Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AM7953

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2000
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
0165/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In casu gaat het om goederen die gezamenlijk in twee containers in Nederland zijn aangekomen en waren bestemd om gezamenlijk tot een aantal van 318 fietsen te worden geassembleerd. De aangiften ten invoer in het vrije verkeer met betrekking tot die goederen zijn daarna gedaan binnen een kort tijdsbestek van elf dagen bij hetzelfde aangiftepunt en door dezelfde aangever. Onder deze omstandigheden mochten de op de aangiften vermelde goederen voor de toepassing van het GDT worden beoordeeld alsof zij tezamen op één aangifte waren ingevoerd, aldus de Tariefcommissie. Verder heeft naar het oordeel van de Tariefcommissie de inspecteur daarvan uitgaande zich terecht op het standpunt gesteld dat de goederen met toepassing van indelingsregel 2-a moeten worden aangemerkt als rijwielen van post 8712 00 30 van het GDT. Door vermelding van een onjuiste tariefpost in de litigieuze aangiften is een lager bedrag aan douanerechten geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag; op grond van artikel 220, lid 1, CDW dienen de niet geheven douanerechten te worden nagevorderd, tenzij navordering op grond van het bepaalde in lid 2, letter b, achterwege dient te blijven. In dit geval heeft een douaneambtenaar in het kader van een controle op onder meer de aangegeven tariefpost de goederen daadwerkelijk onderzocht. De verificatie is beëindigd op een tijdstip dat alle aangiften waren gedaan. Uit de mededelingen van beëindiging van de verificatie bleken de aangegeven posten van het GDT niet te zijn gewijzigd; de douanerechten zijn conform de aangiften geheven en voldaan. Daarmee is naar het oordeel van de Tariefcommissie sprake van een actieve gedraging die als een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van laatstgenoemde bepaling moet worden aangemerkt. Op grond van hetgeen partijen met betrekking tot het overleg tussen belanghebbende, diens opdrachtgever en de douane en belanghebbende over en weer hebben gesteld, acht de Tariefcommissie aannemelijk dat het aan belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften niet volkomen duidelijk was of moest zijn dat de douane de goederen met zekerheid als rijwielen in niet-gemonteerde staat zou aanmerken; belanghebbende kon daarom menen dat de door haar aangegeven tariefposten juist waren. Het volgen van die aangiften kan daarom worden aangemerkt als een vergissing, die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken. Dit leidt tot het oordeel dat aan de de voorwaarden van artikel 220, lid 2, letter b, CDW is voldaan, zodat de navordering achterwege had moeten blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0165/97 TC

de dato 7 november 2000

1. De procedure

1.1. Op 11 augustus 1997 is een beroepschrift ingekomen van mr. R te A, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van de Douanedistrict Z (hierna: de inspecteur) van 7 juli 1997, nummer ..., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 22 januari 1997, nummer ..., vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 13.477,40, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 8 september 1998. Daar zijn verschenen namens belanghebbende mr. R voornoemd en W. Z, directeur van belanghebbende, en namens de inspecteur mr. G en A. De gemachtigde heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.4. In verband met de gewijzigde samenstelling van de Tariefcommissie heeft op 3 oktober 2000 een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen zijn daar niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft in opdracht van A in B in juni 1996 een partij onderdelen voor fietsen naar Nederland doen vervoeren met het doel deze hier te lande tot fietsen te assembleren. Uit de hoeveelheid goederen konden exact 318 fietsen worden gemonteerd. De goederen zijn geladen in twee containers, een met 201 kartons en een met 672 kartons fietsonderdelen. De kartons waren geladen met onderdelen van één bepaalde soort. Na aankomst in C zijn de goederen met toestemming van de douane onder geleide van een document T1 naar een locatie aan de T-weg 3 te D, niet zijnde een douane-entrepot, gebracht alwaar met de assemblage van de goederen tot fietsen is aangevangen.

2.2. In de periode van 20 juni 1996 tot 1 juli 1996 heeft belanghebbende met betrekking tot deze goederen bij de douaneambtenaren te Z in totaal 22 aangiften ten invoer in het vrije verkeer gedaan, waaronder de hierna volgende aangiften. Tot de gedingstukken behoren uit het Sagittasysteem afkomstige "mededelingen afhandeling aangifte ten invoer" ten aanzien van die aangiften, waarop staan vermeld het nummer van de aangifte, de daarmede ingevoerde goederen met de aangegeven goederencode, de aanvaardingsdatum - telkens dezelfde dag als waarop de aangifte is gedaan -, de datum van beëindiging van de verificatie alsmede de mededeling van verschuldigdheid van douanerechten. Op deze documenten wordt gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de betreffende uitnodiging tot betaling. Op de bijgaande documenten is telkens vermeld dat de goederen door de douaneambtenaar B daadwerkelijk zijn opgenomen.

