Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AL8123

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2000
Datum publicatie
08-10-2003
Zaaknummer
0083/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In casu staat vast dat het vervoer, met betrekking waartoe het onderhavige document T1 is geldig gemaakt, is aangevangen in Nederland en in België is geëindigd. Op grond van artikel 3 van de Verordening (EEG) nr. 222/77 is in dat geval ten aanzien van de zuivering van dit document de nationale regeling van artikel 54 AWDA, zoals deze in 1990 gold, van toepassing. Deze wettelijke bepaling dwingt ertoe dat de aangever in een vroeg stadium, derhalve kort na 14 dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur (8 dagen) van het document, in kennis dient te worden gesteld van een eventuele niet-zuivering van het document. De ratio hiervan is dat de aangever er alle belang bij heeft dat hem zo spoedig mogelijk gelegenheid wordt geboden om fouten, die zich bij het vervoer hebben voorgedaan, te herstellen. De kennisgeving in casu op 31 januari 1991 is in dat opzicht niet meer passend te noemen. Bovendien is niet gebleken dat bij die kennisgeving een termijn is gesteld, waarbinnen belanghebbende de gelegenheid werd geboden alsnog de regelmatigheid van het douanevervoer aan te tonen. De Tariefcommissie oordeelt deze verzuimen van dien aard dat de geldigheid van de procedure, die tot het ongezuiverd verklaren van het document T1 heeft geleid, is aangetast en dat de uit die procedure voortvloeiende uitnodiging tot betaling niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0083/97 TC

de dato 7 november 2000

1. De procedure

1.1. Op 8 april 1997 is een beroepschrift ingekomen van mr. T en mr. S te A, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z, hierna: de inspecteur, van 26 februari 1997, nr. 97...., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 4 februari 1993, nr. 9..., vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 8.178,40, is afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van 13 januari 1998. Daar zijn verschenen namens belanghebbende mr.T voornoemd en mr. G en namens de inspecteur J. De gemachtigde en de inspecteur hebben ieder een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

1.4. In verband met de gewijzigde samenstelling van de Tariefcommissie heeft op 3 oktober 2000 een tweede mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen zijn daarbij niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 25 juli 1990 hebben de douaneambtenaren te Schiphol op de in opdracht van de firma A te A (Belgie) door belanghebbende gedane aangifte een document T1, nr. 5...., geldig gemaakt voor de regeling extern communautair douanevervoer van "9 colli, gemerkt adres AWB:217-4708 9663 HAWB:BAF209637, kleding", van oorsprong uit Thailand. Als kantoor van bestemming werd vermeld A, België. Op het document T1 was een stempel "ART. 54 VERZ." gezet. Het terugzendingsexemplaar is niet van het kantoor van bestemming terugontvangen. Niet bekend is op welk tijdstip dit is geconstateerd. Op 31 januari 1991 is een mededeling van niet-zuivering uitgegaan. Op 21 oktober 1991 is door de ambtenaren van het kantoor van vertrek een verzoek tot nasporing gedaan aan het kantoor van bestemming. Vervolgens is de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling gedaan, welke op 26 februari 1993 door belanghebbende is voldaan.

2.2. In het proces-verbaal van het Ministerie van Financiën, Douane en Accijnzen, Opsporingssectie te A, van 12 november 1992, nr. IOP/...., - welk proces-verbaal in het najaar van 1994 aan de inspecteur is gezonden -, wordt zakelijk weergegeven vermeld dat onder dekking van documenten T1 met kantoor van bestemming A vervoerde goederen niet aldaar zijn aangebracht, maar in opdracht van de heer G van de firma A naar een plaats elders in België werden gebracht, waar de goederen met verbreking van de douaneverzegeling werden gelost en aldus zonder betaling van douanerechten in het vrije verkeer van België werden gebracht. In een bijlage bij dit proces-verbaal wordt melding gemaakt van de nummers van de documenten T1, data van invoer, aantal kartons en gewicht, waarvan de goederen op deze frauduleuze wijze aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Het litigieuze document T1, nr. 5... is ook op die lijst vermeld.

3. Het geschil

Tussen partijen bestaan de volgende geschilpunten:

3.1. Dient de uitnodiging tot betaling wegens vormverzuimen met betrekking tot de procedure van niet-zuivering te worden vernietigd?

