Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AE9770

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-01-2000
Datum publicatie
12-10-2004
Zaaknummer
23-000457-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Als bestuurder deelgenomen aan een organisatie die zich op grote schaal bezig hield met de handel in synthetische drugs (XTC en amfetamine). Vier afleveringen/transporten zijn bewezen verklaard. Voorts heeft verdachte grondstoffen voor de productie van deze drugs voorhanden gehad.

Verwerping verweer m.b.t. de niet-ontvankelijkheid van het OM en strafmaatverweer.

7 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000457-99

datum uitspraak 5 januari 2000

tegenspraak

Arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van

de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 8 februari 1999

in de strafzaak onder parketnummer 15/094116-97 tegen

verdachte

geboren te [plaats] op [...] 1957,

wonende te Haarlem, adres, thans gedetineerd in de P.I. "Haarlem" te Haarlem.

De omvang van het hoger beroep

Blijkens mededeling van de advocaat-generaal en de verdediging is het hoger beroep niet gericht tegen enige tussenbeslissing van de rechtbank.

Blijkens mededeling van de advocaat-generaal is het hoger beroep van het openbaar ministerie evenmin gericht tegen de eindbeslissing van de rechtbank houdende vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde. Blijkens mededeling van de verdediging is het hoger beroep niet gericht tegen de eindbeslissingen van de rechtbank houdende vrijspraak van het onder 3 en 5 tenlastegelegde. Het hof stelt vast dat op grond van het voorgaande het onder 3 tenlastegelegde feit niet aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 21 en 25 januari 1999 en in hoger beroep van 17 september 1999, 20 en 22 oktober 1999, 3, 5, 10, 12 en 26 november 1999, 1, 3, 17 en 22 december 1999.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - hetgeen staat vermeld in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 november 1998 op vordering van de officier van justitie nader omschreven, en op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 januari 1999 op vordering van de officier van justitie gewijzigd en op de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 1999 op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd. Van die dagvaarding, de vordering nadere omschrijving en de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

(...)

Een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer strekkende primair tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging

De raadsman heeft bij pleidooi aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging, subsidiair bewijsuitsluiting moet volgen danwel - ingeval veroordeling volgt - compensatie door strafvermindering, zulks op de navolgende gronden, zakelijk weergegeven.

(1) Aan de belangen van de verdachte bij een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, doordat de CID informatie, op grond waarvan het opsporingsonderzoek tegen de verdachte op 3 oktober 1997 is aangevangen, niet is kunnen worden gecontroleerd. De raadsman heeft deze stelling als volgt toegelicht.

Het opsporingsonderzoek tegen de verdachte is op 3 oktober 1997 aangevangen op basis van de inhoud van proces-verbaal nummer 34/1997, opgemaakt door (…)chef RCID Kennemerland. Dit proces-verbaal is een compilatie-proces-verbaal van alle exploitabele CID informatie, die over (…) vanaf 1995 tot en met eind juni 1997 bij de RCID Kennemerland is binnengekomen.

Over de onderliggende CID mutaties heeft het openbaar ministerie geen (nadere) openheid willen geven.

Door dit gebrek aan transparantie heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de inhoud van het compilatie-proces-verbaal (de daaraan ten grondslag liggende CID mutaties) niet kunnen controleren. Hierdoor ontbreken haar voldoende gegevens om te kunnen beoordelen of het opsporingsonderzoek tegen de verdachte rechtmatig is aangevangen. Als de CID mutaties niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, zou die beoordeling negatief moeten uitvallen met als gevolg dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging.

(2) Er heeft in het (…)-onderzoek een vermenging plaatsgehad van tactisch onderzoek met CID werk, waarbij de resultaten van het tactisch onderzoek niet op gebruikelijke wijze (het hof begrijpt: op de voet van het bepaalde in artikel 152 Wetboek van Strafvordering), maar op CID-matige wijze zijn vastgelegd, waardoor die resultaten niet controleerbaar zijn.

De raadsman heeft deze stelling als volgt toegelicht.

Het opsporingsonderzoek zou door een team van de afdeling Zware Criminaliteit van de Regiopolitie Kennemerland in juni 1997 worden gestart. Dit kon toen wegens gebrek aan capaciteit niet doorgaan.

(…) chef CID Kennemerland, heeft toen met inschakeling van het observatieteam in de periode van 1 juni 1997 tot 3 oktober 1997 tactisch onderzoek gedaan.

Bij dat onderzoek is onder leiding van (…) (stelselmatige) observatie op (…) gedaan, althans gepoogd te doen, terwijl in een CID traject nog geen sprake is van een verdachte.

Bij dat onderzoek zijn de resultaten niet op gebruikelijke, maar op CID-matige wijze vastgelegd. Betreffende de ambtshandelingen en/of activiteiten van de observatie is door (…) eerst op 3 respectievelijk 6 oktober 1997 bij proces-verbaal en dan zeer onvolledig verslag gedaan. Eerst in hoger beroep is -op verzoek van de verdediging- door de chef van het observatieteam bij proces-verbaal gerapporteerd over de precieze omvang en duur van de observaties.

(3) De politie heeft onrechtmatig inbreuk gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte door in de periode van 1 juni 1997 tot 3 oktober 1997, zonder dat zij daartoe op een grond van een wet in formele zin bevoegd was, stelselmatige observatie te doen gericht op (…) althans door te pogen zodanige stelselmatige observatie te doen.

De raadsman heeft deze stelling als volgt toegelicht.

In de periode van 1 juni 1997 tot 3 oktober 1997 is in het onderzoek onder leiding van [naam], chef RCID Kennemerland, een observatieteam werkzaam geweest speciaal gericht op (…). Gezien de frequentie, duur en intensiteit, als ook de omstandigheid dat gebruik is gemaakt van zintuigversterkende hulpmiddelen als video-apparatuur waarmee volledig wordt geregistreerd, is er sprake geweest van stelselmatige observatie, althans van een poging daartoe.

Hierdoor is onrechtmatig inbreuk gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, nu de bevoegdheid daartoe niet in een wet in formele zin is verleend en ook niet berust op artikel 2 Politiewet en/of de artikelen 141 en 142 Wetboek van Strafvordering.

(4) De opening van het gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte is onrechtmatig geweest, waardoor de tapmachtigingen in het gerechtelijk vooronderzoek onrechtmatig zijn verleend en de tapjournaals onrechtmatig zijn verkregen

De raadsman heeft deze stelling als volgt toegelicht.

Op het moment van het openen van het gerechtelijk vooronderzoek en het daarbij verlenen van tapmachtiging door de rechter-commissaris bestond er ten aanzien van de verdachte geen redelijke verdenking van schuld. In de periode vanaf 1 juni 1997 tot 18 december 1997 heeft het opsporingsonderzoek geen belastende informatie over (…) opgeleverd. Op 18 december 1997 is op basis van een compilatie CID proces-verbaal van 3 oktober 1997 en een aanvullend proces-verbaal van (…) het gerechtelijk vooronderzoek tegen (…) geopend en tapmachtiging verleend. Deze processen-verbaal leveren echter geen vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit jegens (…) op.

(5) Het openbaar ministerie heeft met de kennelijke bedoeling te verhinderen dat zou blijken dat de opsporingsmethode van de gestuurde informant is gebruikt, mondjesmaat informatie verstrekt over hetgeen zich heeft voorgedaan rondom het bevel tot het inzetten van een gestuurde informant van 6 januari 1998. Hierdoor zijn de verdediging en de rechter belemmerd de bewijsgaring volledig te toetsen en zich over de rechtmatigheid daarvan een oordeel te vormen en is te kort gedaan aan de belangen van de verdachte bij een eerlijke berechting van zijn zaak.

De raadsman heeft deze stelling als volgt toegelicht.

Vanaf oktober/november 1997 is er intern overleg geweest over de mogelijke inzet van een gestuurde informant in het (…) -onderzoek. De uiteindelijke beslissing om de methode niet in te zetten is pas rond 15 maart 1998 genomen. In de tussentijd zijn er -naast de gebruikelijke informantengesprekken- tenminste twee gesprekken geweest met de kandidaat te sturen informant, waarbij zijn kandidaatschap alsook de concept-overeenkomst die de RCID met hem wilde sluiten, zijn besproken. De verdediging heeft getracht meer openheid te verkrijgen in de aard van de rechten en plichten van de persoon die bijstand zou moeten verlenen aan de opsporing, omdat de wijze van verkrijging van informatie de betrouwbaarheid van die informatie nadelig kan beïnvloeden. Dat is niet gelukt. Vragen behoefden niet te worden beantwoord omdat na eind juni 1997 van de te sturen informant geen bruikbare informatie meer zou zijn gebruikt in het (…)-onderzoek.

Dat in het (…)-onderzoek na oktober 1997 van de kandidaat te sturen informant geen informatie meer is gebruikt, is echter zeer onaannemelijk, nu het er alle schijn van heeft dat de RCID Kennemerland die informant als gestuurde informant of burgerinfiltrant heeft ingezet, ook voordat het bevel op 6 januari 1998 werd gegeven.

Het hof overweegt omtrent dit verweer vooreerst als volgt.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, in het bijzonder gelet op de verklaring van de getuige (…) ter terechtzitting in hoger beroep, is omtrent de aanvang van het opsporingsonderzoek in de

zogenaamde (…)-zaak, waarvan de onderwerpelijke strafzaak tegen de verdachte deel uitmaakt, het volgende aannemelijk geworden.

De RCID Kennemerland is in verband met de zogenaamde IRT affaire gereorganiseerd. (…) is op 1 oktober 1995 aangetreden als chef van die RCID. Hij heeft uit hoofde van zijn functie de informatie die, na aanvang van de reorganisatie, vanaf zijn aantreden als chef bij de RCID Kennemerland over (…) was binnengekomen, voor 1 juni 1997 geinventariseerd en geschikt bevonden om voor te dragen om op grond daarvan een breed opsporingsonderzoek te doen starten door een team van de afdeling Zware Criminaliteit (ZwaCri) van de regiopolitie Kennemerland. Ingevolge zijn voordracht is in een vergadering van -naar hij denkt - de driehoek het besluit genomen dat opsporingsonderzoek per 1 juni 1997 te starten.

Dit besluit kon op 1 juni 1997 niet worden uitgevoerd, omdat het team van de afdeling ZwaCri toen nog niet beschikbaar was. Hierop is door (…) in overleg met de leiding van de afdeling ZwaCri en de CID officier van justitie Snijders, een tactisch onderzoek gestart met als doel, in afwachting van het beschikbaar komen van een team van de afdeling ZwaCri, al vast actualiserend onderzoek te doen omtrent vermelde, bij de RCID Kennemerland vanaf 1995 binnengekomen informatie over (…). Hiertoe heeft (…) de bijstand gevraagd van het Observatieteam (OT) van de regiopolitie Kennemerland en die bijstand ook verkregen. In zijn onderzoek heeft (…) de reeds beschikbare RCID informatie en ook resultaten van de inzet van het OT geverifieerd en aangevuld met gegevens verkregen uit zogenaamde open bronnen.

Deze onderzoeksperiode heeft langer geduurd dan de bedoeling en verwachting was. Eerst op 3 oktober 1997 kon door de afdeling ZwaCri van regiopolitie Kennemerland een onderzoeksteam worden geformeerd om het (…)-onderzoek te doen. Per die datum heeft (…) zijn onderzoek overgedragen aan (…) projektleider bij de afdeling ZwaCri, die als projektleider het onderzoek zou gaan leiden. Daartoe heeft (…) (…) in een kort tijdsbestek drie processen-verbaal ter beschikking gesteld, te weten de processen-verbaal met nummers 34, 34A en 34B. (…) is met zijn team op basis van de in deze processen-verbaal vermelde informatie gaan werken.

Proces-verbaal nummer 34 betreft een compilatie proces-verbaal van de RCID informatie, mede op basis waarvan de beslissing is genomen het (…)-onderzoek te starten en waaromtrent (…) zijn tactisch onderzoek heeft verricht met dien verstande dat de resultaten van dat onderzoek in de maand juni 1997 daarin waren verwerkt in die zin dat dat onderzoek slechts bevestiging had opgeleverd van die RCID informatie.

De tekst van dit proces-verbaal nummer 34 luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

Bij de RCID Kennemerland is in de periode 1995 tot en met juni 1997 via verscheidene bronnen de navolgende informatie binnengekomen,welke als volgt luidt:

(…) is betrokken bij de productie, verwerking en handel van synthetische drugs. Hij is tevens betrokken bij de handel in grondstoffen welke nodig zijn voor de aanmaak van dergelijke drugs.

(…) werkt in verband met bovenstaande veel samen met (…), terwijl hij daarvoor een man genaamd (…) als loopjongen gebruikt.

(…) heeft een aantal contacten dat zich eveneens met de aanmaak, verwerking en handel van synthetische drugs bezighoudt.

Proces-verbaal nummer 34A en proces-verbaal nummer 34B bevatten -kort aangeduid- relevante resultaten van de inzet van het OT in de periode van juni 1997 tot 3 oktober 1997 en, in verband daarmee, relevante uitkomsten van door (…) verricht onderzoek.

In proces-verbaal nummer 34B is voorts vermeld aan (…) bekend geworden zogenaamde exploitabele CID informatie van RCID's uit andere regio's, welke door hem bij de aanvang van het door (…) geleide onderzoek aan (…) bekend is gemaakt.

Gelet op de inhoud van proces-verbaal nummer 34 en hetgeen de getuige (…) ter terechtzitting in hoger beroep daaromtrent nader heeft verklaard, vloeide ten tijde van de aanvang van dat opsporingsonderzoek -naar het oordeel van het hof - ten aanzien van de verdachte uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld voort aan enig strafbaar feit als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.

Hiermee rekening gehouden, leidt het hof uit voormelde feiten en omstandigheden af dat het opsporingsonderzoek in de (…)-zaak, in het bijzonder ook het daarvan deel uitmakende opsporingsonderzoek tegen de verdachte, is aangevangen begin juni 1997, toen (…) zijn tactisch onderzoek begon.

Het hof overweegt omtrent voormeld verweer voorts als volgt.

(ad 1)

(…) voornoemd heeft als getuige ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de aan het compilatie proces-verbaal nummer 34 ten grondslag liggende RCID informatie het volgende verklaard.

In proces-verbaal nummer 34/97 is door mij de bij de RCID binnengekomen informatie betreffende (…),

(…) en (…) samengevat neergelegd. Deze informatie is afkomstig van tussen de twee en acht

informanten. De informanten zijn, nadat zij door ons zijn geaccepteerd, bij de NCID in code aangemeld

en landelijk geregistreerd. Op die manier wordt er landelijk gecontroleerd of de informant niet reeds

elders als informant is aangemeld. Ik heb de in proces-verbaal 34/97 genoemde CID-gegevens zelf

geverifieerd en ben toen tot het oordeel gekomen dat de informatie betrouwbaar was. Het ging om meer

bronnen, die elkaar bevestigden. Elk van die bronnen kon als "acceptabel" worden beoordeeld, gelet op

onze waarderingsgrondslagen "acceptabel/niet te beoordelen/onacceptabel. " Het is een bulk aan

informatie geweest. De inhoud van proces-verbaal 34/97 bevat een selectie uit deze bulk, afkomstig van

verscheidene bronnen.

Ik ken bijna al onze informanten persoonlijk. Ik vind het voor de beoordeling van de betrouwbaarheid

van de informatie belangrijk om ook de persoon van de informant te kennen.

Van ieder contact tussen de informant en de runners wordt door de runners schriftelijk verslag gedaan.

Gaat de informatie over personen die ons interesseren, dan wordt de informatie opgeslagen en bewaard

in een register overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke bepalingen.

Ik heb kennisgenomen van de CID-informatie over (…) die voor 1995 is binnengekomen, maar ik heb

die informatie niet gebruikt in mijn compilatie proces-verbaal. Ik heb alleen gebruik gemaakt van

CID-informatie die is binnengekomen terwijl ik werkzaam was als groepchef bij de CID Kennemerland.