Het vorenstaande betreft de aangiften:

a) aangiftenummer .. 00000..2 van "binnenbanden voor rijwielen", goederencode 4013 20 00, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 64,50;

b) aangiftenummer .. 00000..3 van "andere delen voor rijwielen,andere", goederencode 8714 99 90, aanvaardings-datum 01.07.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 649,80;

c) aangiftenummer .. 00000..4 van "derailleurs", goederencode 8714 99 50, aanvaardingsdatum 24.06.1996, verificatie beëindigd 03.10.96, verschuldigdheid f 329,--;

d) aangiftenummer .. 00000.22 van "mandjes voor rijwielen, van ijzer", goederencode 7326 90 97, aanvaardingsdatum 24.06.1996, verificatie beëindigd 03.10.96, verschuldigdheid f 4,20;

e) aangiftenummer .. 00000.27 van "onderdelen voor rijwielen t.w. remmen", goederencode 8714 94 30, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 493,50;

f) aangiftenummer .. 00000.31 van "andere delen van rijwielen, andere", goederencode 8714 99 90, aanvaardingsdatum 24.06.1996, verificatie beëindigd 03.10.96, verschuldigdheid f 332,60;

g) aangiftenummer .. 00000.34 van "derailleurs", goederen- code 8714 99 50, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 329,--;

h) aangiftenummer .. 00000.38 van "andere delen van rijwielen, andere", goederencode 8714 99 90, aanvaardingsdatum 20.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96 verschuldigdheid f 329,--;

i) aangiftenummer .. 00000.46 van "pedalen voor rijwielen", goederencode 8714 96 10, aanvaardingsdatum 20.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 33,00;

j) aangiftenummer .. 00000.50 van "vorken voor rijwielen", goederencode 8714 91 30, aanvaardingsdatum 20.06.1996, verificatie beëindigd 03.10.96, verschuldigdheid f 178,50;

k) aangiftenummer .. 00000.53 van "onderdelen voor rijwielen, t.w. zadelpinnen", goederencode 8714 95 00, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 164,60;

l) aangiftenummer .. 00000.60 van "banden voor rijwielen", goederencode 4011 50 90, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 64,50;

m) aangiftenummer .. 00000.65 van "rijwielframes, compleet", goederencode 8714 91 10, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 03.10.96, verschuldigdheid f 357,--;

n) aangiftenummer .. 00000.73 van "dynamo licht bet", goederencode 8512 10 00, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid nihil;

o) aangiftenummer .. 00000.81 van "onderdelen voor rijwielen, t.w. zadels", goederencode 8714 95 00, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 03.10.96, verschuldigdheid f 115,20;

p) aangiftenummer .. 00000.86 van "andere delen van rijwielen, sturen", goederencode 8714 99 10, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 329,--;

q) aangiftenummer .. 00000.90 van "kettingen voor rijwielen", goederencode 7315 11 10, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 08.10.96, verschuldigdheid f 125,70;

r) aangiftenummer .. 00000.02 van "velgen voor rijwielen", goederencode 8714 92 10, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 03.10.96, verschuldigdheid f 230,30;

s) aangiftenummer .. 00000.18 van "bellen", goederencode

8306 10 00, aanvaardingsdatum 27.06.1998, verificatie beëindigd 27.06.96, verschuldigdheid nihil,

t) aangiftenummer .. 00000.36 van "andere schroeven, van ijzer, andere", goederencode 7318 15 10, aanvaardingsdatum 27.06.1996, verificatie beëindigd 03.10.96, verschuldigdheid f 19,10.

2.3. Bij brief van 10 oktober 1996, kenmerk ..., heeft J, ambtenaar van het Douanedistrict Z, vestiging D, aan belanghebbende het volgende medegedeeld:

"Op 08.10.96 heeft U voor onderstaande documenten via Sagitta het bericht einde verificatie ontvangen. Deze documenten zijn echter per abuis door het systeem afgewerkt. U dient hieraan dan ook geen gevolgen te verbinden voor wat betreft de indeling van de goederen naar het tarief van invoerrechten. Het onderzoek naar de juiste indeling onderdelen of fietsen is nog niet beëindigd. Na beëindiging van dit onderzoek zullen eventueel naheffingen volgen. Het betreft de documenten .12-.13-.27-.34-.38-.46-.53-.60-.86-.90. Tevens wil ik U verzoeken in het vervolg op de aangiften ten invoer te vermelden: Onderzoek fietsen c.q. onderdelen.".