3.2. Zijn de Nederlandse autoriteiten bevoegd geweest tot het innen van de ontstane douaneschuld?

3.3. Dienen degenen die frauduleus hebben gehandeld als de schuldenaar te worden aangemerkt en is daarom de uitnodiging tot betaling aan belanghebbende in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gedaan?

3.4. Is de douanewaarde op juiste wijze vastgesteld?

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Primair.

Op grond van artikel 3, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 222/77, hierna de Verordening Douanevervoer, kan iedere lidstaat bepalen dat op het vervoer binnen haar grondgebied in plaats van de regeling extern communautair douanevervoer een nationale regeling wordt toegepast. Volgens lid 3 van genoemd artikel wordt het gebied van de Benelux Economische Unie als het grondgebied van één lidstaat beschouwd. In Nederland is zulk een nationale regeling getroffen met betrekking tot de in acht te nemen zuiveringsprocedure en de bevoegdheidsverdeling van de invordering van een ontstane douaneschuld. Aangezien in casu het douanevervoersdocument is opgemaakt in Nederland en het vervoer, zij het op onregelmatige wijze, is geëindigd in België, is sprake van een nationaal vervoersdocument, waarop de nationale bepalingen van de douanevervoerregeling van toepassing zijn. Dit vindt zijn bevestiging in het arrest van het Hof van Justitie van 16 mei 1984, nr. 105/83 (UTC 1986/22*). Dit brengt met zich dat artikel 54 van de Algemene wet inzake de douane en accijnzen (AWDA) van toepassing is. Op grond van de ratio van dit wetsartikel, dat een aangever op grond van de rechtszekerheid tijdig zijn plichten moet kunnen kennen en dat hij er na verloop van tijd van uit moet kunnen gaan dat een document niet alsnog als niet-gezuiverd kan worden aangemerkt, dient de kennisgeving van niet-zuivering, gelet op de geldigheids-duur van acht dagen van het document, uiterlijk drie weken na de geldigmaking van het document te worden verzonden. Aan die termijn is niet voldaan; evenmin is voldaan aan de eis dat moet worden vastgesteld dat het document als niet-gezuiverd wordt aangemerkt. In casu is uitsluitend de mededeling van 31 januari 1991 gedaan. Een rechtens juist uitgevoerde zuiveringsprocedure behelst de mededeling dat het terugzendingsexemplaar niet is ontvangen, waarbij tevens de gelegenheid wordt geboden om aan te tonen dat het douanevervoer regelmatig heeft plaatsgevonden en dat de goederen hun bestemming hebben gevolgd; tevens dient na het verstrijken van die termijn, een tweede mededeling, met de vaststelling dat de goederen niet zijn gezuiverd, te worden verzonden. Het niet inachtnemen van vorenbedoelde formele vereisten staat aan de invordering van de douaneschuld in de weg.

4.2. Subsidiair

Indien toch de Verordening douanevervoer van toepassing wordt geacht, geldt het volgende: de onttrekking aan het

douanetoezicht op het douanevervoer, waaruit de douaneschuld voortvloeit, heeft in België plaatsgevonden. De inspecteur moet hiervan ruim voor het opleggen van de uitnodiging tot betaling op de hoogte zijn geweest, aangezien reeds op 16 november 1990, 20 december 1990 en 7 februari 1991 door de Belgische autoriteiten aan de Nederlandse douane verzoeken tot bijstand aan het onderzoek naar de fraude zijn gedaan en belanghebbende op grond daarvan op 6 december 1990 en op 19 februari 1991 door de FIOD is gehoord. Op grond van artikel 36, lid 1, van de Verordening douanevervoer zijn de Belgische douaneautoriteiten tot invordering van de douaneschuld bevoegd. Aan toepassing van lid 3 van die bepaling wordt niet toegekomen.

