Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AL6262

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2000
Datum publicatie
02-10-2003
Zaaknummer
0056/97
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Tariefcommissie is van oordeel dat door de schriftelijk mededeling zoals in casu, waarmee ervan kennis is gegeven dat bij het kantoor van vertrek nog geen terugzendingsexemplaar was ontvangen, belanghebbende in voldoende mate is ingelicht ter zake waarvan de uitnodiging tot betaling werd gedaan. Het standpunt van belanghebbende dat de uitnodiging tot betaling vanwege een motiveringsgebrek moet worden vernietigd, wordt verworpen. Belanghebbende heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de goederen daadwerkelijk eerst naar een loods in Cadiz zijn gebracht en pas daar door verbreking van het douaneloodje aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Belanghebbende is in het bezit gekomen van souche nr. 2 van het carnet TIR, waarop, zoals uit de aannemelijke verklaring van de Spaanse douaneautoriteiten is gebleken, een vals stempel en handtekening voorkomen. Deze omstandigheid is op zichzelf onvoldoende aanleiding om de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht aan te nemen. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende betrokken was bij door derden verrichte onttrekkingshandelingen. Het standpunt van belanghebbende dat de houder van het carnet TIR niet aansprakelijk kan worden gesteld, omdat aan hem geen verplichting is opgelegd, wordt door de Tariefcommissie verworpen. In casu is niet voldaan aan de verplichting om de goederen op het kantoor van bestemming aan te brengen en het carnet TIR te zuiveren. Op grond van artikel 204, lid 1, letter a, CDW is een douaneschuld ontstaan, waarvoor belanghebbende als titularis van het document op basis van artikel 96 CDW aansprakelijk kan worden gesteld. Nu de douaneregeling van het externe douanevervoer onder geleide van een carnet TIR niet regelmatig is beëindigd, wordt met toepassing van artikel 215, lid 3, CDW de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de goederen onder de douaneregeling zijn gesteld, in casu Nederland. Derhalve hebben de douaneautoriteiten zich terecht heffingsbevoegd geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0056/97 TC

de dato 7 november 2000

1. De procedure

1.1. Op 14 maart 1997 is een beroepschrift ingekomen van mr. A en mr. B te A, ingediend namens X te Y (Griekenland), belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z (hierna: de inspecteur) van 6 februari 1997, nr. T2...-1996, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van 6 augustus 1996, nr. T2.1-..-1996, werd afgewezen. Bij de genoemde beschikking werd een verzoek van belanghebbende van 9 april 1996 tot teruggaaf van het in de uitnodiging tot betaling van 6 september 1995, nr. 5..., vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 179.835,30, afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 11 juli 2000. Daarbij zijn namens de inspecteur verschenen mr. C en D. Van mr. A voornoemd is op 10 juli 2000 een faxbericht ingekomen, waarbij is medegedeeld dat namens belanghebbende niemand ter zitting zal verschijnen. De inspecteur heeft een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op 6 oktober 1994 hebben de douaneambtenaren te Z de aangifte aanvaard voor het extern douanevervoer onder geleide van een carnet TIR, nummer 11....-...., van 947 kartons sigaretten met als land land van bestemming Marokko. Het voorziene kantoor van doorgang was Cadiz te Spanje. Het vervoer moest op 14 oktober 1994 zijn beëindigd. In het carnet TIR is belanghebbende als titularis vermeld.

2.2. Op 18 januari 1995 heeft de douane te Kerkrade een verzoek tot nasporing gezonden aan de douane te Cadiz, omdat blad nummer 2 van het carnet TIR niet binnen drie maanden na afgifte was terugontvangen. Op 15 februari 1995 deelde die douaneautoriteit mede dat noch de zending noch het daarop betrekking hebbende carnet TIR aldaar waren aangeboden en dat over de verblijfplaats van de zending en het document geen andere gegevens konden worden verkregen.

2.3. Op 24 april 1995 heeft de douane te Kerkrade aan belanghebbende medegedeeld dat het terugzendingsexemplaar van genoemd carnet TIR niet was terugontvangen. Belanghebbende werd in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden bewijs te leveren dat de goederen bij het kantoor van bestemming waren aangebracht.

2.4. Bij faxbericht van 26 juli 1995 zond belanghebbende alle aan hem beschikbare stukken met betrekking tot het carnet TIR, waaronder een gestempeld exemplaar van souche nr. 2 van het carnet TIR. Op 1 augustus 1995 werden die bescheiden doorgezonden naar het Douane Informatie Centrum te Vlaardingen met het verzoek de echtheid van de stempel te controleren.