2.4. De sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling is als volgt gemotiveerd:

"De Belastingdienst/Douane post Z/kantoor D heeft bij de verificatie van de aangiften ten invoer tot verbruik de nummers .12-.13-.14-.22-.27-.31-.34-.38-.46-.50-.53-.60-.65-.73-.81-.86-.90-.02-.18 en .36 bevonden dat het betrof de invoer van fietsen in te monteren staat i.p.v. fietsonderdelen. Hierdoor werd er te weinig aan invoerrecht geheven. Ook werd hierdoor de verschuldigde anti-dumpheffing niet voldaan. Op grond van artikel 220 CDW nodig ik u uit de hierna vermelde verschuldigde rechten bij invoer en anti-dumpheffing te voldoen.".

Naar is vermeld in de bijlage van een aan belanghebbende gerichte brief van A voornoemd van 7 januari 1997 zijn de na te vorderen douanerechten als volgt berekend:

15,8% over f 90.999 = f 14.337,90

11% over f 31.337 = f 3.447,10

reeds betaald f 4.307,60 -/-

navordering douanerechten f 13.477,40.

3. Het geschil

Primair is in geschil of de op de 20 litigieuze aangiften ten invoer vermelde goederen gezamenlijk voor de toepassing van het GDT mochten worden beoordeeld als met elkaar samenhangende goederen en of die goederen met toepassing van de Algemene regel voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur nr. 2, letter a (hierna: indelingsregel 2-a), bij de sub 2.4. genoemde uitnodiging tot betaling terecht zijn ingedeeld als rijwielen van post 8712 00 30.

Indelingsregel 2-a luidt als volgt:

"De vermelding van een goed in een post heeft eveneens betrekking op dat goed in niet-complete of in niet-afgewerkte staat, voor zover dit de essentiële kenmerken van het complete of het afgewerkte goed vertoont. Deze vermelding heeft eveneens betrekking op een compleet of een afgewerkt goed of een op grond van de voorgaande volzin als zodanig aan te merken goed, indien het wordt aangeboden in gedemonteerde of in niet-gemonteerde staat".

Tevens is in geschil of aan de goederen de Chinese oorsprong moet worden toegekend.

Subsidiair is in geschil of met toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, van het Communautair douanewetboek (CDW) de navordering achterwege had moeten blijven.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Voorafgaande aan de invoer heeft er vanaf eind 1995 herhaald overleg plaatsgevonden tussen belanghebbende, de opdrachtgever en de douane. Vanwege de positieve vooruitzichten is belanghebbende aangevangen zorg te dragen voor de invoer en de assemblage van fietsonderdelen. Daarna zijn de onderhavige fietsonderdelen naar Nederland gezonden als een eerste proefzending. Ondanks de volledige betrokkenheid van de douane bij de door belanghebbende ondernomen activiteiten zijn in afwijking van de gewekte verwachtingen die onderdelen toch door de douane als fietsen in niet-gemonteerde staat aangemerkt.

Toen de plannen voor het bedrijf werden gesmeed, was nog geen sprake van anti-dumpingsrechten op onderdelen van fietsen uit China. In het vooruitzicht van het instellen van Verordening (EG) nr. 71/97 van 10 januari 1997, op basis waarvan ook anti-dumpingsrechten op onderdelen van fietsen uit China zouden worden verschuldigd, heeft de opdrachtgever op 28 juni 1996 besloten haar activiteiten stop te zetten.

4.2.1. De aangiften zijn gedaan op de sub 2.2. vermelde data van aanvaarding. Niet kan worden gezegd dat de aangifte ten invoer reeds ter gelegenheid van de zuivering van de documenten T1 bij het douanekantoor te D is gedaan. De douane is daar aanvankelijk ook van uitgegaan blijkens de uitnodiging tot betaling, waarin van 20 stuks aangiften wordt gesproken. Aan de limitatief opgesomde criteria voor het doen van een mondelinge aangifte, zoals bepaald in artikel 225 van de Uitvoeringsverordening van het Communautair douanewetboek (UCDW), is niet voldaan. Evenmin is een schriftelijke aangifte volgens de vereenvoudigde procedure met aanvullende aangiften gedaan; dit had immers uit de data van aanvaarding moeten blijken.

