Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AL8138

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2000
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
0107/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het onderwerpelijke kettingfluweel dat naar het oordeel van de Tariefcommissie wat betreft de technische eigenschappen gebruiksklaar is, behoeft enkel nog op maat te worden gesneden om als rolbekleding op de "rubbing" machine te kunnen worden aangebracht. In dit opzicht onderscheidt het goed zich van de in post 5801 genoemde textielwaren van meer algemene aard, zodat het daaraan niet soortgelijk kan worden geacht. Gelet op aantekening 1 op hoofdstuk 59 en de context van post 5911, kunnen evenzeer ander weefsels van textiel dan die van de hoofdstukken 50 tot en met 55 onder hoofdstuk 59 worden ingedeeld; evenmin vormen de bewoordingen van die post en de daaraan gewijde beschouwingen in de toelichting op de posten van hoofdstuk 59 een beletsel voor indeling onder dit hoofdstuk, noch vereisen de bewoordingen van post 5911 dat de producten, om voor indeling onder die post in aanmerking te kunnen komen, geconfectioneerd moeten zijn als bedoeld in aantekening 7, letter f op afdeling XI. Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat het goed is opgerold, geen beletsel vormt het aan te merken als "aan het stuk" als bedoeld in aantekening 7 a op hoofdstuk 59. De bewoordingen van deze aantekening laten voor dat geval slechts de conclusie toe dat het onderwerpelijke goed als technisch artikel van textiel onder post 5911 moet worden ingedeeld. In casu dienen de goederen naar het oordeel van de Tariefcommissie onder post 5911 10 00 van het GDT te worden ingedeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0107/97 TC

de dato 7 november 2000

1. De procedure

1.1. Op 6 mei 1997 is een beroepschrift ingediend door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z (de inspecteur) van 26 maart 1997, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van 19 november 1996, betreffende de indeling in het gemeenschappelijk douanetarief (het GDT) van de hierna te noemen goederen, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f. 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 11 mei 1999. Daar zijn verschenen mr. A, mr. B en C namens belanghebbende; namens de inspecteur zijn verschenen

D en E. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.4. In verband met de gewijzigde samenstelling van de Tariefcommissie heeft op 3 oktober 2000 een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen zijn daar niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1. In de maandaangifte van februari 1995 heeft belanghebbende bij de douaneambtenaren (de ambtenaren) te Z met gebruikmaking van de haar verleende vergunning tot toepassing van de geïntegreerde douaneregeling (GDR), waarbij aangiften achteraf administratief worden gecontroleerd, aangifte ten invoer tot verbruik gedaan van Agehara velvet rubbing cloth op rollen, van oorsprong uit Japan. De goederen zijn aangegeven onder post 4015 90 00 van het GDT; de douanewaarde bedroeg f. 4.800,--.

2.2. In de loop van 1996 hebben de ambtenaren een monster voor onderzoek gezonden aan het Laboratorium van de Belastingdienst te Amsterdam (hierna: het Laboratorium). Op 11 oktober 1996 heeft het Laboratorium aan de ambtenaren van de douanepost Z de uitslag van het monsteronderzoek meegedeeld. Deze uitslag luidde:

"Gesneden kettingfluweel van katoen, aan de achterzijde voorzien van een deklaag van polyvinylacetaat.

Volgens aantekening 1 en GS-toelichting (IDR) op hoofdstuk 58 blijven weefsels van post 5801 ook indien zij zijn bekleed of bedekt met kunststof onder dit hoofdstuk ingedeeld.

Advies goederencode: 5801.2500 90 00".

Op 15 oktober 1996 is belanghebbende van voornoemde uitslag een kennisgeving gezonden.

2.3. Op 19 november 1996 hebben de ambtenaren, in afwijking van de aangifte, de sub 1.1. vermelde beschikking genomen en de goederen ingedeeld onder post 5801 25 00 van het GDT, tengevolge waarvan belanghebbende 14,3% van de douanewaarde aan douanerechten werd verschuldigd.

2.4. Tot de gedingstukken behoort door belanghebbende verstrekte technische informatie over het gebruik van de goederen. Kort samengevat worden de goederen als volgt gebruikt. Het doek wordt, afhankelijk van de rolmaat van de machine, op de daarvoor benodigde lengte afgesneden en bevestigd op een zogenoemde "rubbing machine". Door wrijving, "rubbing", van LCD-schermen worden de polen van het liquid cristal in de juiste richting geplaatst. Het effect is afhankelijk van een aantal procesgrootheden, zoals de soort rubbingdoek, poolindruk, rotatiesnelheid van de rubbingrol, transportsnelheid van de rubbingrol, het aantal malen wrijven en de hoek van de rubrichting ten opzichte van de te wrijven LCD-schermen; door slijtage en vervuiling dient het doek regelmatig te worden vernieuwd.

