt met een gewicht aan mager rundvlees (met uitzondering van vet) van 50 % of meer".

De goederen zijn in de restitutienomenclatuur aangegeven onder post 0202 30 90 R400 0000 10. Ter verkrijging van restitutie van landbouwheffing werd tevens het formulier L, nummer zzz, overgelegd.

2.2. De ambtenaren zijn overgegaan tot fysieke opneming van de goederen; hiertoe werden 10 dozen geopend. Uit één doos werd één deelstuk als monster genomen en voor onderzoek naar het Laboratorium van de Belastingdienst (hierna: het Laboratorium) gezonden ter bepaling van het gehalte aan rundvlees. Belanghebbende was niet bij deze monsterneming aanwezig.

2.3. Op 23 augustus 1996 is de aangever de navolgende uitslag van het monsteronderzoek meegedeeld:

"Het monster bestaat uit bevroren vlees van run-deren, zonder been, elk deelstuk individueel verpakt. Het gehalte aan vlees (met uitzondering van slachtafvallen en vet), bepaald volgens Vo.(EEG)nr. 2429/86 bedraagt 44 gewichtspercenten."

Naar aanleiding van deze uitslag heeft belanghebbende op 26 augustus 1996 om heropneming verzocht. Omdat de onderhavige goederen op het moment van dat verzoek reeds waren vrijgegeven, bestond het heronderzoek uit een analyse van het achtergehouden gedeelte van het eerdergenoemde geselecteerde monster. De uitslag van het heronderzoek verschilde in zoverre van de uitslag van het eerste onderzoek dat het gehalte aan vlees één gewichtspercent minder bedroeg.

2.6. Op 22 oktober 1996 werd de verificatie beëindigd en hebben de ambtenaren, in afwijking van de aangifte, de goederen ingedeeld onder post 0202 30 90 R900 van de restitutienomenclatuur.

3. Het geschil

In geschil is de indeling in de restitutienomenclatuur zoals die na de monsterneming heeft plaatsgevonden.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Primair wordt gesteld dat het gehalte mager rundvlees zoals omschreven in de aangegeven goederencode niet ziet op het gehalte mager rundvlees op deelstukniveau, maar op het gehalte op partijniveau, zodat één deelstuk nooit een representatief monster kan zijn.

Aanwijzing hiervoor wordt gevonden in de goederenomschrijving van de post: deze spreekt over delen (meervoud) die geen been mogen bevatten en tevens een gehalte aan mager rundvlees hebben van 50 % of meer. Het gaat derhalve om een gemiddeld percentage. Het individuele karakter komt pas naar voren bij de derde eis, dat alle deelstukken individueel verpakt moeten zijn.

Bovendien kan de douane door de wijze van monsterneming niet van de aangegeven goederencode afwijken, omdat zij over onvoldoende gegevens beschikt om alternatieve goederencodes, zoals bijvoorbeeld 0202 30 90 00 9500 te kunnen toetsen.

Tenslotte wordt erop gewezen dat Verordening (EG) nr. 2457/97 van 10 december 1997 vaststelt op welke wijze de goederenomschrijving dient te worden geïnterpreteerd. Aangezien de goederenomschrijving niet is gewijzigd, had deze altijd al geïnterpreteerd moeten worden op de wijze zoals nu in de verordening is vastgelegd. Naar aanleiding van een strafrechtelijke vervolging wegens onjuiste aangifte, heeft ook de Politierechter geconcludeerd dat de verordening bevestigt dat het standpunt van de douane dat ieder deelstuk moet voldoen aan het vereiste vleesgehalte, berust op een onjuiste interpretatie van de communautaire goederenomschrijving.

4.2. Subsidiair wordt gesteld dat de bevindingen bij verificatie naar rato dienen te worden toegepast op de hele partij, dit onder verwijzing naar de uitspraak van de Tariefcommissie van 24 augustus 1999, nr. 0158/97 TC.

