Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AD8658

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2000
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-003653-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afpersing (meermalen gepleegd) en diefstal met geweld (totaal 4 winkelovervallen). Wapen van categorie II (busje traangas) voorhanden gehad.

6 jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003653-99

datum uitspraak 23 oktober 2000

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 9 november 1999 in de strafzaak onder parketnummer 13/127216-98 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [...] 1969,

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Schouw, 1096 AN Amsterdam, Wenkebachweg 48.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 oktober 1999 en in hoger beroep van 1 mei 2000 en 9 oktober 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd, zoals is aangegeven op de aan dit arrest als bijlage gehechte - gestreepte - kopie van de tenlastelegging. De inhoud geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders onder 1, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde levert op:

afpersing, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden

en gemakkelijk te maken

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en

munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen categorie II.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregel

1. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek en onttrekking aan het verkeer. Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot acht jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer dan wel teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen op dezelfde wijze als door de rechtbank beslist. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] zal worden toegewezen tot een bedrag van ƒ 1.109,64.

2. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

3. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

4. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier winkelovervallen die gepaard zijn gegaan met door de verdachte geuite bedreigingen met geweld tegen personen. Bovendien heeft hij daarbij in twee gevallen een of meer slachtoffers gedwongen een of meer persoonlijke eigendommen af te geven, waarbij hij gebruik maakte van een op een schietwapen gelijkend zilverkleurig voorwerp. Zulke misdrijven veroorzaken bij de slachtoffers daarvan gevoelens van onveiligheid en brengen in de samenleving grote onrust teweeg.

5. Op deze vier ernstige feiten, die in een betrekkelijke korte tijd na elkaar zijn begaan, behoort, naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur, in de orde van grootte van de door de rechtbank opgelegde straf, niet alleen ter genoegdoening aan de slachtoffers, omdat de ervaring heeft geleerd dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden, maar ook teneinde te bewerkstelligen dat de verdachte wordt afgehouden van het begaan van feiten als die waarvan hij thans wordt veroordeeld.

Opmerking hierbij verdient dat ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat hij in het bezit was van een busje traangas. Dit is op zichzelf ongeoorloofd, doch zulks heeft geen overwegende rol gespeeld bij de bepaling van de duur van deze gevangenisstraf.

6. Zoals blijkt uit het uittreksel uit het Documentatieregister betreffende verdachte van 28 september 2000 is de verdachte reeds eerder veroordeeld terzake van soortgelijke gewelddadige vermogensdelicten. Bovendien heeft verdachte het bewezenverklaarde begaan binnen een aan hem, bij de berechting van een eerder begaan strafbaar feit opgelegde proeftijd. Dit zijn strafverzwarende omstandigheden die ertoe zullen leiden dat door de advocaat-generaal gevorderde acht jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf zouden moeten worden opgelegd.

7. Daar komen bij de bevindingen van de psycholoog drs. J.M. Oudejans, die over de verdachte een psychologisch rapport (gedateerd 23 augustus 2000) heeft opgemaakt. Hij concludeert naar aanleiding van zijn onderzoek dat:

de verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, te weten een persoonlijkheidsstoornis met voornamelijk anti-sociale trekken;

daarvan ook sprake was ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde (het hof leest: de ten laste gelegde feiten);

over de mate waarin de signaleerde persoonlijkheidsstoornis de gedragkeuze heeft beïnvloed geen uitspraken zijn te doen in verband met verdachtes opstelling ten opzichte van de hem tenlastegelegde feiten;

tenslotte geconcludeerd kan worden dat de tenlastegelegde feiten onderzochte volledig kunnen worden toegerekend.

8. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich kan vinden in de bevindingen van de psycholoog. Daarbij voegt zich het rapport met betrekking tot de persoon van de verdachte van 21 april 1995 opgesteld door de klinisch psycholoog dr. J.J. Baneke. Het hof kan zich vinden in de conclusies van de deskundigen en neemt deze over. Dat brengt met zich dat voor strafmitigering geen plaats is, nu de feiten de verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

9. Gelet echter op de omstandigheid dat de officier van justitie niet geappelleerd heeft tegen het vonnis van de rechtbank, vindt het hof in dit geval geen termen om de door de rechtbank getrokken bovengrens van zes jaren te overschrijden.

10. Voor verlaging van deze bovengrens is echter geen aanleiding, ook al verklaart het hof minder bewezen dan de rechtbank heeft gedaan, omdat, zoals het hiervoor al heeft aangegeven, eerder zou moeten worden gedacht aan een zwaardere straf dan zes jaren, waartoe het hof echter niet, om bovengenoemde redenen, zou willen overgaan. Alles tezamen genomen acht het hof derhalve een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden.

11. De inbeslaggenomen voorwerpen, welke bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en waarvan

verdachte heeft ontkend dat zij aan hem toebehoren, te weten:

1. een zilveren speelgoedrevolver, met een bruin handvat,

2. een plastic zak voorzien van het opschrift Sterk avondwinkel,

3. een muts met twee gaten,

4. een zwarte badstof sok,

5. een zwarte handschoen,

6. een drie patronen, koperkleurig, grijze kop

7. een huls

8. een bon

9. een witte plastic zak

dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen, die een gezamenlijkheid van goederen vormen, zijn bestemd tot het begaan van onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten terwijl niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij toebehoren.

12. Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: zwart traangasbusje KO GAS 5001, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 5 bewezenverklaarde is begaan en dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33a, 36b, 36c, 36d, 57, 310, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering tot vergoeding van geleden schade tot een bedrag van ¦ 75.359,64 ingediend.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep betwist.

Het hof zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering tot vergoeding van geleden schade terzake van het onder 4 tenlastegelegde feit, nu deze niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd:

1. een plastic zak voorzien van het opschrift Sterk avondwinkel

2. een muts met twee gaten

3. een zwarte badstof sok

4. een zwarte handschoen

5. zilveren speelgoedrevolver met een bruin handvat

6. drie patronen

7. een huls

8. een bon

9. een witte plastic zak

Verklaart ontrokken aan het verkeer:

een zwart traangasbusje KO GAS 5001

Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. zwarte riem

2. bril, Giorgio Armani plus een bruine brillenkoker

3. chavo huissleutel

4. twee grijze niet te definiëren goederen, lijkend op dopjes

5. rood ondergoed

6. blauwe trui LOGG

7. vale spijkerbroek

8. bruine Timberland schoenen

9. zwart bomberjack

10. AXA fietssleutel

Gelast de teruggave aan Vanillia van een videoband VHS

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet ontvankelijk in haar vordering.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs, H.L.C. Hermans, Den Ottolander en Haentjens, in tegenwoordigheid van Nous als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 oktober 2000.