Op 9 augustus 1995 werd nogmaals een verzoek tot nasporing aan de douane te Cadiz gedaan; daarop deelde die autoriteit bij brief van 30 augustus 1995 mede dat het document carnet TIR, nr. 11..., niet aldaar geregistreerd stond en dat de op de souche nr. 2 voorkomende gestempelde zegel en handtekening vals waren. Nadien heeft de inspecteur de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling gedaan.

2.5. Tot de gedingstukken behoren:

- een verklaring van K. B op 11 april 1997 afgelegd, die luidt als volgt:

"Ik heb de lading in kwestie op 6 oktober 1994 ingeladen bij het bedrijf Q te Z met de opdracht deze te lossen in de vrije zone Cadiz in Spanje, met de vrachtwagen met kenteken E..-8... van het merk Scania, eigendom van X. Te Cadiz heb ik uitgeladen op 10 oktober 1994. Gedurende de gehele reis werd ik begeleid door een persoon die mij vertelde dat hij douanebeambte was. Het honorarium voor de vrachtwagen bedroeg 6.000 US dollar en werd te Cadiz voldaan, alwaar ik 660.000 peseta's ontving. Toen ik op mijn bestemming in Cadiz aankwam heb ik de lading gelost in grote loodsen die containers bevatten en naast de zee waren gelegen. De wagen werd uitgeladen door zes personen. De man die mij gedurende de hele reis begeleidde (de douane-beambte) nam de begeleidende documenten en bracht mij de papieren gestempeld terug nadat ik uitgeladen had, en ik vertrok."

- een verklaring van O. S van 22 april 1997, die luidt als volgt:

"Anfang Oktober 1994 fuhr ich einen Transport nach Spanien. Bei Sevilla steuerte ich einen Parkplatz an und hinter mir folgte ein GR-LKW. Der Fahrer kam zu mir und fragte um Werkzeug und fragte ob ich Dieselleitungsteile hätte, weil er Probleme mit dem Diesel hat. Ich konnte ihm helfen und nach einer halben Stunde

war der Deffekt behoben. Der Fahrer kocht Kaffee, wir trinken und plaudern, er erzählte mir er müsse nach Cadiz und hat in seinem Kühlfahrzeug Zigaretten geladen. Eine zweite Person stellt er mir als Begleitung des NL-Zoll vor.

(....) Nachdem wir den Kaffee getrunken hatten, tauschten Costas und ich Tel.No und Adresse und vereinburten in Kontak zu bleiben. (...)",

- een verklaring van G. S van 30 april 1997, die luidt als volgt:

"Anfang 1994 ausserhalb von Seville als ich met meinem Auto fuhr habe ich einene griechischen LKW (Kühlaufleger) mit der Fa "X" getroffen.

In einem Gespräch met dem Fahrer dieser hat mir über ein Problem des Autos und zwar mit einer Kraftstoffleitung erzählt und aus dem Grund das er keinen Ersatzteill mit sich hatte, habe ich mich bereit erklärt bis zur nachster Tankstelle zu fahren um diesen Ersatzteil wie auch Werkzeuge für ihn abzuholen. Als ich nach einer Weile zuruck kam, hatte der Fahrer mit der Hilfe eines Osterreichischen Fahrers den Deffekt schon aufgehoben. Im Weiteren der Fahrer hatte mir erzählt das er nach Cadis fuhr mit einer Zigarettenladung aus Holland und hatte mich ferner gefragt wieviel Kilometer weit von diesem Ort Cadis sei. Zusammen mit dem Griechischen Fahrer im LKW war noch eine weitere Person als Begleiter, der wie der Fahrer mir erzählte, Zollbeamte war, der diesen von Holland nach Cadis begleitete. (...)".

3. Het geschil

In geschil is of de inspecteur terecht aan belanghebbende de uitnodiging tot betaling heeft gedaan in verband met de volgende vraagpunten:

a) is er in de uitnodiging tot betaling voldoende grondslag vermeld voor de heffing van de douanerechten,

b) is er sprake van een belastbaar feit, en zo ja,

c) is niet de Nederlandse maar de Spaanse douane als heffingsbevoegd aan te merken,

d) is belanghebbende terecht voor de ontstane douaneschuld aansprakelijk gesteld,

e) is de uitnodiging tot betaling in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur

gedaan.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Aan de litigieuze uitnodiging tot betaling ontbreekt een voldoende motivering nu daarin geen belastbaar feit wordt genoemd, niet is aangeduid waarom belanghebbende als douaneschuldenaar is aan te merken en evenmin is ingegaan op brieven van belanghebbende van 1 juli en 26 juli 1995.