In het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, op grond waarvan het hof twijfelt aan de juistheid van deze verklaring van (…).

Hiermee rekening houdende, kan niet worden gezegd dat de inhoud van het compilatie proces-verbaal nummer 34 en de daaraan ten grondslag liggende CID mutaties niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

Gelet op voormeld onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder ook op de ondervraging van de getuige (…)

en de door hem afgelegde verklaring waarin deze nadere verantwoording heeft afgelegd, kan niet worden gezegd dat de verdediging de betrouwbaarheid van de inhoud van het compilatie proces-verbaal nummer 34 niet afdoende -binnen hetgeen een goede procesorde vereist - heeft kunnen controleren.

(ad 2)

Krachtens artikel 152 Wetboek van Strafvordering maken de opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal op van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden.

Het hof is van oordeel dat de opsporingsambtenaar (…) betreffende zijn opsporende werkzaamheden in de periode vanaf juni 1997 tot aan 3 oktober 1997 het gestelde in artikel 152 Wetboek van Strafvordering niet heeft nageleefd, nu hij -naar de raadsman terecht heeft aangevoerd- eerst op 3 respectievelijk 6 oktober 1997 van hetgeen door hem en onder zijn leiding door het OT toen ter opsporing is verricht, proces-verbaal en zulks niet volledig heeft opgemaakt.

Dit behoeft evenwel niet te leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, bewijsuitsluiting of strafvermindering op grond van het volgende.

Niet aannemelijk is geworden dat (de wijze van) het opmaken van proces-verbaal door (…) als vermeld, is gedaan met de bedoeling de betreffende opsporingsactiviteiten aan (rechterlijke) controle te onttrekken.

Voorts is verbalisant (…) ter terechtzitting in hoger beroep meermalen gehoord over hetgeen door hem in de periode van juni 1997 tot 3 oktober 1997 ter opsporing is verricht en bevonden en hij heeft toen daarover uitgebreid verklaard en alsnog verantwoording afgelegd.

Voorts is -op verzoek van het hof- door de uitvoerend chef observatie/technisch ondersteuning [naam] op 24 november 1999 alsnog proces-verbaal opgemaakt over de op verzoek van (…) gedane observaties van het OT, blijkens dat proces-verbaal verricht in de periode van 10 juni 1997 tot en met september 1997. Dit proces-verbaal is ter terechtzitting van 26 november 1999 door de advocaat-generaal overgelegd.

Hierdoor kan niet worden gezegd dat de onderhavige opsporingsactiviteiten aan rechterlijke controle zijn onttrokken, alsook dat de verdediging zich daarover geen oordeel heeft kunnen vormen.

Hiermee rekening gehouden wordt ook dit onderdeel van het verweer verworpen.

(ad 3)

Uit het reeds genoemde proces-verbaal van bevindingen inzake de inzet van een observatieteam van 24 november 1999 van [naam] blijkt het volgende.

In de periode van 10 juni 1997 tot en met 10 september 1997 zijn op verzoek van (…) werkzaamheden verricht aangaande het vaststellen van contacten van (…). De identiteit van de te observeren persoon werd vooraf vastgesteld aan de hand van een informatieset met foto van betrokkene. Overeenkomstig het verzoek zijn de observatiewerkzaamheden gestart op (…) en gaande het onderzoek uitgebreid op twee van zijn contacten genaamd (…) en (…). In voornoemde periode is gedurende 36 dagen/dagdelen geïnvesteerd op (…) en zijn contacten. Bij deze observaties is de verdachte (…) in totaal circa twaalf keer geobserveerd, waarvan circa vier keer bij gelegenheid van een observatie gericht op een van zijn contacten. Bij de gerelateerde waarnemingen is gebruik gemaakt van zintuigversterkende hulpmiddelen als verrekijkers en video-apparatuur.

Uit de processen-verbaal 34A en 34B en voornoemd proces-verbaal van bevindingen van [naam], in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de observaties in de periode van 10 juni 1997 tot 10 september 1997 op de verdachte niet zijn verricht vanaf plaatsen waar de verdachte zich "onbespied" mochten weten.

Hierbij in aanmerking genomen de frequentie en duur van de op de verdachte verrichte observaties, zoals die uit het proces-verbaal van [naam] blijken, is het hof van oordeel dat niet kan worden gezegd dat door de betwiste observaties is getreden buiten de algemene opsporingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 141 Wetboek van Strafvordering. Het hof heeft hierbij ook gelet op de omstandigheid dat bij de waarnemingen gebruik is gemaakt van hulpmiddelen als verrekijkers en video-apparatuur, zoals is vermeld in genoemd proces-verbaal van [naam].

Hiermee rekening gehouden wordt het onderhavige onderdeel van het verweer verworpen.

(ad 4)

Op daartoe strekkende vordering van de officier van justitie te Haarlem d.d. 18 december 1997 heeft mr. Flint-van Noort, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Haarlem, blijkens haar beslissing van 19 december 1997 -inhoudende de beschikking ex artikel 125f Wetboek van Strafvordering (politiedossier bladzijde 291) een gerechtelijk vooronderzoek geopend tegen de verdachte (…).

Het gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte [naam] is ingesteld ter zake van:

1. (in de periode 1 januari 1995 tot en met 11 december 1997 te Haarlem) tezamen en in vereniging opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van XTC; en

2. (in de periode 1 januari 1995 tot en met 11 december 1997 te Haarlem) deelnemen aan een -kort gezegd- criminele organisatie.

Het is de taak van de rechter-commissaris om, als het openbaar ministerie tegen een verdachte de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek vordert, te beoordelen en te beslissen of ten aanzien van de persoon tegen wie de vordering is gericht, uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit aan het strafbare feit ter zake waarvan de vordering wordt gedaan, en zo ja, of hij, rechter-commissaris, tot de instelling van het gerechtelijk vooronderzoek zal overgaan.

Het hof stelt -betreffende het onderwerpelijke onderdeel van het verweer- voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de rechter-commissaris uit hoofde van zijn aanstelling geacht wordt dat hij, als hij een gerechtelijk vooronderzoek heeft geopend, daaraan voorafgaande met de vereiste zorgvuldigheid heeft geoordeeld dat tot opening daarvan voldoende grond bestond, te weten dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit aan het strafbare feit ter zake waarvan en zulks jegens de persoon ten aanzien van wie de opening van het gerechtelijk vooronderzoek wordt gevorderd, en dat de instelling van dat onderzoek nodig is.

Dit uitgangspunt kan echter niet worden gehandhaafd als op grond van feiten of omstandigheden aannemelijk is dat de rechter-commissaris met verzaking van zijn taakstelling het gerechtelijk vooronderzoek heeft geopend.

Met betrekking tot de opening van het gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte (…) is niet aannemelijk geworden dat de rechter-commissaris mr. Flint-van Noort voormelde taakstelling heeft verzaakt.

In dit verband merkt het hof ter zijde nog op dat de verdediging niet heeft verzocht de rechter-commissaris ter zake als getuige te horen.

Ook dit onderdeel van het verweer wordt mitsdien verworpen.

(ad 5)

Gelet op hetgeen de getuigen (…), (…) en (…) ter terechtzitting daaromtrent hebben verklaard, in onderling verband en samenhang beschouwd, is niet aannemelijk geworden dat in de (…)-zaak, waarvan de onderwerpelijke strafzaak deel uitmaakt, gebruik is gemaakt van de opsporingsmethode van de gestuurde informant en, in de periode vanaf oktober 1997, informatie is gebruikt van de informant, die -kort gezegd- kandidaat was om als gestuurde informant te worden ingezet.

Mede op grond hiervan is evenmin aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie mondjesmaat informatie heeft verstrekt met de bedoeling te verhinderen dat zou blijken dat van genoemde opsporingsmethode gebruikt is gemaakt.

Ook dit onderdeel van het verweer wordt mitsdien verworpen.

Nu alle door de verdediging aan het onderwerpelijke verweer ten grondslag gelegde stellingen falen, wordt het verweer verworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep -voor zover aan zijn oordeel onderworpen- omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 primair,

4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 is tenlastegelegd, met dien verstande dat hij

- ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde -

op 9 april 1998 in Nederland te zamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd (van Tilburg naar Haarlem) 50 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I;

- ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde -

op 2 april 1998 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I;

- ten aanzien van het onder 4 primair tenlastegelegde -

op 27 april 1998 in Nederland te zamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 127.500 pillen van een materiaal bevattende MDMA (XTC), zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I;

- ten aanzien van het onder 5 primair tenlastegelegde -

in de periode van 3 april 1998 tot en met 6 april 1998 in Nederland te zamen en in vereniging met een ander

(…), om een feit bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen en/of bereiden van een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en vermeld op de bij de Opiumwet Lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij verdachte en zijn mededader wist of ernstige redenen hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk die (…) een grondstof voor de vervaardiging van synthetische drugs, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en vermeld op de bij die wet behorende Lijst I, voorhanden laten hebben en laten vervoeren en die (…) instructies gegeven;

- ten aanzien van het onder 6 primair tenlastegelegde -

op of omstreeks 9 maart 1998 in Nederland te zamen en in vereniging met een anderen opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 50 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I;

- ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde –

in de periode vanaf februari 1997 tot en met mei 1998 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, te weten onder meer door (…), welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het telkens opzettelijk afleveren, verkopen, vervoeren en aanwezig hebben van hoeveelheden of een hoeveelheid van een middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende Lijst I en verrichten van handelingen zoals omschreven in de Opiumwet artikel 10a eerste lid zulks om een feit als bedoeld in de Opiumwet artikel 10 derde lid voor te bereiden en/of te bevorderen, terwijl hij, verdachte, bestuurder van die organisatie was.

Hetgeen onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

1.1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof van 1 december 1999, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 7)

In het gesprek van 15 april 1998 te 15.42 uur hoor ik een vrouwenstem. Dat zou de stem van (…) kunnen zijn. In het gesprek van 15 april 1998 te 17.16 uur herken ik de stem van (…). In het gesprek op 15 april 1998 te 18.14 uur hoor ik opnieuw de stem van (…).

1.2. Een proces-verbaal ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 21 januari 1999 in de zaak tegen (…)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de rechtbank afgelegde verklaring van verdachte:

(ad 2)

Ik ken (…). Zij woont in Westzaan op een boot. Ik ken haar vriend (…) ook. Ik ken (…). Ik noem hem meestal (…), soms ook “de ouwe”.

2.1. De getuige (…), 61 jaar, zonder beroep, wonende te Haarlem, thans gedetineerd in het huis van bewaring "Maashegge" verklaart -zakelijk weergegeven- als volgt.

(ad 7)

Op 18 november 1996 ben ik naar Nederland gekomen. Al snel ben ik als chauffeur voor (…) gaan optreden.

Eind februari, begin maart 1997 vroeg (…) aan mij voor het eerst of ik in Tilburg wat voor hem wilde

ophalen. Dat heb ik toen gedaan.

Een paar weken nadat ik voor het eerst in Tilburg wat voor (…) had opgehaald, was één van de dozen,

die ik toen ophaalde, kapot en zag ik dat er tabletten in zaten. Ik begreep toen dat het om drugs ging. Dit

hoorde ik later ook. Als ik in opdracht van (…) naar Tilburg reed, dan moest ik steeds naar het centrum.

Daar trof ik dan (…). De eerste keer wist ik niet wie ik moest ontmoeten. Ik werd toen aangesproken

door een persoon die aan mij vroeg of ik (…) was. Deze persoon was (…).

(…) heeft (…) aan mij voorgesteld. Daarna zag ik (…) wel eens in een koffiehuis in Amsterdam. In dat

koffiehuis waren ook wel eens aanwezig (…) en (…).

Ik wist dat (…) in Tilburg woonde. Als ik over (…) praatte, dan noemde ik hem de(…).

Als men het in de afgeluisterde telefoongesprekken met mij over de (…) heeft, dan wordt daar (…) mee bedoeld.

(…) gaf mij opdrachten; hij was mijn baas. Als een ander mij een opdracht gaf, dan was dat in mijn beeld naar aanleiding van een opdracht van (…).

(ad 6 en 7)

Begin maart 1998 was ik in de sportschool, waar ook aanwezig waren (…) en (…). Aan mij werd gevraagd of ik in Tilburg 100 kilogram speed wilde ophalen. In opdracht van (…) ben ik op 7 maart 1998 naar Tilburg gegaan. In Tilburg bleek dat er niets was. Op zondag 8 maart 1998 ben ik door (…) opgebeld met het verzoek of ik die zondag naar Tilburg wilde rijden om de speed op te halen. Hij moest die speed, die nu wel beschikbaar zou zijn, namelijk vóór maandag hebben. Ik heb toen tegen (…) gezegd dat ik niet op zondag wilde rijden. (…) heeft toen gebeld met (…). Even later werd ik nogmaals gebeld door (…). Ik ben toen naar Tilburg gegaan en daar heb ik van (…) 50 kilogram speed (het hof begrijpt op grond van de inhoud van de overige bewijsmiddelen: amfetamine) gekregen. Ik heb de twee dozen met speed in mijn box gezet.

(…) en (…) hebben deze handel van 50 kilogram speed samen geregeld. Tegen mij was gezegd dat er speed in de dozen zou zitten.

(…) betaalde mij f. 1.000,= extra omdat ik voor hem op de zondag heb gereden. Ik heb van (…) f. 1.625, = ontvangen en van (…) f. 625,=. Normaal krijg ik van (…) voor een rit naar Tilburg f. 1.250,=.

(ad 2 en 7)

(…) belde mij op en zei tegen mij dat ik op 2 april 1998 in Amsterdam tabletten moest ophalen en naar (…) moest brengen. Ik ben op 2 april 1998 eerst naar de RAI gereden, maar kreeg daarna een telefoontje dat ik naar een hotel moest gaan.

De voorzitter houdt mij de inhoud van een afgeluisterd telefoongesprek van 2 april 1998 te 21.30 uur voor dat zou zijn gevoerd tussen (…) en mij. Gelet op die inhoud moet ik nu zeggen dat ik toen bij (…) ben geweest. Ik neem op grond daarvan aan dat ik toen wel pillen aan haar heb afgeleverd. Dat telefoongesprek kan ik mij wel herinneren. Het staat mij ook wel bij dat (…) gezegd zou hebben dat zij met (…) zou afrekenen.

(ad 5 en 7)

Ik heb begin april 1998 in opdracht van (…) in Eindhoven 4 jerrycans met elk 25 liter olie opgehaald en meegenomen naar Haarlem. Ik heb deze volle jerrycans uit mijn auto getild en in de box opgeslagen. De volgende dag, 6 april 1998, heb ik de 4 jerrycans naar Tilburg gebracht. (…) heeft de jerrycans daar bij mij opgehaald. Tegen mij was gezegd dat het een soort olie betrof.

(ad 7)

(…) had bij zijn vader in diens schuur een jerrycan staan. Ik heb, dat was in april 1998, samen met (…) in de schuur van zijn vader uit deze jerrycan 10 liter overgegoten in twee kleinere jerrycans en deze 10 liter heb ik vervolgens in opdracht van (…) naar (…) in Nieuw-Vennep gebracht.

Ik heb daarna nog een keer 10 liter olie, ook afkomstig uit de jerrycan die in de schuur van (…) sr. stond, naar (…) gebracht. Ik heb deze olie naar (…) gebracht en aan hem gevraagd of hij er iets mee kon. (…) zei dat hij zou laten nakijken of de olie goed was. Als de olie goed was, zou ik 6.000 tot 7.000 tabletten van hem krijgen. Op grond van (…) toezegging van die hoeveelheid pillen begreep ik dat het om zeer waardevolle olie ging.

De olie, die ik naar (…) heb gebracht, was wit van kleur. De vloeistof was niet echt dik stroperig; het vloeide ongeveer als slaolie.

(ad 1 en 7)

Ik heb op 9 april 1998 samen met (…) in opdracht van (…) in Tilburg 2 dozen met in totaal 50 kg amfetamine opgehaald. (…) had nog een schuld aan (…) en kon op deze manier zijn schuld aflossen. De 50 kilogram amfetamine zijn in mijn box opgeslagen. De politie heeft de amfetamine weggenomen.