4.2.2. Op de vier verschillende sub 2.2. vermelde data van invoer zijn alleen onderdelen van fietsen ingevoerd; de samenstellende onderdelen, die kunnen worden geïdentificeerd om te zamen tot een fiets te worden geassembleerd, zijn niet tezelfder tijd ten invoer aangegeven. Er zijn geen bouwpakketten ingevoerd, waarbij alle benodigde onderdelen in één verpakking waren samengevoegd. Er kunnen niet twee of meer afzonderlijke aangiften ten invoer in het kader van de indeling in het Tarief worden bijeengevoegd. De goederen zijn daarom terecht aanvankelijk als onderdelen van fietsen ingedeeld.

4.3. Aan de brief van de douane van 10 oktober 1996, waarbij is bericht dat aan de mededeling tot beëindiging van de verificatie op 8 oktober 1996 van tien aangiften geen gevolgen mochten worden verbonden, kan geen waarde worden gehecht. Nu de goederen voor de vaststelling van de indeling in het tarief daadwerkelijk bij de verificatie zijn opgenomen en er voldoende tijd is gelegen tussen het moment van de aangifte en de beëindiging van de verificatie, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 220, lid 2, letter b, CDW.

4.4. Bij de aangiften zijn vier verschillende facturen en meer certificaten van oorsprong, formulier A, overgelegd. De oorsprong van de fietsonderdelen kan afzonderlijk worden bepaald. Voor die onderdelen, waarvoor een certificaat is afgegeven, kan het preferentieel tarief worden verleend. Dat de goederen bij elkaar waren verpakt in twee containers is niet van belang; de goederen zijn afzonderlijk ten invoer aangegeven.

Uitgaande van de waarde en oorsprong van de volgens de Verordening (EG) nr. 71/97 als essentiëel aan te merken onderdelen, vertegenwoordigen de van Chinese oorsprong zijnde onderdelen een waarde van $ 16.218 en de van niet-Chinese oorsprong zijnde onderdelen een waarde van $ 23.850. Als sprake zou zijn van fietsen in niet-gemonteerde staat kan daaraan niet de Chinese oorsprong worden toegekend.

Met het advies van de Adviescommissie van de oorsprong in de sub 2.5. genoemde brief kan niet worden ingestemd. De Adviescommissie heeft niet over de achtergrondinformatie zoals de facturen beschikt; zij heeft daarom ten onrechte als vaststaand feit aangenomen dat sprake was van een verhouding 55% Chinese en 45% niet-Chinese oorsprong.

4.5. Op grond van het voorgaande dient de uitnodiging tot betaling van 22 januari 1997 te worden vernietigd.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Mede omdat er vooroverleg heeft plaatsgevonden zijn de goederen direct bij aankomst vrijgegeven en konden ze naar de locatie in D worden overgebracht, alwaar met assemblagehandelingen kon worden aangevangen. Voor de vrijgave zijn de bij de goederen horende relevante handelsbescheiden grondig opgenomen. Door het bij die vrijgave gesloten mondelinge akkoord moeten de goederen worden geacht toen ook ten invoer te zijn aangegeven. Op basis van wederzijds vertrouwen is afgesproken dat later een aanvullende schriftelijke aangifte ten invoer zou worden ingediend. Bij de vrijgave is tevens mondeling medegedeeld dat de verificatie zou leiden tot indeling onder fietsen in ongemonteerde staat. De goederen zijn met de vrijgave in het vrije verkeer gebracht; zij kunnen niet worden geacht in douane-entrepot te zijn opgeslagen.

5.2. Er is sprake van samenhangende aangiften, nu deze zijn gedaan binnen een beperkte tijd door één aangever op hetzelfde aangiftepunt en die aangiften betrekking hebben goederen, die in één zending naar Nederland zijn gezonden. De declarant van belanghebbende was niet in staat alle goederen tegelijkertijd aan te geven omdat de medewerkers over te weinig kennis van zaken beschikten en de aangiften daarom in samenwerking met de douane moesten worden gedaan. Gezien de kwaliteit van het voor de assemblage aangetrokken personeel moeten de goederen worden geacht door eenvoudige montagehandelingen tot een geheel te kunnen worden gebracht. Gelet op het voorgaande is aan de criteria voor toepassing van indelingsregel 2-a voldaan.

5.3. De Chinese oorsprong is, zij het marginaal, in overheersende mate aanwezig. De conclusie van de Voorzitter van de Adviescommissie voor de oorsprong van het Ministerie van Economische zaken is niet onjuist.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De indeling in het tarief

Alle onderwerpelijke goederen zijn gezamenlijk in twee containers in Nederland aangekomen en waren bestemd om gezamenlijk tot een aantal van 318 fietsen te worden geassembleerd. De aangiften ten invoer in het vrije verkeer met betrekking tot die goederen zijn daarna gedaan binnen een kort tijdsbestek van elf dagen bij hetzelfde aangiftepunt en door dezelfde aangever. Onder deze omstandigheden mochten de op de aangiften vermelde goederen voor de toepassing van het GDT worden beoordeeld alsof zij tezamen op één aangifte waren ingevoerd.