4.2. Ingevolge artikel 91, lid 2, CDW geschiedt het extern douanevervoer hetzij met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer (letter a.), hetzij - naast de hier niet relevante onder letters c tot en met f genoemde wijzen van vervoer - onder geleide van een carnet TIR (letter b.). Door de aanvaarding van het onderhavige carnet TIR zijn de goederen op 6 oktober 1994 onder de laatstbedoelde regeling geplaatst. De bijzondere bepalingen van de artikelen 93 tot en met 97 zijn dan niet van toepassing op het vervoer van de onderhavige goederen. Artikel 92 CDW bepaalt dat de regeling extern douanevervoer eindigt wanneer de goederen samen met de bijbehorende documenten bij de douane worden aangebracht op het kantoor van bestemming overeenkomstig de bepalingen van de betrokken regeling. In casu is dit de Douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR van 14 november 1975 (hierna: TIR-overeenkomst). Noch het CDW noch deze overeenkomst bevat verplichtingen, die de houder van een carnet TIR moet nakomen. Artikel 204 vindt in casu geen toepassingsmogelijkheid voor het aanwijzen van belanghebbende als schuldenaar. In de communautaire wetgeving is de aanwijzing van de schuldenaren uitputtend geregeld; in de nationale wetgeving kan geen verschuldigdheidsbepaling worden toegevoegd. Er heeft zich mitsdien geen belastbaar feit voorgedaan, waarvoor belanghebbende aansprakelijk kan worden gesteld.

4.3. De lidstaat waar de feiten zich voordoen die een belastbaar feit opleveren, is bevoegd tot invordering van de belastingschuld. Wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welke grondgebied zich die feiten hebben voorgedaan, is die Staat heffingsbevoegd, waar de onregelmatigheid wordt vastgesteld. In casu is niet gebleken van een naar de feitelijke gang van zaken gericht onderzoek, de inspecteur heeft alleen vermeld dat de niet-zuivering is ontstaan doordat aanvankelijk blad nummer 2 van het carnet TIR niet tijdig is terugontvangen. Het terugzenden van blad 2 is geen wettelijke verplichting op basis van communautaire bepalingen, doch is gebaseerd op een interne administratieve afspraak tussen de Staten van de TIR-overeenkomst; het niet-terugzenden is dan ook niet als een in strijd met de communautaire bepalingen begane onregelmatigheid aan te merken.

De benadering van de inspecteur is in strijd met artikel 454 UCDW, volgens welke bepaling eerst moet worden vastgesteld of, en zo ja waar, een onregelmatigheid is begaan voordat tot heffing kan worden overgegaan.

4.4. Er is onvoldoende bewijs dat de souche valselijk is afgestempeld. In het dossier op het douanedistrict Z, bleek alleen een onvertaalde verklaring van de douane-administratie te Cadiz van 30 augustus 1995 aanwezig. Niet is duidelijk geworden of door de Spaanse autoriteiten nog nader onderzoek is verricht naar de omstandigheden waaronder het onderhavige carnet TIR van valse stempels zou zijn voorzien. Niet is aangegeven op basis waarvan de autorititeiten hebben geconcludeerd dat de stempels vals zouden zijn; tegen louter die mededeling is geen verweer mogelijk.

De Nederlandse douane kan de valsheid van de stempels nimmer vaststellen; die vaststelling kan alleen geschieden door de autoriteiten die het stempel hebben uitgegeven. Reeds daarom waren de Spaanse autoriteiten - en niet de Nederlandse - als heffingsbevoegd aan te merken.

4.5. Als er al sprake is van een onregelmatigheid, dan is deze in Spanje begaan. Uit de verklaring van de chauffeur blijkt dat de verzegeling van de auto is verbroken en de goederen zijn gelost in een loods, gelegen aan zee in Cadiz. De verklaring van de chauffeur wordt ondersteund door verklaringen van een Oostenrijkse chauffeur, dhr. O. S, en van dhr. G. S.

Belanghebbende noch de chauffeur hebben meegewerkt aan de onttrekking, mitsdien kunnen zij niet als schuldenaar in de zin van artikel 203 CDW worden aangemerkt.

4.6. De uitnodiging tot betaling is gedaan in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

4.6.1. Het is algemeen bekend dat niet in alle gevallen, waarin sprake is van niet-zuivering van een document, een uitnodiging tot betaling is geformaliseerd, bijvoorbeeld is daarvan sprake in het geval van "Alfred Maske", dat de landelijke publiciteit heeft gehaald.