(ad 7)

Ik had drie flatboxen tot mijn beschikking voor opslag van goederen. Dat waren mijn eigen box, die van mijn buren en de box van (…). (…) had geen sleutel van mijn box. Als ik naar Duitsland ging en in mijn box XTC-tabletten lagen of speed was opgeslagen, dan gaf ik aan (…) de sleutel van mijn box. (…) had die sleutel altijd al.

Op de tabletten was steeds een stempel geplaatst. In het begin stonden er kroontjes op de tabletten.

Toen (…) erbij kwam, stonden de letters RN op de tabletten.

(…) gaf mij altijd de opdracht. (…) had het voor het zeggen. Als (…) tegen mij zei dat ik naar het zuiden moest, dan had hij dat besproken met (…). (…) vertelde mij ook steeds hoeveel tabletten ik moest afgeven. Ik pakte de tabletten, telde ze of liet ze tellen en bracht ze weg. Als (…) tegen mij 10 zei dan begreep ik dat hij daarmee 10.000 tabletten bedoelde. Zei hij 5 dan ging het om 5.000 tabletten. Wij spraken in code met elkaar. Met wijn werden tabletten bedoeld en met cognac speed.

Als iemand zei dat hij 2 wijn wilde hebben, begreep ik dat hij daarmee 2.000 XTC-tabletten bedoelde.

Ik heb tabletten opgehaald en naar (…) gebracht. Ik heb begrepen dat deze tabletten niet goed waren omdat ze verpulverden en dat ze teruggebracht moesten worden naar (…) zodat hij ze opnieuw kon maken. Ik heb in 2 of 3 porties de tabletten gekregen en naar (…) gebracht. Eén van die keren heb ik de desbetreffende portie tabletten aan (…) zoon afgegeven. Als ik ze bij (…) had gebracht, kreeg ik na een paar dagen het bericht dat ik ze weer kon ophalen. De eerste keer dat ik de foute tabletten bij (…) afleverde, zei ik tegen (…) dat (…) tegen mij had gezegd dat de tabletten niet goed waren en dat hij andere wilde hebben. In mijn aanwezigheid hebben (…), (…) en zijn zoon naar de tabletten gekeken en toen geconstateerd dat de tabletten verpulverden. (…) heeft toen met zijn handen aan de tabletten in de zak gevoeld. Hij zei tegen mij dat ik wel bericht zou krijgen wanneer ik ze weer kon ophalen. Ik heb zelf ook gezien dat de tabletten verpulverden. Als ik naar het zuiden reed, was dat altijd in opdracht van (…). Het vervoeren van de verpulverde tabletten was in opdracht van (…) en (…). In principe kreeg ik altijd opdracht van (…). Als (…) mij iets vroeg om te gaan doen, ging ik ervan uit dat (…) daarmee op de hoogte was en dat hij dat in opdracht van (…) aan mij vroeg. Ik nam ook altijd contact op met (…) en heb nooit gemerkt dat (…) niet achter een dergelijke vraag van (…) aan mij stond.

Ik werd voor mijn diensten steeds betaald door (…). Soms betaalde (…) mij ook, zoals bijvoorbeeld op die zondag 8 maart 1998.

Voor het transporteren van speed kreeg ik f 25, = per kilo. Voor het transport van tabletten kreeg ik 2,5 cent per tablet. Ik kreeg dus betaald voor het transport en, als ik bij mij thuis had opgeslagen, kreeg ik op dezelfde voet een vergoeding voor het wegbrengen. Voor mij was het dus van belang te weten hoeveel tabletten of speed ik vervoerde. Ik wist dat ook steeds.

Ik heb nooit te klagen gehad over betalingen door (…).

Ik heb eenmaal geld opgehaald bij (…). Ik heb eenmaal geld van (…) geteld en dat geld vervolgens naar (…) in Tilburg gebracht, maar dat kreeg ik weer mee terug omdat het vals was. Dit waren Engelse ponden die ik samen met (…) had geteld. Ik heb nog een keer f. 80.000, = naar (…) gebracht.

2.2. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-053045 van 29 mei 1998 omstreeks 11.05 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en R. van Weert (V02.8.14, doorge-nummerde pagina’s 932 tot en met 934).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 2 en 7)

Begin april 1998 werd ik opgebeld door de (…). (…) vroeg aan mij of ik (…) kon bereiken, omdat hij hem niet kon bereiken. Ik moest vragen of (…) direct de (…) terug wilde bellen. Vervolgens heb ik (…) gebeld en heb ik hem gevraagd de (…) direct te bellen. (…) zou dit doen.

Na korte tijd belde (…) mij weer op en zei dat ik naar de RAI moest rijden. Ik weet dat hij daar het koffiehuis mee bedoelt. (…) zei dat ik wat moest aanpakken voor dat vrouwtje. Ik zou dan gebeld worden door de (…). Als (…) zegt "dat vrouwtje" dan weet ik dat hij daar (…) uit Westzaan mee bedoelt. Zij woont samen met (…) op een boot.

Naar aanleiding van het telefoongesprek met (…) ben ik naar het koffiehuis bij de RAI gereden. Kort hierop werd ik gebeld door (…) uit Tilburg. (…) zei tegen mij dat zij in het centrum van Amsterdam zaten. Hij vroeg of ik daar naartoe kwam om aan te pakken. Ik moest de hele stad door rijden.

Ik zag (…). Ik heb toen van (…) XTC-tabletten overhandigd gekregen.

Na ontvangst ben ik naar (…) in Westzaan gereden en heb haar de XTC-tabletten overhandigd. (…) zei tegen mij, dat zij wel met (…) af zou rekenen.

2.3. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-053046 van 29 mei 1998 omstreeks 14.11 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en R. van Weert (V02.8.l5, doorge-nummerde pagina's 935 tot en met 937).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…)

(ad 5)

Op 6 april 1998 ben ik 's morgens in opdracht van (…) naar Tilburg gereden. Ik had in mijn auto vier vaten vloeistof van 25 liter per stuk. Deze vloeistof was een olie-achtige substantie.

In Tilburg trof ik (…). (…) heeft mijn auto met de vaten meegenomen. Toen (…) na anderhalf uur terugkwam met mijn auto, waren de vaten uit de:auto.

Toen ik zat te wachten op (…) heb ik (…) gebeld om hem te herinneren aan een afspraak om 12.00 uur in het confectiecentrum te Amsterdam. De man met wie hij een afspraak had, was de man waar de vaten met vloeistof uit Eindhoven vandaan gekomen zijn. Toen ik de vaten met vloeistof kwam afhalen in Eindhoven, zei de man die ik daar sprak, dat zijn baas op 6 april 1998 te 12.00 uur een afspraak had met (…) in het confectiecentrum te Amsterdam. Deze afspraak ging over de betaling van de vaten vloeistof.

2.4. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-053042 van 21 mei 1998 omstreeks 16.32 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en R. van Weert (V02.8.8, doorge-nummerde pagina's 916 tot en met 918).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 1 en 7)

Nadat (…) en ik vanuit Tilburg in Haarlem waren aangekomen (het hof begrijpt: op 9 april 1998), hebben wij de twee dozen in de box onder mijn flat gezet. Wij waren nog maar net thuis en toen kwam (…) bij mij aan de woning. Wij vertelden aan (…) dat wij de dozen in de box hadden gezet. Het was mij bekend dat er speed zat in de twee dozen, verpakt in plastic. Elk pakket speed weegt ongeveer een (1) kilo.

Toen ik de volgende morgen bij de box kwam, zag ik dat de toegangsdeur was opengebroken en dat de twee dozen verdwenen waren. Ik ben direct naar mijn woning gegaan en heb (…) gebeld en hem gezegd dat er was ingebroken in de box. Dat was voor (…) voldoende om te komen kijken.

2.5. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-118861 van 17 augustus 1998 omstreeks 10.37 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en R. van Weert (V02.8.27, doorgenummerde pagina's 973 en 974).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 7)

Op 15 april 1998 in de namiddag ben ik op het schoonmaakbedrijf geweest van (…) (het hof begrijpt: (…)) in Nieuw-Vennep. Ik heb daar een partij van 25.000 XTC-tabletten opgehaald, die bestemd waren voor (…), wonende op een woonboot in de (…) (het hof begrijpt: (…)). Op het kantoor van het bedrijf van (…) ontving ik uit de handen van (…) zelf een plastic tas. Daarin zaten de XTC-tabletten verpakt. Deze XTC-tabletten waren op zich weer verpakt in plastic zakjes per 1000 stuks. Dezelfde dag nog heb ik deze partij tabletten doorgebracht naar (…). Ik heb van (…) een enveloppe met geld ontvangen. Dit heb ik aan (…) afgegeven.

2.6. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-118861 van 17 augustus 1998 omstreeks 11.38 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en R. van Weert (V02.8.28, doorgenummerde:pagina's 975 en 976).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 7)

Ik weet mij de levering van XTC-tabletten op 18 april 1998 door (…) de zoon van (…) nog goed te herinneren. Ik had een afspraak gemaakt met (…) van het schoonmaakbedrijf in Nieuw-Vennep. Hij had voor mij geregeld dat zijn zoon de partij XTC-tabletten zou leveren, omdat (…) zelf op vakantie zou gaan. Op de bewuste dag, zaterdag 18 april 1998, in Nieuw-Vennep gekomen ontving ik uit handen van (…) een partij van 21.000 XTC-tabletten. Deze waren bestemd voor (…) wonende op een woonboot in de (…).

2.7. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-053042 van 2 juni 1998 omstreeks 13.00 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en R. van Weert (V02.8.16, doorgenummerde pagina's 938 tot en met 940).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 7)

Ik verklaar nader over het ophalen van XTC-tabletten in Nieuw-Vennep bij (…) en diens zoon (…).

U confronteert mij met een telefoongesprek van 21 april 1998 te 11.54 uur, waarin ik gezegd zou hebben: "Als er wat klaar is, bel me even". Ik kan mij dat gesprek nog wel herinneren. (…) was zelf niet aanwezig in Nieuw-Vennep, omdat hij met vakantie was naar Spanje. Op die datum heb ik inderdaad een hoeveelheid XTC-tabletten opgehaald bij (…) in Nieuw-Vennep.

2.8. Een proces-verbaal ter terechtzitting van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 18 januari 1999 in de zaak tegen (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van (…).

(ad 5 en 7)

Ik wist dat de olie uit Eindhoven werd gebruikt voor het maken van tabletten. Ik begreep dat de olie die aan (…) was geleverd, ook voor tabletten was. Ik wist dat omdat er op de markt steeds geen tabletten waren. Na die olielevering kwamen er weer tabletten. Daarom moest (…) die olie testen.

3.1. Een proces-verbaal met nummer PL1601/98-006019 van 19 mei 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren A.J.F. van der Linden en R. Bakker (doorgenummerde pagina's 1837 tot en met 1840).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 7)

Ik heb (…) in de maand november 1997 leren kennen.

3.2. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/98-023450 van 21 mei 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren R. Bakker en A.J.F. van der Linden (doorgenummerde pagina's 1833 tot en met 1835).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

(ad 7)

(…) gaf aan alles te weten. Zij vertelde dat zij dat wist van (…). Zij vertelde dat dit begon toen (…) haar een keer op kwam halen met een auto volgeladen met pillen. Zij deelde mede dat zij in het begin wel een aantal vragen had gesteld. Zij zei woordelijk: Ik hoefde niets meer te vragen. Ook later, toen ik het eigenlijk niet eens meer wilde weten, werd mij door (…) alles verteld. Hij kon toch zijn mond niet houden. Ik ben veel mee geweest, wat er dan besproken werd, ging wel over dat soort zaken. Geld, zat geld. Ik heb wel eens 400.000 dollar geteld: Op een keer kwam (…) met een grote zak met geld en vroeg aan mij of ik dat wilde tellen. Ik heb dergelijke hoeveelheden geld een keer of vijf zes bij hem gezien. Dat varieerde van een ton Nederlands geld tot die 400.000 dollar.

Ik heb alle (het hof begrijpt: soorten) pillen gezien, onder andere hamers, kroontjes, RN en molens.

De grondstoffen waren voor (…) geen probleem. (…) zei dat de handel in grondstoffen voor hem de voorkeur had, want dat was gemakkelijker.

3.3. Een proces-verbaal met nummer PL1601/98-006019 van 23 mei 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren A.J.F. van der Linden en R. Bakker (doorgenummerde pagina's 1857 tot en met 1863).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 7)

(…) (het hof begrijpt: (…)) en (…) (het hof begrijpt: (…)) kregen constant opdrachten van (…). De opdrachten, die (…) en (…) kregen, hielden in dat zij geld moesten ophalen. Van (…) heb ik gehoord dat (…) en (…) het geld afgaven aan (…) nadat ze het geteld hadden. De buurvrouw (…) telde ook geld en nam het in bewaring.

Ik heb driemaal geteld voor (…). De eerste keer dat ik geld geteld heb, was in november 1997. Dat was in de auto van (…). Ik zat voor in de auto.

Ik pakte het zakje en zag dat er een hoop geld in zat. Vervolgens heb ik het geld geteld in de auto. Volgens mij kwam ik uit op een bedrag tussen de f. 165.000,- en f. 175.000,-. Het bestond uit bankbiljetten van f. 100,- en f. 1000,-. Ik heb de tweede keer geld geteld, toen (…) bij (…) thuis kwam. (…) zei dat hij wel wat voor ons te doen had. Vervolgens haalde hij overal geld vandaan en legde dit op tafel. Hij vroeg of wij het geld voor hem wilden tellen. Wij telden een bedrag van ongeveer f. 220.000,-. Dit bedrag bestond voornamelijk uit bankbiljetten van f. 1000,- en enkele van f. 100,-. (…) deed al het geld weer in zijn zakken. De derde keer geld tellen was bij (…) thuis. Het waren alleen maar dollars. Ik was alleen bij (…). (…) zou mij daar ophalen. Op een gegeven moment kwam (…) met een grote tas vol dollars aanzetten. (…) zei dat er 400.000 dollars inzaten. (…) vroeg of ik het na wilde tellen.

(…) had vaak gesprekken met een man die (…) werd genoemd. (…) noemde de man zijn compagnon.

In april 1998 zei (…) tegen mij dat de handel in olie makkelijk was omdat iedereen olie nodig heeft om pillen te maken. (…) kon makkelijker aan olie komen dan aan pillen. Ik had van (…) gehoord dat van de grondstoffen pillen werden gemaakt.

4.1. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-059704 van 20 mei 1998 te 11.50 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren F.J. Waterreus en A. de Vries (doorgenummerde pagina's 1116 tot en met 1118).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 4 en 7)

Ik ken een man die(…) heet. Ik ken hem als chauffeur van de (…). Deze (…) heeft regelmatig contact

met mijn vriend (…). (…) is de vriend van mijn zus (…). Het is mij bekend dat (…) (het hof begrijpt:

op 27 april 1998) door de politie is aangehouden. (…) kwam die dag naar onze caravan en vertelde (…)

en mij dat (…) door de politie was aangehouden. (…) zei dat (…) met (…) een afspraak had op die

maandag in Amstelveen.

Het gebeurde regelmatig dat (…) voor (…) klusjes deed. (…) moest dan in opdracht van (…) spullen wegbrengen of ophalen. Ik heb van (…) gehoord dat op de maandag van de aanhouding (het hof begrijpt: 27 april 1998) van (…) en (…) (…) pillen moest ophalen.

4.2. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-053040 van 23 mei 1998 te 8.35 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren F.J. Waterreus en A. de Vries (doorgenummerde pagina's 1134 tot en met 1138).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 7)

(…) is sinds begin 1997 in het groot bezig met de handel in verdovende middelen. In de periode februari 1997 en later werd er bij ons geld geteld.