De inspecteur heeft daarvan uitgaande zich terecht op het standpunt gesteld dat de goederen met toepassing van indelingsregel 2-a moeten worden aangemerkt als rijwielen van post 8712 00 30 van het GDT. Voor dit oordeel is mede steun te vinden in de uitspraak van de Tariefcommissie van 23 november 1989, nr. 12452, UTC 1990/1* en het arrest van het Hof van Justitie van 16 juni 1994, nr. C-35/93, UTC 1996/21*, alsmede de uitspraak van de Tariefcommissie van 13 oktober 1998, nr. 0103/96 TC, UTC 1998/56*.

6.2. De navordering

6.2.1. Door vermelding van een onjuiste tariefpost in de litigieuze aangiften is een lager bedrag aan douanerechten geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag; op grond van artikel 220, lid 1, CDW dienen de niet geheven douanerechten te worden nagevorderd, tenzij navordering op grond van het bepaalde in artikel 220, lid 2, letter b, CDW achterwege dient te blijven.

6.2.2. In dit geval heeft een douaneambtenaar in het kader van een controle op onder meer de aangegeven tariefpost de goederen daadwerkelijk onderzocht. De verificatie is beëindigd op een tijdstip dat alle 20 aangiften waren gedaan. Uit de mededelingen van beëindiging van de verificatie bleken de aangegeven, op onderdelen van fietsen betrekking hebbende, posten van het GDT niet te zijn gewijzigd; de douanerechten zijn conform de aangiften geheven en voldaan. Daarmede is sprake van een actieve gedraging die als een vergissing van de douaneautoriteiten in de zin van laatstgenoemde bepaling moet worden aangemerkt.

6.2.3. Op grond van hetgeen partijen met betrekking tot het overleg tussen belanghebbende, diens opdrachtgever en de douane en belanghebbende over en weer hebben gesteld, acht de Tariefcommissie aannemelijk dat het aan belanghebbende ten tijde van het doen van de aangiften niet volkomen duidelijk was of moest zijn dat de douane de goederen met zekerheid als rijwielen in niet-gemonteerde staat zou aanmerken; belanghebbende kon daarom menen dat de door haar aangegeven tariefposten juist waren. Het volgen van die aangiften kan daarom worden aangemerkt als een vergissing, die belanghebbende redelijkerwijs niet kon ontdekken. Dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en overigens aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan, kan als vaststaand worden aangenomen, nu de inspecteur dit niet heeft betwist.

6.2.4. Bij hetgeen hiervoor sub 6.2.1. tot en met 6.2.3 is overwogen gaat de Tariefcommissie voorbij aan de sub 2.3. vermelde brief, aangezien de toezending daarvan de juridische gevolgen van het beëindigen van de verificatie niet teniet kan doen. Voormelde brief heeft bovendien geen betrekking op de aangiften eindigend op de nummers .14, .22, .31, .50, .65, .73, .81, .02, .18 en .36, terwijl ten aanzien van deze aangiften wel is nagevorderd.

6.2.5. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat aan de de voorwaarden van artikel 220, lid 2, letter b, CDW is voldaan, zodat de navordering achterwege had moeten blijven.

6.3. Het antwoord op de vraag welke oorsprong aan de ingevoerde fietsen moet worden toegekend is nog uitsluitend van belang voor de in de uitnodiging begrepen anti-dumpingheffing; inzake deze heffing is niet de Tariefcommissie, maar het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevoegd. In verband daarmee zal de Tariefcommissie het dossier met toepassing van artikel 6:15, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht alsnog aan dit College doorzenden.

6.4. Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak alsmede de litigieuze uitnodiging tot betaling niet in stand kunnen blijven.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2 (beroepschrift + verschijnen zitting) x 1 (gewicht) x f 710,-- = f 1.420,--.

8. De beslissing

De Tariefcommissie:

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep, alsmede de uitnodiging tot betaling van 22 januari 1997, nr. ..., voorzover deze de douanerechten betreffen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot f 1.420,-- aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 150,-- aan belanghebbende te vergoeden.

- draagt de Secretaris op het dossier door te zenden aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Aldus gewezen in raadkamer op 7 november 2000 door mr. F.H.M. Possen, mr. J.J.A.M. Kennis, lid, en mr. M.J. Kuiper, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 7 november 2000.