Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AK4791

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
18-09-2003
Zaaknummer
0066/96
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De diefstal zoals in casu leidt tot het oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de hem als entreposeur bij artikel 101, aanhef en onder letter a, CDW opgelegde verplichting ervoor te zorgen dat de goederen tijdens hun verblijf in het douane-entrepot niet aan het douanetoezicht worden onttrokken. Die onttrekking brengt ingevolge artikel 203, lid 1, CDW een douaneschuld teweeg, waarvoor belanghebbende op grond van artikel 203, lid 3, vierde streepje, CDW als schuldenaar is aan te merken. De inspecteur heeft door belanghebbende ook daadwerkelijk als schuldenaar voor de douaneschuld aan te wijzen niet gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Tevens wordt verworpen het standpunt van belanghebbende dat anderen - mogelijkerwijs na een aan de inspecteur opgedragen onderzoek - aansprakelijk voor de douaneschuld hadden moeten worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE TARIEFCOMMISSIE

Uitspraak

in de zaak nr. 0066/96 TC

de dato 24 oktober 2000

1. De procedure

1.1. Op 9 april 1996 is een beroepschrift ingekomen van mr. A te B, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Y, belanghebbende.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict Z (de inspecteur) van 15 maart 1996, nr. T2...., waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 8 november 1995, nr. 395/.., vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 115.010,--, is afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de Secretaris een griffierecht van f 150,-- geheven.

De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden in raadkamer tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 18 april 2000. Daar zijn verschenen namens belanghebbende mr. C, mr. D en mr. E en namens de inspecteur mr. F, mr. G en mr. H. Belanghebbende en de inspecteur hebben beiden een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft een vergunning tot het houden van het Entrepot Type C aan de K-straat 28 in Y. In de nacht van 16 op 17 oktober 1995 zijn uit dit entrepot 371 kartons met sigaretten van het merk Marlboro ontvreemd. De sigaretten waren onder douaneverband opgeslagen ten behoeve van de eigenaar, K. Belanghebbende heeft nog dezelfde dag bij de politie te S, aangifte van de diefstal gedaan. Tevens is toen daarvan melding gemaakt bij de douaneambtenaren te Dordrecht.

2.2. Op 8 november 1995 is aan belanghebbende in verband met het vermis in entrepot de sub 1.1. vermelde uitnodiging tot betaling gedaan.

2.3. De inspecteur heeft - ten tijde van het schrijven van zijn vertoogschrift, dat dateert van 12 februari 1997 - ambtshalve een bedrag van f 44.558,-- aan douanerechten teruggegeven.

3. Het geschil

In geschil is of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de door het vermis in entrepot ontstane douaneschuld.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. Het entrepot was volgens de daaraan te stellen normen beveiligd; dit blijkt uit de omstandigheid dat de douane aan belanghebbende een vergunning heeft afgegeven voor het houden van het entrepot, terwijl ze ervan op de hoogte was dat daarin voor ontvreemding gevoelige goederen als sigaretten zouden worden opgeslagen. Belanghebbende heeft alle redelijkerwijs te treffen voorzorgsmaatregelen genomen. Nadat de diefstal zich had voorgedaan heeft belanghebbende onverwijld de douane en de politie daarvan op de hoogte gesteld. Belanghebbende heeft mitsdien aan alle verplichtingen van de entrepothouder voldaan.

Gelet op de woorden "in voorkomend geval" in artikel 203, lid 3, vierde gedachtestreepje, CDW, geldt de aansprakelijkheid voor de aldaar bedoelde personen alleen in het geval zij niet aan hun verplichtingen hebben voldaan. Indien het de bedoeling was om die personen altijd aansprakelijk te stellen, had dit artikellid op dezelfde wijze als artikel 201 CDW kunnen worden geformuleerd. In artikel 203 CDW wordt echter de ruimte geboden voor een bijzondere omstandigheid die ertoe leidt dat belanghebbende niet als schuldenaar kan worden aangemerkt.

4.2. Uit het voorgaande volgt dat het in strijd met het redelijkheidsbeginsel is om de douanerechten van belanghebbende te vorderen.

4.3. Belanghebbende heeft van het door K ingeschakelde expertisebureau H vernomen dat de politie op enig moment ermee bekend is geweest waar de gestolen sigaretten zich zouden bevinden.

Belanghebbende heeft gemeld wie de Officier van Justitie was in de zaak. Uit geen van de stukken blijkt dat de inspecteur naar aanleiding van deze informatie van belanghebbende onderzoek heeft gedaan naar de personen, die feitelijk bij de diefstal betrokken zijn geweest.

Bij de pleitnota is gevoegd een kranteartikel; de daarin genoemde politieman zou, blijkens onderzoek van K en belanghebbende, betrokken zijn geweest bij de diefstal en het voorkomen van inbeslagneming van de sigaretten, toen bekend was waar zij zich bevonden.

De Tariefcommissie wordt verzocht de inspecteur op te dragen openheid van zaken te geven omtrent de bij de vorenbedoelde instanties bekende gegevens.

Uit dit onderzoek zou kunnen volgen dat derden in plaats van belanghebbende voor de douaneschuld hadden moeten worden aangesproken. Nu de inspecteur tot op heden onvoldoende inzicht heeft gegeven omtrent de gedane inspanningen en resultaten van de onderzoekingen, kan belanghebbende niet voor de verschuldigde douanerechten aansprakelijk worden gehouden.