4.3. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-059704 van 25 mei 1998 te 15.40 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren F.J. Waterreus en A. de Vries (doorgenummerde pagina's 1160 tot en met 1163).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 4 en 7)

Op 30 april 1998 's avonds moest ik van (…) naar (…) gaan om zijn telefoon af te pakken. (…) gaf mij zijn telefoon. Ik reed vervolgens naar (…) en gaf hem genoemde telefoon, een GSM-telefoon.

U vraagt mij waarom ik mij heb laten sturen door (…) om die telefoon op te halen. Die dag, 30 april 1998, tijdens de ontmoeting tussen (…), die (…) en mij bij het pannenkoekenhuisje aan de (…) had die (…) tegen (…) gezegd, dat het mogelijk was om 100 telefoonnummers terug te kijken op een GSM. Hierdoor was (…) gewaarschuwd door die (…) om de telefoon die in het bezit was van (…) zo snel mogelijk uit de roulatie te halen.

5.1. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-053040 van 20 mei 1998 te 13.06 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren K.H. van den Bosch en S.A.G. de Ruyter (doorgenum-merde pagina's 1224 tot en met 1226).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 7)

(…) sprak wel eens haar ongenoegen uit over de manier waarop (…) zijn geld verdiende. Zij sprak altijd over “die troep”.

5.2. Een proces-verbaal van getuigenverhoor met RC-nummer 97/1596 van 23 november 1998, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Haarlem.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van (…).

(ad 7)

Ik heb twee keer geld geteld bij buurman (…) thuis en twee keer bij mij. Dat zal rond december 1997

zijn geweest.

Bij hem thuis heb ik Nederlands geld geteld. Het waren meest briefjes van duizend maar er zaten ook

andere bij. Ik heb ongeveer acht stapeltjes van f. 100.000,- gemaakt. De avond, dat ik dat gedaan heb,

heb ik opnieuw geld geteld. Toen was het ongeveer f. 300.000,-.

Bij mij thuis heb ik twee keer buitenlands geld geteld met (…). Ik heb steeds stapeltjes van 100 briefjes

gemaakt. Dat waren Engelse ponden, marken en nog wat.

Ik heb ook geld voor (…) bij mij thuis bewaard.

Een keer zaten (…) en ik naar de televisie te kijken naar een programma over XTC-pillen. (…) zei toen: “Dat

is ook handel”.

(…) heeft wel eens geld bij mij gebracht in een plastic tas. Hij zei dat hij het bij mij bracht vanwege (…) die

niet werd vertrouwd.

6.1. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-053046 van 24 juni 1998 omstreeks 12.11 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en R. van Weert (doorgenummerde pagina's 3970 tot en met 3972).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…)

(ad 7)

Rond december 1997 is (…) (het hof begrijpt: (…) de eerste keer bij mij geweest. Hij vroeg mij toen of ik aan bepaalde producten kon komen. Ik begreep dat (…) en (…) kennissen zijn van (…).

Begin april 1998 kwam (…) bij mij op het kantoor te Nieuw-Vennep en wilde mij spreken. (…) en ik hebben gesproken over het wel of niet kunnen leveren van producten.

(…) heeft tegen mij gezegd dat hij wat olie zou verzorgen en dat ik moest kijken wat ik er van kon maken. Daarna kwam (…) (het hof begrijpt: (…)) bij mij op de zaak. Ik heb van (…) twee jerrycans à 5 liter met olie in ontvangst genomen. Vervolgens heb ik de olie weggebracht om er een eindprodukt van te maken.

(…) is op 17 april (het hof begrijpt: 1998) bij mij geweest. Dit was de dag voor mijn vakantie. Ik had toen niets voor hem. Omdat ik de volgende dag op vakantie zou gaan, heb ik mijn zoon (…) gevraagd of hij het pakketje wilde ophalen en aan (…) geven. Na mijn vakantie heb ik van (…) gehoord dat hij het pakketje aan (…) had afgeleverd.

6.2. Een proces-verbaal ter terechtzitting van 18 januari 1999 van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem in de zaak tegen (…).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van (…).

(ad 7)

(…) kwam bij mij met die olie. Ik heb de olie laten testen op het percentage van de olie. Het bleek PMK te zijn.

Als het percentage hoog is, wordt de olie gebruikt voor XTC.

7.1. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/97-023450 van 25 augustus 1998 te 8.45 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en F.J. Waterreus (doorgenummerde pagina's 1665 tot en met 1667).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…)

(ad 7)

Via (…) ben ik ongeveer twee jaar geleden in contact gekomen met (…) Ik kocht via (…) pilletjes. (…) noemde deze pillen wel "MDMA-tjes".

7.2. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-053045 van 25 augustus 1998 te 11.20 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en F.J. Waterreus (doorgenummerde pagina's 1668 en 1669).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…)

(ad 2 en 7)

(…) is op 2 april 1998 's ochtends bij mij op de boot geweest.

7.3. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-118861 van 25 augustus 1998 te 15.50 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en F.J. Waterreus (doorgenummerde pagina's 1679 tot en met 1681).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 2 en 7)

Ik heb wel pilletjes gekocht van (…). Ik heb wel pillen geleverd gekregen van (…) en (…). Ik moest daarvoor f. 3,50 per stuk betalen.

7.4. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/97-023450 van 27 augustus 1998 te 9.56 uur, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.W. de Ruiter en F.J. Waterreus (doorgenummerde pagina's 1698 tot en met 1702).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op bovengenoemde datum tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…)

(ad 2 en 7)

U toont mij inbeslaggenomen voorwerpen die tijdens de huiszoeking (het hof begrijpt: in mijn woning aan de (…) te Westzaan) zijn aangetroffen.

Beslagnummer XXIV-B-2-3.

2 Zakjes met pillen stempel o.a. R/N, molentjes, kroontjes en roze pillen zonder stempel.

U zegt dat er in deze pillen MDMA zit. Dat kan kloppen, dat heeft (…) ook altijd gezegd. Deze pillen zijn door mij afgenomen van (…) of (…).

8. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met parketnummer 15/030-981-98 van 24 november 1998, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissements-rechtbank te Haarlem mr. C.M.P. Flint-van Noort.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van (…).

(ad 1 en 2)

Er zijn 48 pillen gevonden bij de zoeking (het hof begrijpt: de huiszoeking van 25 augustus 1998 op de woonboot aan de (…) te Westzaan). Die pillen waren van ons (het hof begrijpt, gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen: van mij en (…). Ik heb die pillen van (…) of (…).

9. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-059704 van 28 april 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren R. van weert en A.J.F. van der Linden (doorgenummerde pagina's 2735 en 2736).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van (…).

(ad 4 en 7)

Op 27 april 1998 ben ik vertrokken met een plastic bak met drugs achter in mijn auto. Ik ben richting Amstelveen gereden. Ik heb de afslag Amstelveen genomen en ben gestopt bij de Saab-garage. Ik zag een blauwe Renault aankomen. Ik zag dat deze Renault werd bestuurd door een man, die ik ken onder de voornaam (…). Ik sprak met (…). Daarna ben ik achter (…) aangereden. Op een gegeven moment stapte (…) uit zijn auto en liep op mij af. Toen ben ik aangehouden.

10.1. Het navolgende geschrift, zijnde een zogenaamd journaal van een opgenomen en afgeluisterd telefoongesprek, behorende bij proces-verbaal nummer C03/98/01, respectievelijk C01/98/07, inhoudende voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 7)

- d.d. dinsdag 24 februari 1998 te 18.34 uur (volgnummer 8/dossierpagina 2447).

(…) belt met NN-man.

Voordat de opnemer opneemt zegt (…): Ik ben financieel ondersteunend bezig en distributie.

d.d. woensdag 25 februari 1998 te 03.23 uur (volgnummer 22/dossierpagina 4128).

(…) belt met (…).

(…) zegt dat (…) die bij hem is. (…) zegt dat zij deze niet kent. (…) zegt dat (…) degene is die altijd met (…) meekomt.

te 23.31 uur (volgnummer 295/dossierpagina 3455).

(…) spreekt met (…) en (…)

(…) vraagt of ze bijna klaar zijn. (…) zegt dat hij 101 keer moet tellen, maar dat hij nu met het laatste stapeltje bezig is. Ze zal hem even geven. Op de achtergrond zegt (…): Ik moet weten hoeveel het bij elkaar is. Vervolgens komt (...) aan de lijn. (…) zegt er aan te komen.

10.2. De navolgende geschriften, zijnde zogenaamde journaals van opgenomen en afgeluisterde telefoon-gesprekken, behorende bij proces-verbaal nummer C03/98/06, respectievelijk C03/98/07, inhoudende voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 6 en 7)

d.d. vrijdag 6 maart 1998 te 19. 11 uur (volgnummer 534/dossierpagina 355l).

(…) belt in met (…)

(…) Waar ik het over had, weet je wel, die uhh, die uhh cognac.

(…) Ja

(…) Maandagochtend moet ik er 100 hebben, dat is honderd procent. Dus dan zou hij jou bellen of ie ze morgenochtend op kan halen dan.

(…) Nee, ze leggen nog helemaal onkompleet, weet je wel.

Moet ie ..die uhh string (fon) moet er nog effe in.

(…) als ze dat maar niet te veel doen dan.

(…) Nee, gewoon hetzelfde.

(…) Ja, dan moet wel uhh want ik ik moet ze echt maandagochtend worden ze opgehaald.

(…) Ik regel ut.

(…) Dan moet je kijken of ie ze morgenochtend ken halen.

(…) Nee, maandag.

(…) Maar ik moet 't wel effe, uhhh, ik moet het zeker weten nou natuurlijk. Ik heb nou al ja, ik heb nou al ja gezegd.

(…) Nou ja, ik zal wel effe bellen zo.

te 19.20 uur (volgnr.538/dossierpagina 3553).

(…) belt naar (…)

(…) Waar we het steeds over hebben, wat je nog voor mij had legge he.

(…) Waar nog wat uhh, eigenlijk nog wat mee gedaan moest worden.

(…) Ja

(…) Maar dat moet nie, dat moet ik maandagmiddag hebben.

(…) Dat is goed.

(…) Ik heb daar een klant voor.

(…) Is goed jongen.

(…) Ja, maar omdat ie ouwe morgen komt, dat red je niet, dus laat ik hem maandagochtend wel komme.

(…) Ohh. Hij komt morgen dus niet?

(…) Ja, morgenochtend komt ie toch ook?

(…) Oh. Dat is perfect.

(…) Ja?

(…) Is goed. OK.

te 19.25 uur (volgnummer 539/dossierpagina 3555).

(…) belt naar (…)

(…) Hallo (…) met (…)

(…) Ik heb het al doorgesproken.

(…) Mette mette (…) (het hof leest: (…) ?

(…) Ja.

(…) Ja, maar dan kan ik het morgenochtend toch gelijk meenemen?

(…) Nee, dat kan niet, want het is nog niet helemaal klaar.

(…) Ja nou, dan ga ik het maandagmorgen halen. En ik breng morgen dat andere weg.

(…) Ja, want ik denk dat ze dat ervoor nodig hebben.

d.d. zondag 8 maart 1998

te 10.48 uur (volgnummer 596/dossierpagina 3557).

(…) belt in met (…)

(…) Mag die ouwe nou niet pleiten vandaag?

(…) Nee. Het is zondag (…) Die jongens zijn er ook niet. Nou moet ie dan vandaag weer en morgenochtend weer.

(…) Nee, helemaal niet, want morgen, morgen om negen uur moeten hun weg, anders gaat het gewoon niet door, klaar. Ik heb gisteren een belletje gekregen, ze gaan morgenochtend om negen uur al weg. Het kan alleen nog vandaag en anders heb ik gewoon pech gehad, dan is het over.

(…) Gisteravond nog. Ik bel die ouwe op en die zegt tegen mij:”(…) morgenmiddag om vijf uur ga ik rijden voor jou”. Hij belt me vanochtend en zegt: “Het mag niet van (…)”.

(…) Nee. Ik zeg het hoeft niet.

(…) Hij (het hof begrijpt: die ouwe) zegt, dan moet (…) bellen naar die (…).

(…) Nou, ik kan wel kijken, maar dan heeft ie nog maar de helft.

(…) Dat is niet erg. Dan heb ik toch wat. Nou heb ik niks. Snap je wat ik,bedoel.

(…) Ja, okee.

(…) Als ik de helft heb, is het goed.

(ad 7)

d.d. maandag 9 maart 1998

te 12.25 uur (volgnummer 705/dossierpagina 3561).

(…) belt met (…)

(…) deelt mede dat hij het naar huis toebrengt en dat hij nog papieren heeft voor (…). De papieren zijn afkomstig van (…)

10.3. Het navolgende geschrift, zijnde een zogenaamd journaal van een opgenomen en afgeluisterd telefoon-gesprek, behorende bij proces-verbaal nummer C01/98/15, inhoudende voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 7)

d.d. vrijdag 13 maart 1998 te 07.27 uur (volgnummer 802/dossierpagina 2466 e.v.).

Gesprek van (…)

(…): (…)

(…) Ik ben het met je eens. Het is moeilijk!

(…) Het is helemaal niet moeilijk. Maar het is heel simpel. Als je nou verhaal hebt en je ken iedereen. Ik weet precies welke de goeien en de slechten zijn. ()

Er gebeurt me niks, want er kan me niks gebeuren. Geloof me nou. Ik ben niet achterlijk. Ik loop nou toch ook tien jaar mee.

(…) Ja, dat weet ik wel, (…) Ja? Oke. Het voordeel is: je bent een van de grote jongens. De kleinere worden opgeruimd. Nou?

(…) Ik ben één van de slimme jongens, nog. ()

En het is ook zo, als ik hiermee klaar ben. Nou nog een sessietje. Hoop ik. Krijg daa'lijk een heleboel olie.()

Dan gooi ik gewoon, dan pak ik een miljoen of 5, 6, 7, 10. Nou. Dan geef ik jullie, alle familieleden geld, dan kunnen ze wat beginnen. En dan ben ik er klaar mee.

(…) Luister (…) (…) luister. (…) Als dat je lukt en je moet je dan terugtrekken en er zijn een paar lastige klanten, die het niet pikken, dat je je terug trekt, dan ben je kapot.

(…) Natuurlijk niet. Want ik ben de baas!

(…) Ja, dat weet ik.

(…) Ik ben toch.

(…) Ja, dat weet ik, maar als jij je terugtrekt, moeten hun verder.

(…) Ik ben toch de baas of niet? Of ik ben de baas over mezelf, want ik opereer voor mezelf. (…) werkt voor me. (…) werkt voor me. En als ik zeg: "Nou jongens, ik neem niks meer af of ik heb geen zin meer."

(…) Ik heb een heleboel waardering voor je.

(…) Zoek het maar uit. Is het zover.

10.4. Het navolgende geschrift, zijnde een zogenaamd journaal van een opgenomen en afgeluisterd telefoon-gesprek, behorende bij proces-verbaal nummer C03/98/19, respectievelijk C01/98/25, inhoudende voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 2 en 7)

d.d. woensdag 1 april 1998 te 19.14 uur (volgnummer 1952/dossierpagina 2659).

(…) belt naar (…)

(…) Hallo (…) met (…) (). Is (…), is (…) nog bij jou geweest?

(…) Nee, die komt nog.

(…) Ja, omdat (…) belt, weet je wel, zodoende.

(…) Ja, nou ja, dan moet ie, ze moet toch eventjes wachten.

(…) Ja, maar bel jij me dan als die (…) dan geweest is?

(…) Ja, ik bel je op jongen.

d.d. donderdag 2 april 1998 te 16.24 uur (volgnummer 1975/dossierpagina 2660).

(…) belt (…)

(…) zegt, dat, hij ze zo ziet, dat hij gaat afspreken en dan belt hij zo terug naar (…)

te 17.36 uur (volgnummer 1268/dossierpagina 2662).

Gesprek tussen (…) en (…)

(…) Ja, met mij. Weet je enig idee hoe lang nog?

(…) Nou hij uh. Ik heb hem gebeld een uurtje geleden. (). Hij moest het effe ophalen. (). Maar dat ligt niet in de buurt. Tenminste niet voor hem. En hij zou mij een belletje geven als hij daarvan terug was.