4.6.2. De douane was op de hoogte van fraude met sigaretten, die via Cadiz naar Marokko vervoerd hadden moeten worden. Hierover is aan belanghebbende geen mededeling gedaan. Er is geen verbetering aangebracht in de uitvoering in het systeem van het douanevervoer. Niet is gebleken dat de inspecteur een voldoende adequaat onderzoek heeft ingesteld naar de mogelijkheid om de douaneschuld van mede aansprakelijke personen te innen. Gelet op de volstrekt ontoereikende wetgeving, de passieve houding hierbij van diverse instanties en de gevolgen voor het bestaan die de invordering voor belanghebbende hebben, kan in redelijkheid niet tot de conclusie worden gekomen dat deze last door belanghebbende als individu kan worden gedragen.

4.6.3. De douane had moeten ingrijpen door belanghebbende, voordat het vervoer plaatsvond, tijdig in te lichten omtrent de onregelmatigheden die bij de zendingen sigaretten naar Marokko plaatsvonden. Door dit niet te doen heeft de douane het vertrouwen opgewekt dat de sigarettentransporten verliepen zonder onregelmatigheden. De uitnodiging is daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel uitgereikt. Verwezen wordt naar het arrest van de Hoge Raad van 10 november 1993, nr. 19167, Vakstudienieuws 1993, blz. 3763 ev.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De douaneschuld is aan belanghebbende via de uitnodiging tot betaling op basis van artikel 221 CDW juncto artikel 204 CDW medegedeeld. Reeds door de brief van 24 april 1995 betreffende de mededeling van niet-zuivering wist belanghebbende dat het terugzendingsexemplaar van het carnet TIR niet was terugontvangen. Ondanks de summiere bewoordingen in de uitnodiging tot betaling wist belanghebbende door laatstbedoelde brief, waarom die uitnodiging werd gedaan. Naar achteraf is gebleken, is er een douaneschuld op grond van artikel 203 CDW ontstaan. Dat belanghebbende voor die schuld aansprakelijk is gesteld op basis van artikel 204 CDW doet niet aan de geldigheid van de uitnodiging tot betaling af.

5.2. Belanghebbende is als houder van het carnet TIR de persoon die de verplichtingen moet nakomen, welke voortvloeien uit de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst. Een van die verplichtingen ingevolge de regeling extern douanevervoer is dat het document samen met de goederen op het kantoor van bestemming moet worden aangebracht op de wijze zoals bepaald in artikel 15 e.v. van de TIR-overeenkomst. Belanghebbende is, nu dit niet is gebeurd, aansprakelijk voor de douaneschuld. Voor een douaneschuld in verband met het onregelmatig verloop van het vervoer onder geleide van een carnet TIR is tevens aansprakelijk de organisatie die zich garant heeft gesteld; doch eerst moet de schuld worden verhaald op de personen die rechtstreeks de rechten verschuldigd zijn.

5.3. Op het moment dat de uitnodiging tot betaling werd gedaan, was middels van de Spaanse autoriteiten verkregen bewijsmateriaal duidelijk dat het stempel op het souche nr. 2 vals was. Verder is er nadien niets met betrekking tot de goederen bekend geworden. Door de aanwezigheid van het valse stempel kan worden geconcludeerd dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Niet is komen vast te staan waar die onttrekking heeft plaatsgevonden; op grond van de fictiebepalingen van artikel 215, leden 2, 3 en 4, CDW is Nederland als de Lid-Staat waar de goederen onder de douaneregeling zijn gebracht, als heffingsbevoegd aan te merken.

5.4. Belanghebbende is achteraf, na het doen van de uitnodiging tot betaling, gekomen met twee verklaringen van chauffeurs, waaruit zou moeten blijken dat de onttrekking in Spanje heeft plaatsgevonden. Nu in het onderwerpelijke geval de verschuldigde belastingen reeds zijn berekend, geboekt en medegedeeld, wordt met toepassing van artikel 454, lid 3, UCDW de heffing van de douanerechten (eigen middelen van de Gemeenschap) niet aan Spanje overgedragen maar blijft de heffingsbevoegdheid bij Nederland als de lidstaat die de schuld aanvankelijk heeft geïnd.

5.5. Op de boeking en de mededeling van de douanerechten aan belanghebbende zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing. De verschuldigdheid vloeit voort uit de communautaire bepalingen. Het afzien van navordering moet in het licht van artikel 220, lid 2, onderdeel b, CDW worden beoordeeld. Aan de criteria van deze bepaling is in casu niet voldaan.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De Tariefcommissie is van oordeel dat door de schriftelijk mededeling van 24 april 1995, waarmee ervan kennis is gegeven dat bij het kantoor van vertrek nog geen terugzendingsexemplaar was ontvangen, belanghebbende in voldoende mate is ingelicht ter zake waarvan de uitnodiging tot betaling werd gedaan. Het standpunt van belanghebbende dat de uitnodiging tot betaling vanwege een motiveringsgebrek moet worden vernietigd, wordt reeds daarom verworpen.