4.4. Indien uit het nader onderzoek zou blijken dat de politie en/of justitie vooraf kennis zouden hebben gehad van de op handen zijnde diefstal, dan kan belanghebbende niet voor de douaneschuld aansprakelijk worden gesteld. Verwezen wordt naar het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 1999, C-61/98, UTC 1999/53, waaruit kan worden afgeleid dat het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat een belastingplichtige aan wie geen enkele manipulatie of nalatigheid valt te verwijten aansprakelijk wordt gesteld voor een douaneschuld ontstaan als gevolg van fraude, die bekend was bij de autoriteiten, maar die zij in het belang van het onderzoek naar deze fraude, niet aan die belastingplichtige bekend hebben gemaakt.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. Uit het verlenen van de vergunning kan niet worden afgeleid dat aan normen van beveiliging is voldaan; slechts kan worden geconcludeerd dat de bouwkundige staat van het entrepot in orde was.

5.2. Belanghebbende heeft als entreposeur niet voldaan aan de aan hem bij artikel 101, letter a, van het CDW gestelde verplichting ervoor te zorgen dat de goederen niet worden onttrokken. Belanghebbende heeft weliswaar voldaan aan de eveneens bij de vergunning gestelde verplichting om direct melding van de diefstal te maken, doch dit ontheft hem niet voor de hiervoor bedoelde verplichting.

5.3. Er is in het kader van de beroepsprocedure contact met de behandelend officier van justitie geweest. Uit die contacten is gebleken dat niet is komen vast te staan wie de daders zijn van de diefstal noch waar de goederen zich na de diefstal hebben bevonden. Evenmin is er sprake van dat de politie of douane van een voornemen tot het plegen van de diefstal op de hoogte is geweest.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De sub 2.1. vermelde diefstal leidt tot het oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de hem als entreposeur bij artikel 101, aanhef en onder letter a, CDW opgelegde verplichting ervoor te zorgen dat de goederen tijdens hun verblijf in het douane-entrepot niet aan het douanetoezicht worden onttrokken. Die onttrekking brengt ingevolge artikel 203, lid 1, CDW een douaneschuld teweeg, waarvoor belanghebbende op grond van artikel 203, lid 3, vierde streepje, CDW als schuldenaar is aan te merken.

6.2. De inspecteur heeft door belanghebbende ook daadwerkelijk als schuldenaar voor de douaneschuld aan te wijzen niet gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.

6.3. De Tariefcommissie acht, mede gelet op de daartoe strekkende mededeling van de officier van justitie aan de inspecteur, niet door belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de politie en justitie wetenschap hebben gehad van:

- een voornemen tot het plegen van de diefstal,

- de identiteit van de daders van de diefstal,

- de plaats waar de sigaretten zich na die diefstal hebben bevonden.

De Tariefcommissie acht geen redenen aanwezig om de inspecteur op te dragen nadere stukken omtrent het onderzoek naar die diefstal in het geding te brengen.

Tevens wordt verworpen het standpunt van belanghebbende dat anderen - mogelijkerwijs na een aan de inspecteur opgedragen onderzoek - aansprakelijk voor de douaneschuld hadden moeten worden gesteld.

6.4. De sub 4.4. vermelde stelling van belanghebbende wordt verworpen reeds omdat daarvoor de feitelijke grondslag ontbreekt; immers niet is komen vast te staan dat de douane of justitie op de hoogte was van het voornemen tot het plegen van de diefstal. In de onderhavige zaak doet zich bovendien niet voor een situatie als aan de orde was in het arrest van het Hof van Justitie van 7 september 1999 in de zaak C-61/98 , UTC 1999/53, te weten dat ter zake van hetzelfde feitencomplex tegelijk beroepen inzake een beschikking van de Commissie op een verzoek om teruggaaf en een verzoek van

een nationale rechter rechterlijke instantie om bij wijze van prejudiciele beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, bij het Hof van Justitie aanhangig zijn. Uit dat arrest volgt dan ook niet dat de Tariefcommissie de behandeling van de onderhavige zaak zou moeten schorsen in afwachting van het verdere verloop van een mogelijk aanhangige, maar bij de Tariefcommissie verder niet bekende verzoekschriftprocedure.

6.5. Nu na het doen van de uitspraak de sub 2.3. vermelde teruggaaf heeft plaatsgevonden, dient de bestreden uitspraak te worden vernietigd en moet de uitnodiging tot betaling op een bedrag van f 70.452,-- worden vastgesteld.

7. De proceskosten

De Tariefcommissie acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b van de Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 2 (beroep en verschijnen ter zitting) x 2 (gewicht) x f 710,-- = f 2.840,--.

8. De beslissing

De Tariefcommissie:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep;

- vermindert de uitnodiging tot betaling tot een bedrag groot f 70.452,--;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan

deze kosten, groot f 2.840,--, te voldoen,

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het griffierecht ad f 150,-- te vergoeden.

Aldus gewezen in raadkamer op 24 oktober 2000 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis, lid, en mr. K. Kooijman, plaatsvervangend lid, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris.

De secretaris: De voorzitter:

De beslissing is in het openbaar uitgesproken ter zitting van 24 oktober 2000.