4.3. Meer subsidiair

4.3.1. Bij het begin van het vervoer in Nederland bestond al het voornemen om te gaan frauderen door aan de goederen een andere bestemming te geven dan in de aangifte is vermeld. Op grond van artikel 2, lid 1, onderdeel d, van de Verordening (EEG) nr. 2144/87 (de Verordening Douaneschuld) leidt dit voornemen reeds tot het ontstaan van de douaneschuld, zulks omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor plaatsing van de goederen onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer. Verwezen wordt hiervoor naar de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 18 september 1996, nr. 94/1782/060/013. Op grond van artikel 5 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 in samenhang met artikel 8 van de Verordening (EEG) nr. 678/85 is de titularis van het document T1 de schuldenaar, behoudens indien toepassing van nationaal- rechtelijke bepalingen die toerekening van de aansprakelijkheid in de weg staat. Op grond van artikel 6:248 juncto artikel 3:12 van het Burgerlijk Wetboek heeft een vertegenwoordigde de uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende rechtsplicht zijn vertegenwoordiger te voorzien van juiste en volledige informatie ten behoeve van het uitvoeren van de opdracht. Laat hij dit na, dan komen de gevolgen voor zijn rekening. Dit geldt ook voor de vertegenwoordiging in de zin van artikel 55 van de Wet inzake de douane (WD). Nu belanghebbende niet bij de fraude betrokken was noch bij machte is geweest die fraude te voorkomen, dient in casu de opdrachtgever zelf op de voet van artikel 4, lid 2, van de Verordening als douaneschuldenaar te worden aangesproken.

4.3.2. Niet is gebleken van een onderzoek door de inspecteur naar het bestaan van de mogelijkheid om de douaneschuld te verhalen op diegenen, die uit hoofde van hun feitelijke gedragingen daarvoor aansprakelijk zijn, terwijl de identiteit van de daders hem wel bekend was, dan wel hem in ieder geval bekend had kunnen zijn. Indien vanwege een gebrek aan interne communicatie de identiteit van de fraudeurs alleen aan de FIOD en niet aan de inspecteur bekend was, kan dit niet aan belanghebbende worden tegengeworpen. Nu dit onderzoek achterwege is gebleven, heeft de inspecteur de vereiste zorgvuldigheid ten opzichte van belanghebbende niet in acht genomen. Dit klemt te meer nu in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen die personen beslag is gelegd op aan hen toebehorende fondsen, die meer dan toereikend waren om de verschuldigde douanerechten te voldoen.

4.4. Meest subsidiair

De douane heeft zonder enige onderbouwing een douanewaarde aangehouden ten bedrage van gemiddeld f 101,87 per kilogram. De Belgische douane heeft met gebruikmaking van de methode van redelijke middelen de douanewaarde van de onderhavige goederen berekend op een bedrag van f 39,51 per kilogram. Deze waarde komt overeen met de waarde, die kan worden afgeleid uit door het CBS verstrekte gegevens. Het is redelijk om die maatstaf te hanteren; dit leidt tot een verlaging van de uitnodiging tot betaling tot f 3.125,20.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De kennisgeving van niet-zuivering is op grond van artikel 54 van de AWDA verzonden aan de titularis van het document. Bij dit artikel is geen termijn gesteld waarbinnen die kennisgeving moet worden gedaan. Slechts indien in het geheel geen kennisgeving van niet-zuivering zou zijn gedaan, kan de zuiveringsprocedure zijn aangetast. De Europese Commissie is evenwel van oordeel dat geen enkel vormverzuim tot nietigheid van de niet- zuiveringsprocedure kan leiden.

5.2. Op basis van artikel 3, lid 1, van de Verordening (EEG) nr. 222/77 kunnen de lidstaten bepalen dat gedurende het vervoer van goederen over haar grondgebied in plaats van de regeling extern communautair douanevervoer een nationale regeling wordt toegepast. De Benelux Economische Unie geldt daarbij als één lidstaat. Door de vaststelling van artikel 5 van het Aanvullend Protocol houdende bijzondere bepalingen op het stuk van belastingen van 29 april 1969, is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Aangezien het document in Nederland is geldig gemaakt, is op grond van lid 2 van laatstgenoemd artikel de Nederlandse douane bevoegd tot het invorderen van de douaneschuld. Verwezen wordt hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 mei 1984, nr. 105/83.

5.3. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de bij artikel 55 van de Algemene wet inzake de douane en accijnzen geboden gelegenheid om op eigen naam doch voor rekening van een ander aangifte te doen, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel c, van de Verordening (EEG) nr. 3632/85. Zij heeft op eigen naam en voor eigen rekening gehandeld en is daarom gehouden de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling.

Weliswaar is op grond van artikel 4, lid 2, van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 ook de persoon die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de verplichtingen, die voortvloeien uit het gebruik van de douaneregeling, hoofdelijk tot betaling van de schuld gehouden, doch dit laat de fiscaalrechtelijke aansprakelijkheid voor die schuld van belanghebbende als titularis van het document onverlet.