(…) Oh. Ja, dat weet je dus niet?

(…) Nee.

(…) Hoe laat? Want wij staan nog steeds te wachten.

(…) Nou hij zou het vandaag doen, ik heb hem net gebeld. Hij zei wel namiddag. Ik kan ieder moment een belletje krijgen.

(…) Okee, dan wacht ik maar effe. Dan hoor ik wel.

(…) Okee

(…) Moet je horen, als het acht uur is, moet je maar effe bellen, want ik weet niet of ze dan al uh vertrekken.

Daar zit ik mee. Ja?

(…) Prima.

te 18.15 uur (volgnummer 1270/dossierpagina 2663).

Gesprek tussen (…) en (…)

(…) vraagt aan (…) of hij direct die (…) wil bellen, want hij kan (…) niet bereiken. (…) zegt dat hij zijn telefoon op tafel heeft liggen. (…) zegt dat de telefoon het niet doet. (…) heeft het ook op zijn GSM geprobeerd. Daarom belt (…) nu over de huislijn.

te 18.18 uur (volgnummer 1980/dossierpagina 2665).

(…) belt (…)

(…) Hallo

(…) Je telefoon staat af. Zie ik je.

(…) Uh, moet ik die Ouwe ze effe op laten pakken.

(…) Ja, dat is ook goed.

(…) Ik laat nou die Ouwe effe contact met je opnemen. (). Ik stuur die Ouwe wel naar je toe.

(…) Ja, dat is goed. Dat is goed.

(…) Waar moet ie heen.

(…) Uh, laat ‘m maar bellen, laat ‘m maar richting Rai rijden en mij effe bellen.

(…) Ja, maar hij heeft je nummer niet he? (). Nou ik bel hem over uh.

te 18.22 uur (volgnummer 1981/dossierpagina 2667).

Gesprek tussen (…) en (…)

(…) Met mij.

(…) Ja

(…) Of je naar de Rai wil rijden.

(…) Ja

(…) En dan belt die (…) met een kwartiertje belt ie je op.

(…) Ja.

(…) Voor die dingen voor die vrouwtje.

(…) Ja, Bij het koffiehuis he bij de Rai?

(…) Ja, ja zoiets.

(…) Ja, is prima. Okee.

te 21.30 uur (volgnummer 1988/dossierpagina 2669).

Gesprek tussen (…) en (…)

(…) Ben je helemaal klaargekomme jonge?

(…) Ja. Ze rekent met jou morgen af.

(…) Is goed jongen.

(…) Ja, maar hij heeft me de hele stad door laten rijden. Dat flikt ie niet meer hoor. En de hele dag laten wachten en twee uur door Amsterdam heen. Nou goed, hoe laat zal ik morgen bij jou wezen?

(…) Ja, jij moet om twaalf uur daar zijn, dus je moet om tien, uur, half elf weg.

10.5. De navolgende geschriften, zijnde zogenaamde journaals van opgenomen en afgeluisterde telefoon-gesprekken, behorende bij proces-verbaal nummer C03/98/20, respectievelijk C03/98/21, inhoudende voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 5 en 7)

d.d. vrijdag 3 april 1998 te 13.23 uur (volgnummer 2008/dossierpagina 3507).

(…) belt met (…)

(…) We zitten de hele tijd op die vent te wachten. Het was allemaal geregeld, maar die kerel komt niet boven water met die papieren. Dus nou heb ik die man opgebeld. Heb jij het telefoonnummer van een van die mensen?

(…) Nee. Moet je horen. Ik zit hier in Eindhoven. Ik heb dat van jou afgegeven en nou krijg ik dat andere mee. En nou moet ik weer terug naar Tilburg. Of niet? (…) belt me net, ik ben met een half uurtje hier.

(…) Nou nee. Die kale krijgt het niet geregeld.

(…) Nou dan zeg ik dat. Hoor 's. Die man die komt maandag naar jou toe.

(…) Dan doe ik maandag de rest met hem regelen. Hij komt het morgen brengen. Okee, jij bent doorgereden, dat is perfect.

(…) Ik rijd nu terug naar Tilburg en dan kom ik naar huis.

(…) Je hoeft niet naar Tilburg toch?

(…) Ja, dat moet ik wel. Ik heb toch mijn auto vol.

(…) Maar dat kan ie toch niet hebben. Dat moest je toch hiermee naartoe nemen.

(…) Nou dan doe ik. Dan kom ik naar huis. Dan zet ik het bij mij neer.

d.d. maandag 6 april 1998 te 10.08 uur (volgnummer 2077/dossierpagina 3511).

(…) belt met (…)

(…) Ik heb al een paar keer gebeld. Ik sta in Tilburg.

(…) heb je ze al gesproken.

(…) Ja, hij komt zo. Voor de rest niks. Jij hebt vanmiddag een afspraak met die man.

10.6. De navolgende geschriften, zijnde zogenaamde journaals van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, behorende bij proces-verbaal nummer C03/98/22, respectievelijk C03/98/23, inhoudende voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 1 en 7)

d.d. woensdag 8 april 1998 te 12.40 uur (volgnummer 2209/dossierpagina 2588).

(…) belt naar (…)

(…) Hallo (…) met (…)

(…) He, onkel (…)

(…) He, moet je horen, ik heb met (…) gesproken, morgenochtend kan ik alles hebben.

(…) Oh ja, dat is goed.

(…) Is dat goed?

(…) Ja.

te 16.24 uur (volgnummer 2234/dossierpagina 2590).

(…) belt uit met (…)

(…) is onderweg naar die (…) . Morgen vroeg moet (…) naar beneden. Als (…) zijn auto moet laten staan, rijdt (…) hem morgen wel naar beneden.

te 20.43 uur (volgnummer 2246/dossierpagina 2594).

Gesprek tussen (…) en (…)

(…) Hee. Ik heb tot vrijdag speling met die dingen, maar ik dacht dat het morgen vrijdag was.

(…) Nee joh. Oh, dat is perfect toch.

(…) Is toch goed?

(…) Super. Dan is er geen vuiltje aan de lucht.

(…) OK.

d.d. donderdag 9 april 1998 te 13.44 uur (volgnummer 2244/dossierpagina 2593).

(…) belt met (…)

(…) stelt zich voor als assistent van (…). (…) vraagt of ze nog onderweg zijn, waarop (…) antwoordt dat ze net thuisgekomen zijn. Aan het eind van het gesprek zegt (…) dat hij wel even langskomt.

d.d. vrijdag 10 april 1998 te 10.04 uur (volgnummer 2289/dossierpagina 2601).

(…) belt naar (…)

(…) Ja (…), je moet meteen komen. Ze hebben het hok opengebroken, de sloten eraf ... alles.

(…) He?

(…) Ze hebben de box opengebroken, de sloten eraf alles

(…) Krijg toch de tering man.

(…) De enigsten die het weten zijn (…) en ik.

(…) Ja.

10.7. De navolgende geschriften, zijnde zogenaamde journaals van opgenomen en afgeluisterde telefoon-gesprekken, behorende bij proces-verbaal nummer CO5/98/06, respectievelijk C03/98/23, alsmede het proces-verbaal ter terechtzitting van dit hof van 1 december 1999, inhoudende in onderling verband en samenhang bezien voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 7)

d.d. woensdag 15 april 1998 te 13.55 uur (volgnummer 63/dossierpagina 3927).

(…) (telnr. …) belt (…)

(…) Hallo

(…) Ja met (…)

(…) He mijn jongen

(…) Dag mijn jongen, waar zit jij?

(…) Ik zit thuus.

(…) Zit je thuus?

(…) Ja, ik ga zo weer, maar ik zit nu nog thuus.

(…) blijf je thuus?

(…) Ja. He ehh, jij moet wat hebben natuurlijk?

(…) Ja dat ehh.

(…) Ja dat heb ik.

(…) Nou dan komen we. Kommen we wel drek even naar je toe of eeh?

(…) Wacht effe, effe (…).

Het hof constateert dat aansluitend op de achtergrond bij (…) een mannenstem is te horen die tegen (…) zegt: .... bellen zo, wacht eerst effe tot ik dan met jou ...

(…) Ja, oke. Ik denk dat ik het aan de eind van de middag heb. Bel me aan het eind van de middag dan maar op.

(…) Eind van de middag.

(…) Ja

(…) Ja, dan moet we effe afspreken waar we je treffen en dan ehh..

(…) Ja, is goed.

(…) Heee.

(…) Ja oke

(…) Doei jongen, doei, doei.

te 15.42 uur (volgnummer 72/dossierpagina 3928).

(…) (telnr. …) belt (…)

(…) Hallo met mij.

(…) Ja met mij. Hoe laat ben jij thuis?

(…) Ik ben niet thuis.

(…) Ben jij thuis?

(…) Nee. Ik heb het wel om vijf uur allemaal geregeld voor jou.

(…) Ja, en ehh... Waar?

(…) Ehh moet je contact opnemen met (…).

(…) Doen ik effies. Oke.

(…) En dan moet je hem maar effe de papieren meegeven, omdat die mensen gelijk..

(…) Ja, is goed,

(…) ..door doen.

(…) Ja, prima, oke. Joei, joei.

te 15.45 uur (volgnummer 78/dossierpagina 3929).

(….) (telnr. …) belt met (…)

(…) Hallo met mij.

(…) Ja nog even wat, had je een speciale prijs? Je zou er nog even over denken.

(…) Nee, dit blijft nog even oud.

(…) Oh

(…) Want het is ehh, misschien als je met die andere verder gaat dat ik ehh

(…) Ja

(…) Want dit moet ik regelen apart, en met die andere ken ik misschien wat doen inderdaad.

(…) Okee, dan hoor ik het wel.

(…) Ja.

(…) joe, joe, doei, doei.

te 17.16 uur (volgnummer 2560/dossierpagina 3932).

(…) belt naar (…)

(…) Ja hallo.

(…) hallo met mij

(…) Ja

(…) He jongen.

(…) Ik ben naar eh eh Nieuw-Vennep.

(…) Oke prima jongen.

(…) Die (…) had mij gebeld, maar die kon jou niet te pakken krijgen.

(…) dan ga ik die effe bellen nou.

(…) Goed.

te 18.14 uur (volgnummer 2560/dossierpagina 3932).

(…) belt naar (…)

(…) Hallo.

(…) Ja (…) met (…)

(…) Hai met mij.

(…) Moet je horen ik heb je net ook al gebeld op die andere telefoon, maar dan hoor ik jou praten en jij hoort mij niet.

(…) Nee, dat klopt.

(…) Oh nou dan. Hoor maar, ik heb 25. Maar wat moet ik doen. (…) heb gebeld, wat moet ik doen?

(…) (…) kan ze ophalen bij jou of zo of jij brengt ze daar heen.

(…) Ja, maar moet ik papieren vangen?

(…) Ja, heb ik gezegd dat ze die aan jou meegeeft.

(…) Ja en wat moet ik vangen? Hoeveel?

(…) Uhh.. maal drie en een half.

(…) Goed prima, dan weet ik dat.

(…) Oke, doei.

(…) Oke, doei.

te 22.50 uur volgnummer 2576/dossierpagina 3934).

(…) belt naar (…)

(…) Hallo, (…)

(…) Zeg, ik heb die papieren naar (…) gebracht he.

(…) Heb ik gehoord. Ja, (…) is bij me geweest.

10.8. De navolgende geschriften, zijnde zogenaamde journaals van opgenomen en afgeluisterde telefoon-gesprekken, behorende bij proces-verbaal nummer C03/98/26, respectievelijk C03/98/27, respectievelijk C06/98/01, respectievelijk C06/98/02, alsmede het proces-verbaal ter terechtzitting van dit hof van 1 december 1999, inhoudende in onderling verband en samenhang bezien voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 7)

d.d. donderdag 16 april 1998 te 15.23 uur (volgnummer 2603/dossierpagina 4032 en 4033).

(…) belt met (…).

(…) Jij moet een contact opnemen met (…)

(…) (…) zou contact met mij opnemen zo gauw die klaar was.

(…) Ja, maar hij kan niet klaar zijn, want hetgene wat hij uitbesteed, dat is niet goed. Want het valt in drieën, in drie-en-dertigen. Dus het breek allemaal. Kijk, als 't nou bij mekaar zit en het breekt, het verpulvert, dan heb je d’r weinig aan, natuurlijk. Dus dan moet je ‘m effe vertellen dat ie, dat 't, dat ze 't effe harder bakken.

te 15.54 uur (volgnummer 2605/dossierpagina 4034 en 4035)

wordt door (…) ingebeld met (…)

(…) Nou, hij is nou gelijk, hij zegt, het lijkt me sterk, maar ja, ik zeg, ze zeggen het niet voor niks. Ja toch?

(…) Nee, hij laat het zo zien, tussen z'n vingers. Ik heb 't geconstateerd.

(…) Nou dat is toch goed dan. Hij is er nou gelijk naar toe, maar dan moet het zo snel mogelijk geregeld worden. Dat er effe omgeswitched kan worden.

(…) Maakt me niet zoveel uit, als het maar goed gebeurt. Het hoeft niet snel. Zit die man niet op te stoken, want die man doet z'n best zat. Je moet die mensen niet nerveus maken.

(…) Ik weet niet of jij haast heb natuurlijk.

(…) Nee, hun hebben het uit hun eigen zak, ik zeg, ik ruil het wel om, ik zorg wel dat het goed komt.

(…) O, op die manier.

(…) En dat moet ie dat andere weer terug en weer opnieuw doen.

(…) Ik zal zorgen dat het allemaal in orde komt.

d.d. vrijdag 17 april 1998 te 13.10 uur (volgnummer 2639/dossierpagina 4036 en 4037).

(…) belt met (…).

(…) Hallo (…) met (…)

(…) Hoi met mij.

(…) Ja ik was bij (…). Maar ik moet vanavond om half vijf moet ik er zijn, dan is alles daar.

(…) Ja, nou je moet... eh, eh, dan moet je het andere mee terugnemen en het andere.. maar ik weet niet hoeveel je ermee terug, dus je moet net zoveel afgeven als dat je ermee terugneemt. En ik dacht dat het 21 was.

(…) Prima, ik heb al gebeld, ik weet dat, alles was klaar.

(…) Oke prima.

(…) Nou dan weet je dat.

te 16.48 uur (volgnummer 2677/dossierpagina 4038 en 4039).

(…) belt met (…)

(…) Ja hallo.

(…) Met mij.

(…) (…) moet je horen. Ik ben net bij (…) geweest he. Maar niet eerder als morgenmiddag dan zijn ze er.

(…) Dat is goed.

(…) He. Bel jij dan (…) effe.

(…) Bel jij maar.

(…) Ja, dan zeg ik dat. Ik kan er ook niets aan doen. Ik ben al twee keer geweest.

(…) Ja, je hebt je best gedaan, het maakt mij ook niet uit hoor. Het wordt in ieder geval geregeld.

(…) Ja, maar morgen dan belt ie me en dan kan ik halen.

(…) Ja dat is goed.

(…) Dan breng ik ze morg..

d.d. 18 april 1998 te 11.07 uur (volgnummer 064/dossierpagina 4042).

(…) belt met nummer (…).

(…) Weet je wat het nou was, dat ik bij (…) moest komen. Wat (…) maakt, weet je. Dat is voor, dat heb (…) gegeven, dat is voor (…), voor (…) en voor (…).

(…) Ja.

(…) Maar nee hoor maar, (…) heb, (…) die heb, (…) moet, met die woorden, (…) moet alles verkopen dat (…) daar niks mee te doen heb. Dat hij dan gewoon moet betalen aan (…) zegt dat ome (…) dat doen we met die dinge, mijn klanten, onze klanten niet, want dan moet ik met drieën delen. Vanmiddag bijvoorbeeld krijgen wij van ons eigen, weet je wel, vanuit Tilburg. Daar geef ik hem gelijk in.

(…) Ja natuurlijk, anders kost het hem alleen maar geld.