6.2. Belanghebbende heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de goederen daadwerkelijk eerst naar een loods in Cadiz zijn gebracht en pas daar door verbreking van het douaneloodje aan het douanetoezicht zijn onttrokken. De in het geding gebrachte verklaring van K B, beweerdelijk de chauffeur van de vrachtwagen waarmede de goederen zijn vervoerd, noch de verklaringen van G S en O S acht de Tariefcommissie overtuigend. Het staat daardoor vast dat de op het onderhavige carnet TIR vermelde goederen hun bestemming niet hebben bereikt en dat niet bekend is wat er met de goederen is gebeurd.

6.3. Belanghebbende is in het bezit gekomen van souche nr. 2 van het carnet TIR, waarop, zoals uit de aannemelijke verklaring van de Spaanse douaneautoriteiten is gebleken, een vals stempel en handtekening voorkomen. Deze omstandigheid is op zichzelf onvoldoende aanleiding om de onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht aan te nemen. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende betrokken was bij door derden verrichte onttrekkingshandelingen.

6.4. Het standpunt van belanghebbende dat de houder van het carnet TIR niet aansprakelijk kan worden gesteld, omdat aan hem geen verplichting is opgelegd, wordt op grond van het volgende verworpen. De artikelen 91 tot en met 97 van het CDW hebben betrekking op de onderafdeling B, betreffende het externe douanevervoer, van Afdeling 3 "de schorsingsregelingen en de economische douaneregelingen". Alle wijzen van vervoer, genoemd in artikel 91, lid 2, letters a tot en met e, CDW vinden plaats onder geleide van een voor die betreffende regeling bestaand document, ter verkrijging waarvan een aangifte door douaneambtenaren moet worden aanvaard. Een redelijke uitleg van de in die onderafdeling B voorkomende artikelen in onderlinge samenhang bezien, brengt met zich dat artikel 96 CDW, behalve op de regeling extern communautair douanevervoer, eveneens van toepassing is op het externe douanevervoer onder geleide van een carnet TIR.

In casu is niet voldaan aan de verplichting om de goederen op het kantoor van bestemming aan te brengen en het carnet TIR te zuiveren. Op grond van artikel 204, lid 1, letter a, CDW is een douaneschuld ontstaan, waarvoor belanghebbende als titularis van het document op basis van artikel 96 CDW aansprakelijk kan worden gesteld.

6.5. Nu de douaneregeling van het externe douanevervoer onder geleide van een carnet TIR niet regelmatig is beëindigd, wordt met toepassing van artikel 215, lid 3, CDW de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de goederen onder de douaneregeling zijn gesteld, in casu Nederland. Derhalve hebben de douaneautoriteiten zich terecht heffingsbevoegd geacht.

6.6. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten gesteld en bewezen om zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen onderbouwen. Niet is gebleken dat het geval waaraan belanghebbende refereert, zich onder gelijke omstandigheden heeft voorgedaan.

6.7. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 7 september 1999, zaak C-61/98, UTC 1999/53, geoordeeld dat het gemeenschapsrecht de douaneautoriteiten die op de hoogte zijn van een mogelijke fraude in het kader van de regeling extern communautair douanevervoer, geen enkele verplichting oplegt, de aangever er voor te waarschuwen, dat hij ten gevolge van die fraude douanerechten schuldig kan worden, ook wanneer hij te goeder trouw zou hebben gehandeld. Zulks geldt naar het oordeel van de Tariefcommissie onverkort voor het onderhavige TIR-vervoer. Bovendien is in casu niet gebleken van een fraudeonderzoek door de douane of de fiscale recherche voorafgaande aan en gericht op het vervoer in de onderhavige zaak. Van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in rechtsoverweging 53 van vorengenoemd arrest is dan ook geen sprake. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd is onvoldoende om zijn standpunt dat in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is gehandeld, als juist te aanvaarden. Evenmin is juist de stelling dat door het achterwege laten van een waarschuwing een in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat het vervoer in de onderhavige zaak een regelmatig verloop heeft gehad.

6.9. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is, zodat de bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 11b van de Tariefcommissiewet.

8. De beslissing

De Tariefcommissie bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus gewezen in raadkamer op 7 november 2000 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. A. Bijlsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 7 november 2000.