Er bestaat geen onderlinge rangorde tussen de schuldenaren, zodat geen van hen als hoofdschuldenaar kan worden aangemerkt. Bovendien was de inspecteur ten tijde van het doen van de uitnodiging tot betaling niet van het frauduleus handelen op de hoogte; van een medeaansprakelijkstelling was op dat moment geen sprake. Toen de fraude en het bewijs daarvan aan hem bekend werd, was de douaneschuld reeds door betaling teniet gedaan.

5.4. Het document T1 vermeldt niet meer dan de summiere aanduiding "kleding"; er zijn geen facturen bijgevoegd. Andere methoden om de douanewaarde vast te stellen dan die van de redelijk middelen, konden niet worden toegepast. De douanerechten zijn met toepassing van artikel 116, lid 3, van de AWDA berekend naar het hoogste tarief dat, gelet op de omschrijving van die goederen in het document T1, van toepassing kon zijn. Dit hoogste tarief was het tarief van post 6211 49 00 van het Tarief van invoerrechten en bedroeg 14%. Van de posten waarop dit percentage drukt, is de waarde per kilogram vastgesteld volgens de gegevens over 1990 van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Op de onderhavige zending, die een gewicht had van 565 kilogram, is de laagste waarde per gewichtseenheid van die tariefpost, te weten f 103,39 per kilogram, toegepast. De berekening van belanghebbende is onjuist; de Belgische douane heeft de jaarstatistiek van de buitenlandse handel van 1993 toegepast. Bovendien is daarbij geen toepassing gegeven aan het beginsel dat de rechten dienen te worden vastgesteld op basis van die tariefpost, die aan de hoogste belasting is onderworpen.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Belanghebbende heeft de sub 2.2. vermelde bevindingen in het daar genoemde proces-verbaal niet weersproken. Mitsdien staat vast dat het vervoer, met betrekking waartoe het onderhavige document T1 is geldig gemaakt, is aangevangen in Nederland en in België is geëindigd.

6.2. Op grond van artikel 3 van de Verordening (EEG) nr. 222/77 is in dat geval ten aanzien van de zuivering van dit document de nationale regeling van artikel 54 AWDA, zoals deze in 1990 gold, van toepassing.

Dit artikel luidde, voorzover hier van belang, als volgt:

"Indien een document binnen veertien dagen na de tijd welke voor het gebruik daarvan is bepaald, bij de

ambtenaar die het document heeft afgegeven ..... niet is terugontvangen, .........., deelt die ambtenaar dit schriftelijk mede aan degene bij wie de verplichting tot zuivering van het document berust. Na verloop van een maand na die mededeling wordt het document geheel of gedeeltelijk als ongezuiverd aangemerkt, ....".

Deze wettelijke bepaling dwingt ertoe dat de aangever in een vroeg stadium, derhalve kort na 14 dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur (8 dagen) van het document, in kennis dient te worden gesteld van een eventuele niet-zuivering van het document. De ratio hiervan is dat de aangever er alle belang bij heeft dat hem zo spoedig mogelijk gelegenheid wordt geboden om fouten, die zich bij het vervoer hebben voorgedaan, te herstellen. De kennisgeving in casu op 31 januari 1991 is in dat opzicht niet meer passend te noemen. Bovendien is niet gebleken dat bij die kennisgeving een termijn is gesteld, waarbinnen belanghebbende de gelegenheid werd geboden alsnog de regelmatigheid van het douanevervoer aan te tonen. De Tariefcommissie oordeelt deze verzuimen van dien aard dat de geldigheid van de procedure, die tot het ongezuiverd verklaren van het document T1 heeft geleid, is aangetast. De uit die procedure voortvloeiende uitnodiging tot betaling kan derhalve niet in stand blijven.

6.3. Op grond van het vorenstaande kan hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd buiten beschouwing blijven.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2 (beroepschrift, verschijnen ter zitting) x 1 (gewicht) x f 710,-- = f 1.420,--.

8. De beslissing

De Tariefcommissie:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, en de litigieuze uitnodiging tot betaling, voorzover deze betrekking hebben op douanerechten;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot f 1.420,--, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 150,-- aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 7 november 2000 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis, lid, en mr. M.J. Kuiper, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 7 november 2000.