Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AD8578

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2000
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-001751-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Vuurwapen en munitie van categorie III voorhanden gehad. Bezit van vals reisdocument. Bezit van vervalste reisdocumenten. Opzettelijk valse geschriften voorhanden hebben.

Verwerping verweer niet-ontvankelijkheid OM terzake feit 2 i.v.m. schending gelijkheidsbeginsel bij de vervolging.

4 jaar gevangenisstraf

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001751-99

datum uitspraak 3 november 2000

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 23 juni 1999 in de strafzaak onder parketnummer 13/018115-98 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] (Roemenië) 1968,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Huis van Bewaring De Compagnie en Zwaag te Zwaag.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 juni 1999 en in hoger beroep van 20 oktober 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet geheel verenigt.

Het beroep op strijd met het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte terzake van het onder 2 tenlastegelegde feit onderscheidenlijk dat tot strafvermindering dient te worden overgegaan. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie in strijd met het gelijkheidsbeginsel de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] niet vervolgt ter zake van deelname aan een criminele organisatie.

Hieromtrent overweegt het hof het volgende. Onder 2 is tenlastegelegd overtreding van artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De enkele omstandigheid dat verscheidene personen als deelnemer aan een criminele organisatie worden aangemerkt brengt nog geenszins mee dat van gelijkheid ten aanzien van strafrechtelijke verantwoordelijkheid sprake is. De enkele omstandigheid dat sommige van die deelnemers wel en andere niet worden vervolgd brengt daarom nog niet met zich mee dat is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ook overigens zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de officier van justitie in strijd met dit beginsel tot vervolging van verdachte is overgegaan.

Het betoog van de raadsvrouw van de verdachte faalt derhalve.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 1 april 1998 tot en met 5 oktober 1998 te Amsterdam en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens ondermeer [slachtoffer] en de minderjarige [slachtoffer] (geboren in 1981) en [slachtoffer] door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en door misleiding tot prostitutie heeft gebracht, bestaande dat misbruik en die handelingen hieruit dat verdachte en/of zijn mededader(s)

met betrekking tot die [slachtoffer] in de periode van 1 mei 1998 tot en met 21 september 1998 en met betrekking tot die [slachtoffer] in de periode van 1 april 1998 tot en met 5 oktober 1998 en met betrekking tot die [slachtoffer] in de periode van 1 april 1998 tot en met 5 oktober 1998

- die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] hebben medegedeeld dat zij voor verdachte en zijn mededader(s) moesten werken in de prostitutie en (een deel van) het verdiende geld aan verdachte en zijn mededader(s) moesten afgeven om (ondermeer) een schuld, ontstaan door de reis naar Nederland en het verblijf alhier in Nederland en de kosten die gemaakt zouden zijn voor het regelen van valse identiteitsbewijzen en een verblijfsvergunning en kosten gemaakt ten behoeve van het aanschaffen van werkkleding, af te lossen en

- die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] hebben gebracht naar en opgehaald van de plaats waar prostitutie werd bedreven en

- die [slachtoffer] en die [slachtoffer] hebben voorgespiegeld dat zij in een bar of restaurant konden werken en

- die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] hebben voorzien van lingerie en

- (een gedeelte van) het door die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] verdiende geld hebben opgehaald en geïnd en

- die [slachtoffer] hebben gedwongen om 7 dagen per week minimaal 12 uur per dag in de prostitutie voor hem, verdachte, en zijn mededaders te werken en

- die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] op de plek waar prostitutie werd bedreven in de gaten hebben gehouden en

- die [slachtoffer] in een woning hebben opgesloten en die [slachtoffer] niet alleen naar buiten hebben laten gaan en

- die [slachtoffer] en die [slachtoffer] hebben gedwongen om tijdens de periode van ongesteldheid door te werken in de prostitutie en

- die [slachtoffer] hebben mishandeld en tegen [slachtoffer] hebben gezegd dat zij (die [slachtoffer]) speelde met het leven van haar zoon in Roemenië en

- tegen die [slachtoffer] hebben gezegd dat zij problemen zou krijgen met haar ouders en dat verdachte veel vrienden had in Amsterdam en

- die [slachtoffer] en die [slachtoffer] en die [slachtoffer] vanuit de machtspositie ontstaan door bovengenoemde handelingen, ertoe hebben gebracht zich aan de prostitutie over te geven;

EN

hij in de periode van 1 april 1998 tot en met 21 september 1998 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, telkens personen, genaamd [slachtoffer] en de minderjarige [slachtoffer] (geboren op 9 januari 1981) en [slachtoffer] heeft aangeworven met het oogmerk die personen in een ander land (in Nederland) in de prostitutie te brengen, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens voornoemde personen vanuit Roemenië geronseld en telkens per auto en/of boot en/of trein naar Amsterdam gebracht;

2. hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 5 oktober 1998 te Amsterdam en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een groep samenwerkende personen, welke groep bestond uit hem, verdachte en [medeverdachte] en [medeverdachte] en [medeverdachte], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk mensenhandel en fraude met betrekking tot reisdocumenten (strafbaar gesteld in artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht), zoals omschreven in feit 1 en feit 4 van de tenlastelegging;

3. hij op 5 oktober 1998 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een gasrevolver (merk Umarex, type Champion, kaliber 9 mm), en munitie van categorie III, te weten 4 gaspatronen (kaliber 9x17) en 2 scherpe patronen (kaliber 7.65 mm) en 6 scherpe patronen (kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad;

4. hij op 5 oktober 1998 te Amsterdam in het pand [adres] in het bezit was van reisdocumenten, te weten:

a) een blauw Hongaars paspoort ten name van [achternaam] en

b) een blauw Hongaars paspoort ten name van [achternaam] en

c) een blauw Hongaars paspoort ten name van [achternaam] en

d) een blauw Hongaars paspoort ten name van [achternaam] en

e) een blauw Hongaars paspoort ten name van [achternaam] en

f) een Europees identiteitsbewijs ten name van [achternaam] en

g) een Hongaars paspoort ten name van [achternaam] en

h) een Hongaars paspoort ten name van [achternaam]

waarvan hij, verdachte, wist dat die reisdocumenten vals of vervalst waren, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- de op de paspoorten als hierboven aangegeven onder a en b en c en d en e en g en h aangebrachte pasfoto’s niet de originele door de autoriteiten van Hongarije aangebrachte pasfoto’s waren en

- voornoemd identiteitsbewijs (als hierboven aangegeven onder f) qua kleur, basismateriaal, detaillering en gebruikte reproduktietechniek afweek ten opzichte van een origineel door de autoriteiten van Italië afgegeven identiteitskaart van dit model;

5. hij op 5 oktober 1998 te Amsterdam in het pand [adres] opzettelijk heeft voorhanden gehad een vals(e)

a) verblijfsvergunning van Spanje [nummer] en

b) nationaal rijbewijs van Roemenië [nummer]

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat

- voornoemde verblijfsvergunning (onder a aangegeven) qua kleur, lay-out, basismateriaal en gebruikte reproduktietechniek afwijkend was ten opzichte van een origineel, door de autoriteiten van Spanje afgegeven verblijfsvergunning van dit model en

- voornoemd rijbewijs (onder b aangegeven) qua kleur, lay-out en gebruikte reproduktietechniek afwijkend was ten opzichte van een origineel, door de autoriteiten van Roemenië afgegeven nationaal rijbewijs van dit model.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

Mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

ten aanzien van feit 4:

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is

en

in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is, meermalen gepleegd.

ten aanzien van feit 5:

Opzettelijk het valse geschrift, zoals bedoeld in artikel 225, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een organisatie die jonge, soms minderjarige, meisjes uit Oost-Europa misleidde en naar Nederland smokkelde, met het vooropgezette doel hen in de prostitutie te werk te stellen. Na aankomst in Nederland heeft verdachte deze vrouwen naar (raam)bordelen gebracht of doen brengen en vervolgens gedwongen haar verdiensten af te staan. Verdachte heeft de vrouwen voortdurend in de gaten gehouden en misbruik gemaakt van de kwetsbare, geïsoleerde positie waarin deze vrouwen in Nederland verkeerden. Verdachte heeft geen ander belang voor ogen gehad dan zijn eigen gewin.

Verdachte heeft een vuurwapen met munitie in zijn bezit gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.

Verdachte heeft een groot aantal valse en vervalste identiteitsbewijzen in zijn bezit gehad. Valse identiteitsbewijzen maken een deugdelijke identiteitscontrole onmogelijk en kunnen daardoor het plegen van andere strafbare feiten vergemakkelijken. Door het gebruik van vervalste reisdocumenten wordt het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in van overheidswege verstrekte identiteitsbewijzen geschonden.

Deze feiten rechtvaardigen een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur. In aanmerking van echter ook te nemen dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld.

Op grond van het vorenoverwogene acht het hof het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur aangewezen.

De onder de nummers 5, 8, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 31, 32, 33 en 34 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot die voorwerpen de feiten 3, 4 en 5 zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

Het hof zal met betrekking tot de onder de nummers 6, 7, 13, 18, 19, 20 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu ten aanzien van die voorwerpen thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

De overige voorwerpen, vermeld op voornoemde lijst, zullen aan verdachte worden teruggegeven.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 57, 140, 225, 231 en 250ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIER JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de onder de nummers 5, 8, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 31, 32, 33 en 34 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de onder de nummers 3, 4, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 35 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de onder de nummers 6, 7, 13, 18, 19, 20 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Willems, Westermann-van Rooyen en Schalken, in tegenwoordigheid van mr. Diepraam als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november 2000.

Mr. Westermann-van Rooyen en mr. Schalken zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.