2.5. In haar bezwaar doet belanghebbende een beroep op indeling onder post 5911 90 90 van het GDT; in haar beroepschrift heeft zij het beroep op die post laten varen, en alleen nog maar indeling onder post 5911 10 00 bepleit.

3. Het geschil

In geschil is of het onderwerpelijke "rubbing doek" moet worden ingedeeld onder post 5801 25 00 van het GDT, zoals de inspecteur voorstaat, dan wel onder post 5911 10 00, hetgeen belanghebbende verdedigt.

Genoemde posten luiden als volgt:

post 5801 25 00

"5801 Fluweel, pluche en chenilleweefsel, ander dan bedoeld bij de posten 5802 en 5806:

(...)

- van katoen:

(...)

5801 25 00 - - gesneden kettingfluweel

en -pluche

(...)"

post 5911 10 00

"5911 Producten en artikelen van textiel, voor technisch gebruik, bedoeld bij aantekening 7 op dit hoofdstuk:

5911 10 00 - weefsels, vilt of met vilt gevoerd

weefsel, bekleed of bedekt met, dan wel met inlagen van rubber, leder of andere stoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van kaardbeslag, alsmede dergelijke producten voor ander technisch gebruik

(...)".

3.2. Aantekening 1 op hoofdstuk 58 luidt als volgt: "Van dit hoofdstuk zijn uitgezonderd de weefsels bedoeld bij aantekening 1 op hoofdstuk 59, geïmpregneerd, bekleed, bedekt of met inlagen, alsmede andere goederen bedoeld bij hoofdstuk 59."

Aantekening 1 op hoofdstuk 59 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "Voorzover uit de context niet het tegendeel blijkt, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk als "weefsels" aangemerkt, de weefsels bedoeld bij de hoofdstukken 50 tot en met 55 (...)", terwijl (...)

Aantekening 7 a), eerste streepje op hoofdstuk 59 luidt als volgt:

"Post 5911 omvat de volgende producten, die geacht worden van de overige posten van afdeling XI te zijn uitgezonderd:

a) de hierna limitatief opgesomde textielwaren, aan het stuk, op lengte of enkel vierkant of rechthoekig gesneden (andere dan textielwaren die het karakter hebben van producten bedoeld bij de posten 5908 tot en met 5910):

- weefsels, vilt of met vilt gevoerd weefsel, bekleed of bedekt met, dan wel met inlagen van rubber, leder of andere stoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van kaardbeslag, alsmede dergelijke producten voor ander technisch gebruik;"

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De uitslag van het monsteronderzoek waarbij geconstateerd werd dat het product bestaat uit gesneden kettingfluweel van katoen, aan de achterzijde voorzien van een deklaag van kunststof van polyvinylacetaat, wordt niet betwist. In geschil is of dit goed, technisch textiel dat onder de naam Agahara Velvet Rubbing Cloth uit Japan wordt geïmporteerd, moet worden ingedeeld onder post 5801, dan wel onder post 5911. Het textiel wordt gebruikt bij de productie van LCD-schermen. Deze schermen worden onder andere gebruikt in laptop computers. Doordat er voor de bewerking verschillende soorten machines bestaan, kan de fabrikant het doek niet op maat leveren; bovendien hangt de gewenste maat nog af van de rolmaat waarop het doek moet worden bevestigd. Het textiel wordt tijdens het productieproces gebruikt voor het wrijven van glasplaten, waardoor de polyimide moleculen worden gericht. Zoals blijkt uit de overgelegde technische gegevens moet het doek voldoen aan zeer hoge eisen. Het is door de Japanse fabrikant speciaal ontwikkeld voor deze toepassing. In de high tech industrie is het gebruikelijk dat kritische materialen worden ontwikkeld in nauwe samenwerking tussen leverancier en afnemer. Ook het onderhavige goed is een voorbeeld van "comakership".

4.2. Het standpunt van de inspecteur dat het goed ook kan worden gebruikt voor kleding en dergelijke, wordt niet gedeeld; daarvoor is het materiaal absoluut ongeschikt. Hoofdstuk 58, dat de inspecteur voorstaat, betreft in hoofdzaak textielwaren voor consumententoepassingen. In hoofdstuk 59 daarentegen gaat het vooral om professionele toepassingen. Bovendien wordt het onderhavige goed met name genoemd in Aantekening 7 a, eerste gedachtenstreepje, bij hoofdstuk 59. Daar wordt uitdrukkelijk gesproken van weefsels voor technisch gebruik. Naar de mening van belanghebbende is het niet nodig dat deze weefsels een bijzondere uitvoering vertonen, zoals de inspecteur stelt. De aantekening spreekt immers van textielwaren aan het stuk, op lengte of enkel vierkant of rechthoekig gesneden. Het onderhavige goed voldoet aan deze omschrijving, want het wordt op de rol geleverd.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Uit aantekening 1 op hoofdstuk 59 volgt dat niet in hoofdstuk 58 kunnen worden ingedeeld

- de "weefsels" zoals gedefinieerd in aantekening 1 op hoofdstuk 59;

- andere goederen bedoeld bij hoofdstuk 59.