(…) Ja, want als jij er anders 10 verkoopt (…) dan moet ik met (…) delen en met (…) delen. Dat ik dat spul geleverd heb en dat hij dat moet verkopen aan zijn klanten en niet aan mijn klanten, want voor mijn klanten heb ik genoeg.

(…) Ja zo moet ieder zijn eigen klanten houden.

te 11.20 uur (volgnummer 066/dossierpagina 4043).

(…) (…) (prepaid) belt met (…)

(…) Ja hallo.

(…) Ja met mij.

(…) Ha (…)

(…) Hoe laat kom jij.

(…) Ik sta nog steeds te wachten op die dingen. Ik ben gisteren er twee keer heengereden, eerst om 10 uur, toen zouden ze klaar wezen en toen was ik gisteren om 4 uur en toen waren ze nog niet klaar. En nou zou hij me bellen wanneer ze klaar zijn. Ik ben gisteren nog naar (…) gegaan. Ik zei (…). Bel jij (…) effe op.

(…) zei tegen mij: Ja (…) jij kan er ook niets aan doen. Ik zei: maar ik rij de hele….. Ik heb gisterenavond tot 7 uur toch voor niks gereden.

(…) Ja. Nou dan wacht ik wel af.

Het hof constateert dat een mannenstem op de achtergrond praat. Deze zegt: Ja maar we zullen ze halen, want we moeten ze voor 12 hebben.

(…) Nee, want hij heb ze niet.

(…) Nee, ander, dat weet je ook, dan kom ik ze meteen brengen. Ik sta daar drie uur te wachten, gisterenmorgen en gisterenmiddag. (…) die krijgt, (…) die zou vanmiddag om twee uur krijgen .. dinges komen .... die heb ze ook klaar, maar daar wacht ik ook op op bericht.

(…) Bel effe zo gauw mogelijk als je het weet want ik krijg (onverstaanbaar)

(…) als ik ze heb dan breng ik ze meteen dat weet je van mij.

(…) Oke.

(…) Moet je horen ik heb zelf acht dozen wijn in de auto voor je staan. Al de hele dag

(…) Ja, is goed. Ik hoor het wel.

te 16.27 uur (volgnummer 081/dossierpagina 4045).

(…) belt met (…).

(…) was gebeld door de zoon van (…)

(…) (…) hier is de zoon van (…). Kunt u om 4 uur bij Hoofddorp wezen bij het huis. Ik wacht maar effe, misschien is er wat tussen gekomen bij die jongen. En dan rijd ik door naar (…) die heb ook een paar keer gebeld. En dan rij ik door en wat ik gemaakt dat geef dat... en dat andere terug.

(…) Je had eerst bij (…) op kunnen halen. Nu moet je twee keer heen en weer.

te 17.52 uur (volgnummer 083/dossierpagina 4048 en 4049).

(…) belt (…) ((…)/prepaid).

(…) Met (…)

(…) Ja (…) met (…). Moet je horen, ik heb ze nou pas gehad.

Ik ben nou in Hoofddorp, ik rij in Hoofd….. Ken jij effe naar mijn huis komen om te halen. Weet je hoe dat komt. Ik heb mijn dochter met die vijf meisjes van gisteren al af. Zeven uur zal ik eten bij Van der Valk. Ik heb de hele middag daar zitten wachten. Is toch lekker he. Maar ik heb ze voor je.

(…) Ja, maar ja, (…) is niet thuis dus ik weet ook niet hoe laat die komt.

(…) Anders morgen.

(…) Ja doet morgen dan maar, want ik red het nou toch niet, want ik weet niet hoe laat ie komt.

(…) (…) moet je horen, als ik nou morgen effe om 10/11 uur effe breng.

(…) Ja prima.

(…) Ik heb ze in ieder geval, ik heb ze nou voor je. Moet je horen in (…)?

(…) Ja is goed.

(…) In (…)

(…) Ja, ja, prima.

d.d. zondag 19 april 1998 te 10.10 uur (volgnummer 085/dossierpagina 4050).

(…) (…) belt met (…)

(…) Ja hallo

(…) Ja (…) met (…)

(…) Ja (…) ik rij, met een kwartier rij ik af.

(…) Moet je horen, kom maar gewoon naar de huisboot.

(…) Goedzo, doe ik. Doei.

(…) Doei, doei.

te 11.04 uur (volgnummer 087/dossierpagina 4051).

NN-vrouw belt met (…)

(…) zit in Zaandam.

d.d. maandag 20 april 1998 te 12.31 uur (volgnummer 103/dossierpagina 2493).

(…) belt met (…)

(…) Ja hallo

(…) Ja (…) met (…). Ik kom bij je. (…) die komt wat monster halen bij mij, maar dan moet jij effe een zakkie met.. waar molentjes op staan. Sta jij dan beneden bij mij box. Want dan komt hij.

(…) Ik kom er gelijk aan.

10.9. De navolgende geschriften, zijnde zogenaamde journaals van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, behorende bij proces-verbaal nummer C06/98/03, inhoudende voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 7)

d.d. dinsdag 21 april 1998 te 11.54 uur (volgnummer 135/dossierpag 3660).

(…) spreekt voice-mail (…) in:

(…), (…). Als er wat klaar is, bel me even.

te 13.12 uur (volgnummer 138/dossierpagina 3661).

(…) belt met (…) (…).

(…) vraagt of (…) hem net gebeld heeft. Ja, dat was zo.

te 14.10 uur (volgnummer 143/dossierpag 3662 en 3663).

(…) belt met (…).

(…) En dan heeft die jongen aangeroepen voor (…). Weet je wel in Nieuw-Vennep en nou ben ik in Nieuw-Vennep.

(…) Ja, maar wat er mee gebeuren, met die dingen?

(…) Naar (…) toe. (…) die weet het al, die is thuis.

te 14.46 uur (volgnummer 146/dossierpagina 3665 en 3666).

Telefoongesprek tussen (…) en (…).

(…) (…) met (…). Ik ben met tien minuten daar.

(…) Okee.

(…) Want ik heb ook nog handel bij me, begrijp je. Die moest ik ophalen, want anders had ik al eerder geweest. Maar ik moest na, en dan moest ik naar Nieuw-Vennep. Weet je wel, bij (…). Bij zijn zoon.

te 15. 11 uur (volgnummer 152/dossierpagina 3669 en 3670).

(…) belt met (…)

(…) (…) met (…). Moet je horen. Dat ene gooi je in het zakkie he, waar er een in zat.

(…) Ja.

(…) En die ander waar er tien in zitten dan he. Dan neem je die even mee naar mijn huis toe. Ik kom er aan. En die twee zakkies, weet je wel, met die Molentjes erin.

(…) Ja.

(…) Want dan kennen we effe snel effe gauw in die zakkies, die twee zakkies vullen bij mij. Want ik moet ze direct wegbrengen.

(…) Doe ik.

te 16.36 uur (volgnummer 2877/dossierpagina 3672 en 3673)

(…) belt (…)

(…) Ik heb dat andere gebracht naar (…).

(…) Ja.

(…) Is in orde he?

(…) Dat is in orde, ja.

(…) Goed zo, doei.

10.10. De navolgende geschriften, zijnde zogenaamde journaals van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, behorende bij proces-verbaal nummer C03/98/31, respectievelijk C03/98/32, respectievelijk C05/98/12, inhoudende voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

(ad 4 en 7)

d.d. zondag 26 april 1998 te 23.25 uur (volgnummer 3281/dossierpagina 2925 e.v.).

(…) (…) belt met (…)

(…) vraagt of (…) die andere even kan laten wachten. (…) zegt hem dan even te moeten oppiepen. (…) ziet hem toch morgen, dan weet (…) precies hoe of wat. (…) zegt dat de andere wel komt en dat het wachten geen probleem is. Gesprek wordt beëindigd met de opmerking dat (…) hem gaat piepen en dat de man moet wachten tot (…) weer belt.

te 23.28 uur (volgnummer 3283/dossierpagina 2927).

Telefoonnummer (…) (…) naar buzzer (…).

Bericht wordt verzonden.

d.d. maandag 27 april 1998 te 7.07 uur (volgnummer 3294/dossierpagina 2928).

(…) belt (…)

(…) zegt dat hij moet wachten tot er een telefoontje komt van iemand. (…) moet wachten tot hij een telefoontje van (…) krijgt. (…) mag verder slapen.

te 10.24 uur (volgnummer 3296/dossierpagina 2929).

(…) ((…)/prepaid) belt (…).

Het wordt 1 uur. Voorts zegt hij tegen (…) dat hij niet hoeft te rijden, wordt voor gezorgd.

te 11.52 uur (volgnummer 221/dossierpagina 2929 tot en met 2931).

(…) belt (…).

(…) De jongens komen om 1 uur ongeveer aan. Dus dan bel ik jou wel.

(…) Ik hoor je wel.

te 13.24 uur (volgnummer 3302/dossierpagina 2932 en 2933).

(…) ((…)/prepaid) belt met (…)

(…) Dag jonge.

(…) Dag jonge.

(…) Die huhh, is kijke, die huhh, waar zie ik jou?

(…) Zegt het maar, dan stuur ik hem er naar toe.

(…) Twee uur.

(…) Waar?

(…) Bij mij in de buurt, weet ie niet.

(…) Ja, bij jou in de buurt, humm.

(…) Je weet wat ik bedoel, toch?

(…) Ja, bij de Amstel.

(…) Andere buurt, bij de Amstel daar, ja.

(…) Ja, bij die Saab.

te 13.25 uur (volgnummer 3305/dossierpagina 2935).

(…) belt met (…).

(…) Of jij om twee uur bij die Saab-garage kan staan.

(…) Wat zeg je nou?

(…) Bij die Saab-garage. Als je bij (…) weet je wel.

te 14.18 uur (volgnummer 228/dossierpagina 2936).

(…) (…) belt met (…).

(…) belt in. Hij ziet hem niet. (…) vraagt: "Mijn zwager?" De (…) “Ja.” (…) “Ik heb hem net uitgelegd, hij kan ieder moment komen.”

Met betrekking tot de onder 10.2 en 10.4 - 10.10 genoemde bewijsmiddelen overweegt het hof nog als volgt. Waar daarin met name genoemde personen als gesprekspartners zijn aangeduid heeft het hof dat afgeleid uit de inhoud van de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd.

11.1. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal met nummer 97072/01 van 3 augustus 1998, opgemaakt door de verbalisanten 028 en 037 (doorgenummerde pagina's 2550 en 2551).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

(ad 1 en 7)

Op 9 april 1998 omstreeks 7.49 uur zag ik, verbalisant 028, dat de personenauto, merk Renault, type 11, met kenteken (…) werd geparkeerd op de (…) te Haarlem, ter hoogte van portiek (…). Uit de Renault 11 stapte de mij bekende (…) geboren te Den Helder op 27 mei 1958. Hij liep naar het portiek (…) en belde aan. Kort daarna ging (…) voornoemd het portiek binnen.

Op 9 april 1998 omstreeks 8.20 uur zag ik, verbalisant 028, dat (…) en de mij bekende (…) geboren te Haarlemmermeer op 9 september 1938, wonende te Haarlem (…), uit portiek (…) te Haarlem kwamen lopen en dat zij in de personenauto, merk Hyundai, type Lantra, met kenteken (…) stapten. Ik, verbalisant 028, zag dat (…) op de bestuurdersplaats in het voertuig plaats nam en (…) als passagier in het voertuig ging zitten. Vervolgens reed de Hyundai Lantra weg.

Op 9 april 1998 omstreeks 10.23 uur zagen wij, verbalisanten 028 en 037, dat de voornoemde personenauto Hyundai door (…) werd geparkeerd in de (…) te Tilburg.

Op 9 april 1998 omstreeks 11.02 uur arriveerde een taxi ter hoogte van waar de Hyundai geparkeerd stond. Ik, verbalisant 028, zag dat een manspersoon uit de taxi stapte. Deze man herkende ik als (…), geboren te Tilburg op 12 september 1962. Ik zag dat (…) achterin het voertuig Hyundai plaatsnam.

Op 9 april 1998 omstreeks 11.05 uur reed de Hyundai met daarin (…), (…) en (…) weg, maar kwam tot stilstand op de hoek van de (…) en de (…). Ik, verbalisant 028, zag dat alle drie de mannen uitstapten en dat (…) plaats nam achter het stuur van de Hyundai en dat hij met deze wegreed.

Ik, verbalisant 037, zag dat (…) en (…) bij cafe (…) gevestigd op de (…) te Tilburg, naar binnen gingen.

11.2. Een proces-verbaal met nummer 980409.aw1 van 21 april 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren J.G.C. Kicken, F.F. Rademaker en A.W.T.E.M. van der Waarden (door-genummerde pagina's 2560 en 2561).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

(ad 1 en 7)

Op 9 april 1998 hebben wij observatie gedaan op verzoek van de inspecteur van politie, J.C. Visser, werkzaam in de regio Kennemerland.

Die dag, omstreeks 11.00 uur, bevonden wij ons in de omgeving van het (…) te Tilburg. Aldaar bevond zich ook het observatieteam van de regio Kennemerland dat een personenauto, merk Hyundai, type Lantra Wagon, kleur groen, kenteken (…) onder observatie had.

Vervolgens gaf genoemd observatieteam aan dat de hun bekende (…) bij genoemde auto arriveerde.

Nadat deze (…) contact had gehad met de inzittenden van genoemde Hyundai kreeg hij de autosleutels en vertrok alleen in genoemde Hyundai.

Door ons werd vervolgens deze Hyundai, voorzien van het kenteken (…) onder observatie genomen.

Die dag, omstreeks 11.20 uur, zagen wij, eerste en tweede verbalisant, dat (…) in genoemde Hyundai, via de (…) reed naar een woning aan de (…) te Hulten. Wij zagen dat (…) genoemde Hyundai met de achterzijde naar de aldaar aanwezige garageboxen reed. Aan het perceel (…) zijn 2 garageboxen verbonden.

Die dag, omstreeks 11.22 uur, zagen wij dat (…) in genoemde Hyundai vertrok en terugreed in de richting van Tilburg.

Die dag, omstreeks 11.43 uur, zag ik, derde verbalisant, dat (…) genoemde Hyundai parkeerde op het (…) te Tilburg. Vervolgens zag ik dat (…) genoemde Hyundai afsloot en wegliep in de richting van de (…) te Tilburg. Ik zag dat van genoemde Hyundai een stuk van de leuning van de achterbank ontbrak. Ik zag via deze opening dat in de kofferbak een bruine kartonnen doos stond, met aan één zijde een witte vierkante sticker, voorzien van meerdere barcodes.

Met (…) wordt door ons, verbalisanten, bedoeld: (…) (…) geboren te Tilburg op 12 september 1962, wonende te Tilburg, (…).

11.3. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal met nummet 97072/01 van 3 augustus 1998, opgemaakt door

de verbalisanten 062, 034 en 037 (doorgenummerde pagina's 2552 en 2553).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

(ad 1 en 7)

Op 9 april 1998 omstreeks 11.37 uur zag ik, verbalisant 062, dat de personenauto, merk Hyundai, type Lantra, met kenteken (…) werd geparkeerd op de (…) te Tilburg. Ik zag dat de mij bekende (…) uitstapte en bij café (…), gevestigd op de (…) te Tilburg, binnen ging.

Op 9 april 1998 omstreeks 11.50 uur zag ik, verbalisant 034, dat de mij bekende (…) en (…) uit cafe (…) kwamen lopen en dat zij in de voornoemde personenauto Hyundai stapten. (…) bestuurde dit voertuig.

11.4. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal met nummer 97072/01 van 3 augustus 1998, opgemaakt door de verbalisanten 052 en 028 (doorgenummerde pagina's 2554 en 2555).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

(ad 1 en 7)

Op 9 april 1998 omstreeks 13.31 uur zag ik, verbalisant 052, dat de personenauto, merk Hyundai, type Lantra, met kenteken (…) werd geparkeerd op de (…) te Haarlem ter hoogte van het portiek (…). Ik zag dat de mij bekende (…) en (…) uit de Hyundai voornoemd stapten en dat zij het portiek (…) te Haarlem naar binnen gingen.