4.3. Belanghebbende is niet op de hoogte gesteld van de monsterneming; hiermee is afgeweken van de dwingend voorgeschreven en met waarborgen omklede procedure van de verificatie. Belanghebbende heeft geen bezwaar kunnen maken tegen de wijze van monsterneming en is hierdoor in haar belangen geschaad.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Uit de aantekeningen van de controlerend ambtenaar valt af te leiden dat belanghebbende op de hoogte is gesteld van de fysieke controle en de monsterneming. Ook als dit niet zou zijn gebeurd, is belanghebbende niet in haar belangen geschaad. In de onderhavige bezwaar/beroepsprocedure komt de wijze van monsterneming ook aan de orde bij de vraag of de gehele partij onder de juiste post van de restitutienomenclatuur is ingedeeld.

5.2. De voorwaarden waaronder de restitutie wordt toegekend zijn opgenomen in de tekst van de Verordening (EEG) nr.656/91 van de Commissie van 19 maart 1991 (de restitutieverordening). Voor de onderhavige goederen bevat de verordening een zeer strikte formulering, te weten "delen zonder been, ieder afzonderlijk verpakt, met een gehalte aan mager rundvlees (met uitzondering van vet) van 50 % of meer". Gelet op deze omschrijving van de betrokken goederen is één deelstuk zeker representatief te achten voor een partij die, gezien de aangifte, dient te bestaan uit deelstukken die elk moeten voldoen aan het gestelde percentage vlees. Wanneer reeds één deelstuk niet voldoet aan de eisen, is dat reden om de restitutie in zijn geheel te weigeren. Een beroep op het proportionaliteitsbeginsel faalt omdat de communautaire douanewetgeving niet de beginselen van behoorlijk bestuur kent. Dat aan verordeningen geen terugwerkende kracht wordt toegekend wordt bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie van 15 juli 1993, nr. C-34/92, Jur. I - blz. 4147.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. In paragraaf 2.2.1. van het Besluit monsterneming en monsteronderzoek is aan de ambtenaren opgedragen een zodanige hoeveelheid van de te bemonsteren goederen te nemen dat daaruit tenminste drie eindmonsters kunnen worden samengesteld; hiervan dient er één voor onderzoek naar het Laboratorium te worden gestuurd, terwijl de twee resterende monsters moeten worden achtergehouden om te kunnen worden gebruikt voor het heronderzoek of voor de bezwaarprocedure.

6.2. Uit de sub 2.2. en 2.3. weergegeven feiten blijkt dat bij de ambtelijke monsterneming onjuistheden zijn begaan. Het monsteronderzoek is in beide fasen slechts geconcentreerd op een en hetzelfde deelstuk, hetgeen tot het oordeel moet leiden dat de uitslag van het onderzoek onevenwichtig is en niet kan worden gebruikt om het karakter van de gehele partij te representeren. In de sub 6.1. vermelde paragraaf van het Besluit monsterneming ligt dezelfde opvatting besloten.

6.3. Het hier geconstateerde verzuim betekent volgens vaste rechtspraak van de Tariefcommissie, dat in de verificatieprocedure wezenlijke vormvoorschriften zijn geschonden, waardoor het niet mogelijk is de uitslag van die procedure te aanvaarden als grondslag voor de indeling in de restitutienomenclatuur.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11 b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2 (beroep en verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht) x f 710,-- = f 2.130,--

8. De beslissing

De Tariefcommissie:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- handhaaft post 0202 30 90 400 van de restitutienomenclatuur, zoals die is aangegeven;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten groot f 2.130,-- aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het griffierecht ad f 150,-- te vergoeden

Aldus gewezen in raadkamer op 14 november 2000 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, H.J. Bokhorst, gewoon lid, mr. Th.J.G. van Berkum, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van

mr. L. G. Jobse als secretaris.

De secretaris De voorzitter

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 14 november 2000.