Het onderhavige product valt niet onder de definitie van "weefsels" uit aantekening 1 op hoofdstuk 59. Kettingfluweel, als weefsel op zich, wordt immers niet ingedeeld onder de daar genoemde hoofdstukken of posten, maar onder post 5801. Blijven nog over de "andere goederen bedoeld bij hoofdstuk 59". Van hoofdstuk 59 komt alleen post 5911 in aanmerking, onder welke post worden ingedeeld producten en artikelen van textiel, voor technisch gebruik, bedoeld in aantekening 7 op dit hoofdstuk.

In het bepaalde onder letter a van die aantekening zijn in feite drie elementen te onderscheiden, te weten textielwaren, die limitatief zijn opgesomd, en die van een bepaalde vorm zijn. De vorm van het onderhavige product sluit al uit dat letter a van toepassing is. Het product wordt namelijk op rollen geleverd. Letter a kent echter slechts producten aan het stuk, op lengte of enkel vierkant of rechthoekig gesneden. Belanghebbende stelt dat "aan het stuk" gelijk is aan "op de rol"; deze mening wordt niet gedeeld. Producten aan het stuk kunnen weliswaar op rollen worden geleverd, maar "aan het stuk" impliceert ook dat het afzonderlijke, met het oog op hun latere gebruik in een bepaalde vorm gebrachte eenheden betreft.

Steun voor dit standpunt wordt gevonden in de definitie van het begrip "geconfectioneerd" in aantekening 7 op afdeling XI, waar in letter f sprake is van artikelen in de vorm gebreid of gehaakt, afzonderlijk aangeboden dan wel aangeboden in twee of meer eenheden aan het stuk. Om het onderscheid te illustreren kan worden gedacht aan het verschil tussen vloerbedekking op de rol die voor iedere vloer nog op maat moet worden gebracht, en een keukenrol met een aaneenschakeling van kant en klare doekjes in de afmetingen die voor gebruik in de keuken geschikt zijn.

5.2. Op een vraag van de Tariefcommissie of de inspecteur aandacht heeft besteed aan de eerste woorden van aantekening 1 op hoofdstuk 59: "Voorzover uit de context niet het tegendeel blijkt...", antwoordt de inspecteur dat hij dit aspect niet heeft onderkend; deze zinsnede zou de zaak inderdaad in een ander licht kunnen stellen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Het onderwerpelijke kettingfluweel dat naar het oordeel van de Tariefcommissie wat betreft de technische eigenschappen gebruiksklaar is, behoeft enkel nog op maat te worden gesneden om als rolbekleding op de "rubbing" machine te kunnen worden aangebracht. In dit opzicht onderscheidt het goed zich van de in post 5801 genoemde textielwaren van meer algemene aard, zodat het daaraan niet soortgelijk kan worden geacht.

6.2. Gelet op aantekening 1 op hoofdstuk 59 en de context van post 5911, kunnen evenzeer ander weefsels van textiel dan die van de hoofdstukken 50 tot en met 55 onder hoofdstuk 59 worden ingedeeld; evenmin vormen de bewoordingen van die post en de daaraan gewijde beschouwingen in de toelichting op de posten van hoofdstuk 59 een beletsel voor indeling onder dit hoofdstuk, noch vereisen de bewoordingen van post 5911 dat de producten, om voor indeling onder die post in aanmerking te kunnen komen, geconfectioneerd moeten zijn als bedoeld in aantekening 7, letter f op afdeling XI.

6.3. Uit sub 6.2. volgt dat de enkele omstandigheid dat het goed is opgerold, geen beletsel vormt het aan te merken als "aan het stuk" als bedoeld in aantekening 7 a op hoofdstuk 59. De bewoordingen van vorengenoemde aantekening laten voor dat geval slechts de conclusie toe dat het onderwerpelijke goed als technisch artikel van textiel onder post 5911 moet worden ingedeeld.

6.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de goederen onder post 5911 10 00 van het GDT dienen te worden ingedeeld.

De bestreden uitspraak, alsmede de sub 1.1. vermelde beschikking, kunnen derhalve niet in stand blijven.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet, nu geen sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en evenmin van andere kosten is gebleken.

8. De beslissing

De Tariefcommissie:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede de beschikking van 19 november 1996, kenmerk PH00744;

- stelt vast dat de goederen moeten worden ingedeeld onder post 5911 10 00 van het GDT;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 150,-- aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 7 november 2000 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis, lid, en mr. M.J. Kuiper, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 7 november 2000.