Omstreeks 13.34 uur zag ik, verbalisant 052, dat (…) weer naar de Hyundai liep en dat hij de achterklep van de Hyundai opende. (…) pakte een kartonnen doos vanaf de achterbak en gaf de kartonnen doos in het portiek (…) aan (…).

(…) liep terug naar de Hyundai en pakte een tweede kartonnen doos uit de achterbak van de Hyundai.

Met de doos in zijn handen loopt (…) via het portiek (…) in de richting van de boxruimte.

12.1. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van 14 april 1998, opgemaakt door de verbalisant K30 (doorgenummerde pagina 2569).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisant:

(ad 1 en 7)

Op 9 april 1998 omstreeks 18.25 uur heb ik in het bijzijn van 4 collega's een onderzoek ingesteld in de flatbox (…) van perceel (…) te Haarlem met de bedoeling om een tweetal dozen in beslag te nemen met als vermoedelijke inhoud XTC-pillen. Ik heb de deur van de flatbox (…) opengebroken. Nadat ik de deur had geopend zag ik op een kast een tweetal dozen staan. De dozen waren aan de bovenzijde geopend. In de dozen zag ik een witte substantie verpakt in een onbekende hoeveelheid plastic zakken.

De hierboven genoemde goederen zijn door mij in beslag genomen, onmiddellijk overgebracht naar het hoofdbureau van politie te Haarlem en ter beschikking gesteld aan collega J. Visser van de afdeling zware criminaliteit aan dit bureau.

12.2. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/97-023450 van 23 april 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar J.C. Visser (doorgenummerde pagina's 2570 en 2571).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisant:

(ad 1 en 7)

Op 9 april 1998, te 19.00 uur, heb ik van de politieambtenaar nr. K. 30 van het arrestatieteam van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland overgenomen de volgende door hen inbeslaggenomen goederen:

- een kartonnen doos inhoudende een groot aantal op elkaar gelijkende doorzichtige plastic zakken, die kennelijk vacuum waren getrokken en waarin zich een witte substantie bevond, met een kleur zweem van rose;

- een daarop gelijkende kartonnen doos met dezelfde inhoud.

12.3. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/97-023450 van 28 april 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren A.H. Niesten en P.J.A. Bok (doorgenummerde pagina's 2574 tot en met 2577).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

(ad 1 en 7)

Op 9 april 1998 ontving ik, eerste verbalisant, aan het regioburo van politie te Kennemerland, uit handen

van inspecteur J.C. Visser van de regiopolitie Kennemerland, onder meer een tweetal kartonnen dozen.

Genoemde inspecteur verzocht mij een onderzoek in te stellen naar de inhoud van de dozen.

In de onderzoeksruimte zag ik dat de inhoud van de twee dozen onder meer als volgt was:

- doos 1: 15 plastic zakken vacuümverpakt wit poeder; 4 linnen draagtasjes;

- doos 2: 35 plastic zakken vacuümverpakt wit poeder.

Bij weging van een representatief aantal willekeurige pakketten bleek elk bij benadering een (1) kilo te

wegen.

Wij, eerste en tweede verbalisant, hebben uit een drietal volstrekt willekeurig gekozen vacuümpakketten een monster genomen, dat elk afzonderlijk is verpakt en gewaarmerkt.

Alle monsters zijn gewaarmerkt met het bedrijfsprocesnummer PLHL12/97-023450, het verbalisantnummer en de datum van de monstername.

De drie uit de vacuümverpakte pakketten genomen monsters kregen bovendien respectievelijk het volgnummer 1, 2 en 3.

De monsters zijn voor onderzoek overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.

13. Een verslag, zijnde een rapport met nummer 98.04.15.012 van 27 april 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige Drs. H.T.C. van der Laan werkzaam bij het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.

Dit rapport houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de deskundige:

(ad 1 en 7)

Op 15 april 1998 is van de technische recherche Kennemerland onderzoeksmateriaal ontvangen.

Verzocht werd een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, welke vallen onder de

bepaling van de Opiumwet.

Onderzoeksmethoden

M1 = microchemische reacties

M3 = plaatchromatografie

M5 = gaschromatografie met massaselectieve detectie

onderzoek

Kenmerk Omschrijving Conclusie Methode

PL12/97 023450

1 monster witte brok bevat amfetamine M1, 2x M3 en M5

2 monster witte brok bevat amfetamine M1, 2x M3 en M5

3 monster witte brok bevat amfetamine M1, 2x M3 en M5

Amfetamine is vermeld op Lijst I sub D, behorende bij de Opiumwet.

14.1. Een proces-verbaal met nummer 97072/02 van 3 augustus 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren 028, 062 en 030 (doorgenummerde pagina's 2848 en 2849).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

(ad 4 en 7)

Op 27 april 1998 omstreeks 13.56 uur, zagen wij, verbalisanten 062 en 028, dat de ons bekende (…), geboren te Den Helder op 27 mei 1958, plaatsnam in een personenauto, merk Renault 11, met kenteken (…) en wegreed over de A5 in de richting van Amsterdam.

Op 27 april 1998 omstreeks 14.07 uur zag ik, verbalisant 030, dat een personenauto merk Volkswagen, type Golf, met kenteken (…), stond geparkeerd langs de (…) te Amsterdam ter hoogte van de aldaar gevestigde Saab-garage.

Op 27 april 1998 omstreeks 14.18 uur zag ik, verbalisant 028, dat (…) in de Renault 11, met kenteken (…), het terrein van de Saab-garage, gevestigd aan de (…) te Amsterdam, opreed.

Vervolgens zag ik, verbalisant 028, dat (…) het Saab-terrein weer af reed en achter de langs de rijbaan van de (…) geparkeerd staande Volkswagen Golf, met kenteken (…) ging staan. Vervolgens reed voornoemde Golf weg en (…) reed achter de Golf aan richting Amstelveen.

14.2. Een proces-verbaal van 27 april 1998, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren K25, K26, K34 en K31 (doorgenummerde pagina’s 1268 en 1269).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisanten:

(ad 4 en 7)

Wij behorende tot de Dienst Centrale Recherche, buro Tactiek, van de regiopolitie Amsterdam/Amstelland, hebben, na overleg met hoofdinspecteur C.J. Hordijk van de regiopolitie Kennemerland, in verband met overtreding van artikel 2 en 10a van de Opiumwet, aangehouden op 27 april 1998 te Amstelveen:

(…), geboren te Tilburg op 12 september 1962 (verdachte I) en

(…), geboren te Den Helder op 27 mei 1958 (verdachte II).

Verdachte I zat tijdens de aanhouding als bestuurder in een vierwielig motorvoertuig, merk Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken (…).

Verdachte II stapte als bestuurder uit een vierwielig motorvoertuig, merk Renault, type 11, voorzien van het kenteken (…) en liep in de richting van voornoemde Volkswagen Golf.

Direct na de aanhouding werden de verdachten en de voertuigen overgebracht naar het politiebureau te Haarlem.

14.3. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-059704 van 18 mei 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar C.J. Koster (doorgenummerde pagina's 2853 en 2854).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisant:

(ad 4 en 7)

In de garage van het hoofdbureau van regiopolitie Kennemerland was een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, voorzien van het kenteken (…), geplaatst. In de kofferbak van dit voertuig werd een witte plastic box, merk Curver, voorzien van een blauw deksel, aangetroffen.

In samenwerking met de collega's N. Prinse en P.H Stoeltie, heb ik de inhoud van de box onderzocht, geteld, gewogen en bemonsterd. De inhoud van de box bestond uit totaal 102 plastic zakjes met daarin wit/cremekleurige pillen met daarin de afbeelding van een hamer en een sikkel. Al de zakjes waren vacuüm gezogen en dichtgeseald. Uit de partij van 102 zakjes werden willekeurig 11 zakjes genomen en gewogen. Uit elk van de willekeurig uit de totale partij genomen 11 plastic zakjes zijn willekeurig 5 pillen als monster veiliggesteld.

Deze monsters zijn door Prinse en Stoeltie voor onderzoek gezonden naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.

Bij onderzoek aan de plastic box en deksel werden door mij dactyloscopische sporen aangetroffen. Deze sporen zijn door mij afgenomen met dactyloscopisch folie en voorzien van een uniek spoornummer.

14.4. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-059704 van 26 mei 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar N. Prinse (doorgenummerde pagina 2858).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisant:

(ad 4 en 7)

In aansluiting op het proces-verbaal, relaterende onder meer de inbeslagname van een plastic box, merk Curver, inhoudende 102 plastic zakjes elk inhoudende 1250 wit/crèmekleurige pillen met opschrift een hamer en sikkel, relateer ik, verbalisant, het volgende:

De als monster veiliggestelde pillen zijn gecodeerd GL 063041 t/m GL063051.

Op 28 april 1998 zijn voornoemde monsters gebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, alwaar de monsters zijn ingeschreven onder het zaaknummer 98.04.28.017.

14.5. Een proces-verbaal met nummer PL1200/98-059704 van 21 december 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar C.J. Koster (doorgenummerde pagina 2896.A2).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisant:

(ad 4 en 7)

Op 28 april 1998 heb ik een sporenonderzoek ingesteld aan een plastic box met deksel, afkomstig uit een personenauto, merk Volkswagen, voorzien van het kenteken (…). In deze plastic box werden plastic zakjes met daarin pillen, vermoedelijk drugs, aangetroffen. Tijdens dit onderzoek werden door mij op de plastic box en het deksel dactyloscopische sporen aangetroffen. Deze sporen zijn door mij afgenomen met dactyloscopische folie en voorzien van een uniek spoornummer.

Op 21 december 1998 heb ik het spoornummer 2187.LA.003, aangetroffen aan de binnenzijde van het deksel, in het regiobureau van politie te Haarlem, vergeleken met het op 26 november 1998 bij de regiopolitie Kennemerland te Haarlem vervaardigde dactyloscopisch signalement ten name van: (…) geboren te Goirle op 7 augustus 1966.

Daarbij bleek mij dat dit vingerspoor identiek is aan een afdruk van de rechter middelvinger op het dactyloscopisch signalement van (…) voornoemd.

14.6. Een proces-verbaal met nummer 97-023450-AH-76 van 10 november 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar M. Loderus (doorgenummerde pagina's 1404.A.0053 tot en met 1404.A.0055).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisant:

(ad 1, 2, 4 en 7)

Uit het onderzoek (…) is gebleken, dat het telefoonnummer (…) in gebruik is geweest bij (…) geboren op 7 augustus 1966.

15. Een verslag, zijnde een rapport met nummer 98.04.28.017 van 14 mei 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de als vast gerechtelijk deskundige beëdigde drs. H.T.C. van der Laan (doorgenummerde pagina's 2859 tot en met 2861).

Dit rapport houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de deskundige:

(ad 4 en 7)

Op 28 april 1998 werd van regiopolitie Kennemerland onderzoeksmateriaal ontvangen. Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, welke vallen onder de bepaling van de Opiumwet.

Onderzoeksmethoden

M1 = microchemische reacties,

M3 = plaatchromatografie, en

M5 = gaschromatografie met massaselectieve detectie.

Onderzoek

Kenmerk Omschrijving Conclusie Methode

98-059704

1 t/m 11 elf monsters cremekleurige gleufta- bevatten alle Ml, 2x M3

bletten (à 0.25 gram) met als diep- elf MDMA en M5

druk een hamer en sikkel, in grip-

zakjes gecodeerd GLO63041 t/m

GL063051

MDMA (3,4-methyleendioxymetamfetamine) is vermeld op Lijst I sub C, behorende bij de Opiumwet.

16.1. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/97-023450 van 30 juni 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar A.J.F. van der Linden (doorgenummerde pagina's 3815 en 3816).

Dit proces-verbaal houdt in voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisant:

(ad 7)

Op 23 juni 1998 heeft er, onder leiding van mr. C.M.P. Flint-van

Noort, rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafza-

ken in de arrondissementsrechtbank te Haarlem, op 23 juni 1998 een

spoedhuiszoeking plaatsgevonden in perceel (…) te Lisse.

(…) te Lisse is een zogenaamde bedrijfsunit.

Na binnentreden in het pand trof ik, verbalisant, in de kantoorruimte

veertien witte en blauwe jerrycans aan. Deze jerrycans waren

gevuld met vloeistof die sterk riekte. Op deze jerrycans stonden de

teksten "PH4", "Aceton" of "ZZ".

Om de hoek in de garage stonden, gedeeltelijk onder een dekzeil,

238 witte en blauwe jerrycans. Ook deze jerrycans waren gevuld

met vloeistoffen. Op enkele jerrycans was een tekst geschreven,

zoals "A", "XX" of "Meth".

In een in de garage gemaakte ruimte trof ik 320 blauwe en witte

jerrycans aan. Op 14 jerrycans na waren deze jerrycans gevuld met

vloeistoffen. Ook op deze jerrycans was soms tekst geschreven,

zoals "Meth", "MMA", “A”, “M”, of “X”.

In verband met de monstername is M. Zomer, vakspecialist Milieu

van de regiopolitie Zaanstreek-Waterland ter plaatse gekomen. Door

Zomer zijn jerrycans bemonsterd.

16.2. Een proces-verbaal met nummer GPZNST/98-045899 van 26 november 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar M. Zomer (doorgenummerde pagina's 3847 B.2 tot en met 3847 B.12)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de verbalisant:

(ad 7)

Op 23 juni 1998, omstreeks 17.00 uur, werd er door ons, verbalisanten Zomer en Alrich, beiden monsternamedeskundigen-A, op verzoek van de regiopolitie Kennemerland een onderzoek ingesteld in een loods van een verzamelpand aan de (…) in de gemeente Lisse.

Dit naar aanleiding van het aantreffen van een groot aantal jerrycans met chemicaliën in bedoelde loods.

De loods in de (…) te Lisse werd voor de inventarisatie en verslaglegging schematisch onderverdeeld in 3 aparte ruimten, waarbij elke ruimte een letter kreeg.

De kantoorruimte aan de voorzijde werd gemerkt met de letter A, de grote loodsruimte met de letter B en de aparte ruimte met keukenblok met de letter C.

In ruimte A stonden:

- 5 witte jerrycans van 25 liter: gemerkt als partij A1;

- 4 blauwe jerrycans van 25 liter: gemerkt als partij A2, (voorzien van geschreven woord "Aceton");

- 5 witte jerrycans van 25 liter: gemerkt als partij A3.

In ruimte B stonden een drietal partijen opgeslagen die respectievelijk B-1, B-2 en B-3 genummerd werden.

Partij B-1 bestond uit 61 blauwe jerrycans van 25 liter, voorzien van geschreven letters “A’ en/of "XX".

Partij B-2 bestond uit 159 witte en blauwe jerrycans van 20 liter, voorzien van het geschreven woord "Meth".

Partij B-3 bestond uit 18 blauwe jerrycans van 25 liter zonder opschrift, waarvan 15 jerrycans met

rode verzegeling doppen.

In ruimte C stond een viertal partijen opgeslagen, die respectievelijk als C-1, C-2, C-3 en C-4 werden

gemerkt.

Partij C-1 bestond uit 105 witte jerrycans van 20 liter, voorzien van geschreven woord/letters "Meth", "MMA" en/of "A".

Partij C-2 bestond uit 26 blauwe jerrycans van 25 liter voorzien van geschreven letters "M" en/of "X".

Partij C-3 bestond uit 166 witte en blauwe jerrycans van 20 liter, deels voorzien van geschreven woord "Meth". Hiervan waren 14 jerrycans leeg.

Partij C-4 bestond uit 15 witte jerrycans van 20 liter voorzien van geschreven woord "Meth", 7 blauwe en 1 witte jerrycan van 25 liter inhoud.

Alle bovenomschreven jerrycans waren, met uitzondering van de 14 jerrycans van partij C-3, geheel gevuld met vloeistoffen, variërend in kleur, geur en zuurgraad.

In overleg met de aanwezige coördinator, (…), van het in gevaarlijke stoffen gespecialiseerde bedrijf Dangerous Goods Management, nader DGM te noemen, gevestigd te Badhoevedorp, en de aanwezige zoekcoördinator A. van der Linden, werden vervolgens de bovengenoemde partijen op pallets geladen en ter plekke onder toezicht van de aanwezige verbalisanten geheel omwikkeld met plastic (sealen) en/of tape van DGM en voorzien met een onuitwisbare viltstift van de partijletter en -nummer.

Door ons werd na onderzoek van de pallets waarop de jerrycans opgeslagen waren, de totale hoeveelheid verdeeld in 10 partijen, te weten A-1, A-2, A-3, B-1, B-2, B-3, C-1, C-2 C-3 en C-4.

Door mij, verbalisant, werd, mede in verband met het indicatieve karakter van de monstername, bepaald dat er per partij a-select een jerrycan werd gekozen en vervolgens bemonsterd.

Van de partij met de letter A werd elk 1 vloeistofmonster genomen.

Van de partij B-1 werden 5 vloeistofmonsters genomen.

Van de partij B-2 werden 6 vloeistofmonsters genomen.

Van de partij B-3 werd 1 vloeistofmonster genomen.

Van de partij C-1 werden 4 vloeistofmonsters genomen.

Van de partij C-2 werd 1 vloeistofmonster genomen.

Van de partij C-3 werden 2 vloeistofmonsters genomen.

Van de partij C-4 werden 4 vloeistofmonsters genomen.

Op 6 juli 1998 zijn alle 26 monsters in de transportkisten afgegeven aan de chauffeur/bode (…) van de afdeling BUM van de politie Zaanstreek/Waterland, die de 26 monsters inclusief het aanvraagformulier heeft overgedragen aan de ontvangstbalie van het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.

17. Een verslag, zijnde een rapport met nummer 98.07.06.022 van 30 juli 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige A.J. Poortman-van der Meer (doorgenummerde pagina's 3830 tot en met 3833).

Dit verslag houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de deskundige:

(ad 7)

Op 6 juli 1998 werd van regiopolitie Kennemerland onderzoeksmateriaal ontvangen. Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, welke vallen onder de bepaling van de Opiumwet.

Onderzoeksmethoden

M3 = plaatchromatografie,

M4 = gaschromatografie,

M5 = gaschromatografie met massaselectieve detectie en

M7 = IR-spectroscopie.

Onderzoek

Ken- Omschrijving Conclusie Methode

merk

Bl-1 monster bruine vloeistof bevat o.a. metamfetamine M4 en M5

Bl-2 monster bruine vloeistof bevat o.a. metamfetamine M5

Bl-3 monster lichtgele vloeistof bevat o.a. BMK M5 en M7

Bl-4 monster lichtgele vloeistof bevat o.a. MDMA M4 en M5

Bl-5 monster kleurloze vloeistof bevat geringe hoeveelheid metamfe- M4, M5 en M7

tamine

B2-1 monster lichtgele vloeistof bevat o.a. metamfetamine M4, M5 en M7

B2-2 monster lichtgele vloeistof bevat o.a. metamfetamine M3, M5 en M7

B2-3 monster kleurloze vloeistof bevat o.a. metamfetamine M5 en M7

B2-4 monster gele vloeistof bevat o.a. geringe hoeveelheid PMK M5

B2-5 monster kleurloze vloeistof bevat o.a geringe hoeveelheid M5

metamfetamine

B2-6 monster bruine vloeistof bevat o.a. metamfetamine en gerin- M3 en M5

ge hoeveelheid MDMA

C1-1 monster bruine vloeistof bevat metamfetamine M3 en M5

C1-2 monster kleurloze vloeistof bevat o.a. geringe hoeveelheid M5

metamfetamine

C1-3 monster lichtgele vloeistof bevat o.a. metamfetamine M5 en M7

C1-4 monster lichtgele vloeistof bevat o.a. metamfetamine M5 en M7

C4-1 monster kleurloze vloeistof bevat o.a. geringe hoeveelheid M5

metamfetamine

C4-2 monster bruine vloeistof bevat o.a. metamfetamine M5

C4-3 monster bruine vloeistof bevat o.a. geringe hoeveelheid MDMA M5

C4-4 monster lichtgele vloeistof bevat o.a. geringe hoeveelheid PMK M5 en M7

Metamfetamine is vermeld op Lijst 1, sub D, behorende bij de Opiumwet.

MDMA (3,4-methyleendioxymetamfetamine) is vermeld op Lijst 1, sub C, behorende bij de Opiumwet.

18.1. Een proces-verbaal van huiszoeking ter inbeslagneming met parketnummer 15/094071-98 van 25 augustus 1998, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Haarlem (doorgenummerde pagina's 1660 tot en met 1662).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de rechter-commissaris:

(ad 2 en 7)

Op 25 augustus 1998 is er een huiszoeking ter inbeslagneming gedaan op het adres woonboot (…) gelegen aan de (…) (hof begrijpt en leest: (…)) te Westzaan in het gerechtelijk vooronderzoek tegen (…). Tijdens de huiszoeking is onder meer inbeslaggenomen:

- XXIVB2.3, XTC-pillen, 6 x molentje en 42 x kroontjes en roze pillen.

18.2. Een proces-verbaal met nummer PL12HL/97-023450 van 19 november 1998, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar A.J.F. van der Linden (doorgenummerde pagina's 1664 A3 tot en met 1664 A8).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

(ad 2 en 7)

Op 25 augustus 1998 zijn tijdens een huiszoeking in de woonboot aan de (…) te Westzaan 48 pillen aangetroffen met de diepdrukken van een molen en een kroontje. Monsters van deze pillen zijn op 2 september 1998 verzonden naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk teneinde te worden geanalyseerd.

19. Een verslag, zijnde een rapport met nummer 98.09.03.005 van 8 oktober 1998, en een verslag, zijnde een

rapport met nummer 98.09.03.0-05A van 6 november 1998, beide in de wettelijke vorm opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundige ing. A.G.A. Sprong (doorgenummerde pagina's 1664 A9 tot en met A12).

Deze rapporten, in onderling verband en samenhang beschouwd, houden in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van de deskundige:

(ad 2 en 7)

Op 2 september 1998 werd onderzoeksmateriaal ontvangen van de regionale technische recherche Kennemerland. Verzocht werd om een onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van middelen, welke vallen onder de bepaling van de Opiumwet.

Onderzoeksmethoden

Ml = microchemische reacties

M3 = plaatchromatografie

M5 = gaschromatografie met massaselectieve detectie

Onderzoek

Kenmerk Omschrijving Conclusie Methode

PL12HL/97- 023450

2185.KO.001 witte tablet met diepdruk bevat MDMA en een M1, M3

RN zeer geringe hoeveelheid en M5

amfetamine

2185.KO.002 twee witte gleuf tabletten bevat metamfetamine M1, M3

met als diepdruk een en M5

molen

2185.KO.003 twee cremekleurige bevat MDMA M1, 2x

gleuftabletten met als M3 en M5

diepdruk een kroon

2185.KO.004 twee roze tabletten bevat MDMA M1, M2

en M5

Metamfetamine is vermeld op Lijst 1, sub D, behorende bij de Opiumwet. MDMA (3,4-methyleendioxymetamfetamine) is vermeld op Lijst I, sub C, behorende, bij de Opiumwet.

Nadere bewijsoverwegingen

Het hof bezigt de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, ook in hun onderdelen, telkens slechts ten aanzien van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Indien en voor zover enig hiervoor vermeld bewijsmiddel een schriftelijk bescheid is als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5e, van het Wetboek van Strafvordering, wordt dat slechts gebezigd in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen (zijnde niet zodanige geschriften).

Met betrekking tot voormelde processen-verbaal, die zijn opgemaakt door verbalisanten met vermelding van enkel hun code, overweegt het hof dat het deze processen-verbaal tot bewijs bezigt nu de bewijsbeslissing in belangrijke mate steun vindt in de overige bewijsmiddelen, door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om een of meer van deze verbalisanten te horen en het hof de inhoud van die processen-verbaal betrouwbaar oordeelt.

De raadsman heeft met betrekking tot hetgeen de verdachte onder 1 is tenlastegelegd aangevoerd dat de inbeslagneming op 9 april 1998 van de 50 kilogram amfetamine in flatbox (…) behorend bij perceel (…) te Haarlem, onrechtmatig is geweest en mitsdien van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Hij heeft daartoe gesteld -zakelijk weergegeven- dat de inbeslagneming heeft plaatsgehad tijdens een huiszoeking, daar de inbeslagneming heeft plaatshad in een flatbox behorende bij een woning, en dat die huiszoeking onrechtmatig is geschied, omdat die heeft plaatsgehad zonder verlof van de rechtbank, terwijl zodanig verlof was vereist omdat de huiszoeking geschiedde tijdens een lopend gerechtelijk vooronderzoek.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van verbalisant Neef van 9 april 1998 (politiedossier doorgenummerde bladzijden 2567-2568) blijkt het volgende.

Verbalisant heeft op (het hof begrijpt: op 9 april 1998) omstreeks 17.30 uur, naar aanleiding van de mededeling van projectleider Visser dat in een van de 54 boxen gelegen in de boxruimte van de flat (…) t/m (…) te Haarlem vermoedelijk een hoeveelheid verdovende middelen aanwezig was, ingevolge de Opiumwet in de boxruimte van de flat met de speurhond Ringo een onderzoek ingesteld. Hij is naar genoemd flatgebouw gegaan en zag bij binnenkomst in de centrale ruimte van de boxgang dat het hier een lange doorlopende gang betrof met aan beide zijden boxingangen. Gekomen met speurhond Ringo bij box nummer (…) zag hij dat de hond een melding maakte aan de onderzijde van de boxdeur.

De getuige (…) heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de flatbox voor opslag van goederen gebruikte.

Uit het proces-verbaal van verbalisant K30 van 14 april 1998 (zie bewijsmiddele 12.1 hiervoor vermeld) blijkt het volgende.

Verbalisant K30 heeft op 9 april 1998 in opdracht van projectleider Visser, omstreeks 18.25 uur een onderzoek ingesteld in de flatbox (…) van voornoemd flatgebouw. Nadat hij de deur van de flatbox had geopend zag hij op een kast een tweetal dozen staan die voldeden aan de omschrijving die het observatieteam had gegeven. Hij trof de dozen aan zonder daartoe te hoeven zoeken. De dozen waren aan de bovenzijde geopend en hij zag daarin een witte substantie verpakt in plastic zakken. Verbalisant K30 heeft hierop genoemde goederen in beslag genomen en ter beschikking gesteld aan projectleider Visser.

Uit voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat de onderwerpelijke flatbox nummer (…) geen woning betrof en dat verbalisant K30 de flatbox, zulks op grond van de in artikel 9, eerste lid onder b van de Opiumwet aan opsporingsambtenaren verleende bevoegdheid heeft betreden, en vervolgens de voor de hand aangetroffen dozen met daarin een witte substantie ex artikel 9, derde lid, Opiumwet inbeslag heeft genomen. Hieraan doet niet af dat er tegen de verdachte een gerechtelijk vooronderzoek liep.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het hof de verklaringen van (…) niet tot het bewijs van de tenlastegelegde feiten mag bezigen, omdat (…) een onbetrouwbare getuige is gebleken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof heeft de hiervoor tot bewijs gebezigde verklaringen van (…) met de nodige behoedzaamheid beoordeeld en heeft deze betrouwbaar geoordeeld, weshalve het hof die verklaringen bezigt tot bewijs.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert de volgende misdrijven op:

- ten aanzien van het onder 1 primair, 2 primair, 4 primair en 6 primair tenlastegelegde -

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van het onder 5 primair tenlastegelegde -

medeplegen van:

om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij wist of ernstig reden had om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

- ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde -

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij bestuurder van die organisatie is.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft gedurende een geruime periode als bestuurder deelgenomen aan een organisatie, die zich in Nederland op grote schaal bezig hield met de "handel" in synthetische drugs (XTC en amfetamine). Verdachte heeft zich -naar het hof aannemelijk acht: uit puur winstbejag- in die organisatie beziggehouden met het afleveren en/of vervoer van aanzienlijke hoeveelheden van die drugs. Ten laste van verdachte zijn vier afleveringen/transporten bewezen verklaard. Dit betrof telkens een aanzienlijke hoeveelheid synthetische drugs geschikt voor verdere verspreiding. Voorts heeft verdachte stoffen voorhanden gehad voor de produktie van synthetische drugs.

Verdachte heeft zodoende een substantiële bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in ons land.

Bij evenvermelde delicten heeft verdachte, blijkens de afgeluisterde telefoongesprekken, een leidinggevende en coördinerende rol vervuld.

Gelet op de grote schaal waarop de organisatie haar strafbare activiteiten heeft ontplooid, is het hof van oordeel dat door de wijze van handelen van de zijde van de verdachte in de onderhavige zaak sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 2 december 1999 is de verdachte op 27 maart 1997 eerder strafrechtelijk veroordeeld voor misdrijf, waaronder voor een Opiumwet-misdrijf.

De raadsman heeft bij dupliek nog het volgende verweer gevoerd.

De rechtbank heeft jegens de verdachte verzuimd de regeling van artikel 365a Wetboek van Strafvordering inzake het verkort vonnis en de aanvulling daarop na te komen. De rechtbank heeft immers de aanvulling op het veroordelend verkort vonnis niet binnen drie maanden nadat hoger beroep is ingesteld, opgemaakt, terwijl de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond. De verdachte is door dit verzuim in zijn belangen geschaad. Het door het verzuim van de rechtbank veroorzaakte nadeel moet in de strafmaat worden gecompenseerd.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof heeft in de zaak tegen verdachte een zogenaamde rolzitting gehouden ter terechtzitting van 17 september 1999, waarna de zaak inhoudelijk is behandeld op meerdere terechtzittingen.

De rechtbank te Haarlem heeft in de zaak op 8 februari 1999 verkort vonnis gewezen. De verdachte is tegen deze uitspraak op 8 februari 1999 en het openbaar ministerie op 22 februari 1999 in hoger beroep gekomen. De verdachte bevond zich toen en ook nu nog in voorlopige hechtenis.

De aanvulling op het vonnis in de zin van artikel 365a Wetboek van Strafvordering is gedateerd 18 augustus 1999 en het dossier is bij het gerechtshof binnengekomen op 26 augustus 1999.

Uit het vorenstaande volgt dat de in artikel 365a, derde lid, Wetboek van Strafvordering neergelegde termijn van drie maanden door de rechtbank niet is nageleefd.

De wet stelt geen sanctie op niet-nakoming van het bepaalde in artikel 365a, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Dit neemt niet weg dat in extreme gevallen niet-nakoming van deze bepaling kan leiden tot onredelijke vertraging en mitsdien tot schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

De onderhavige strafzaak maakt deel uit van een groot aantal samenhangende zaken (…-zaak), die in eerste aanleg door de rechtbank zijn berecht en waartegen in een achttal zaken hoger beroep is ingesteld. In de drie door de rechtbank laatst behandelde zaken is eindvonnis gewezen op 27 april 1999 en in die zaken is hoger beroep ingesteld.

Uit het oogpunt van doelmatigheid is het aanvaardbaar dat de rechtbank het gereedmaken van de stukken ter verzending aan het hof in alle zaken, waarin hoger beroep is ingesteld, heeft willen combineren zodat daarmee in de onderhavige zaak vertraging is opgelopen.

Onder deze bijzondere omstandigheid kan niet worden gezegd dat daardoor de behandeling van de onderhavige zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het strafmaatverweer wordt mitsdien verworpen.

Alle omstandigheden in aanmerking nemende, acht het hof, alle omstandigheden in aanmerking nemende, oplegging van een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63 en 140 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep -voor zover aan zijn oordeel onderworpen- en doet in zoverre opnieuw recht.

Het hof:

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 tenlastegelegde feiten zoals hierboven omschreven heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

7 (ZEVEN) JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Krikke, Steenbergen en Nuis, in tegenwoordigheid van mr. Hardonk-Kruiswijk en Nagtegaal als griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 januari 2000.