Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AD8546

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-08-2000
Datum publicatie
11-04-2005
Zaaknummer
23-003650-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Opzettelijk aanwezig hebben van 181 MDMA-pillen. Opzettelijk aanwezig hebben van 849 gram hennep. Medeplegen opzettelijk uitvoeren van heroïne. Veroordeling tot 9 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003650-99

datum uitspraak 10 augustus 2000

verstek

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de meervoudige kamer in de arrondissementsrechtbank

te Amsterdam van 2 september 1999

in de strafzaak onder parketnummer 13/129260-98

tegen

[verdachte],

geboren te Rotterdam 1954,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 9, 11, 13 en 19 augustus 1999 en in hoger beroep van 11 juli en 27 juli 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte in eerste aanleg en de raadsman naar voren is gebracht.

Het verzoek tot terugwijzing naar de rechtbank

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juli 2000 opnieuw betoogd dat de zaak met toepassing van het bepaalde bij artikel 423 lid 2 Wetboek van Strafvordering – en de met betrekking tot dat artikel bestaande jurisprudentie – dient te worden teruggewezen naar de rechtbank. Daartoe heeft de verdediging - kort gezegd – wederom naar voren gebracht dat in eerste aanleg de wettelijke voorschriften met betrekking tot de wijziging van de tenlastelegging en de betekening daarvan niet zijn nageleefd.

Het hof heeft met betrekking tot - onder meer - dit, eveneens op 27 april 2000 ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde, verweer op 11 mei 2000 een tussenarrest gewezen. Het hof blijft bij hetgeen ter zake van dit verweer in het genoemde tussenarrest is overwogen en handhaaft ook overigens hetgeen in dat tussenarrest is overwogen en beslist, zowel ten aanzien van het primaire verzoek tot verwijzing als het subsidiaire verzoek tot het horen van getuigen op het punt van de betekeningskwestie.

De overwegingen dienaangaande dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Het hof handhaaft voorts hetgeen het daaromtrent in het proces-verbaal van de zitting van 11 juli 2000 heeft opgemerkt.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie nader omschreven en gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vorderingen tot nadere omschrijving en wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juli 2000 – onder verwijzing naar het verweer dat hij in eerste aanleg op dit punt heeft gevoerd - aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde nietig dient te worden verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer. De tenlastelegging is voldoende feitelijk omschreven en voldoet ook overigens aan de eisen, daaraan gesteld door artikel 261 Wetboek van Strafvordering.

De dagvaarding is derhalve geldig.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 27 juli 2000 aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging ten aanzien van de onder 1 en 4 genoemde feiten op de tenlastelegging. Daartoe voert de raadsman – kort gezegd - aan dat er ten aanzien van deze feiten sprake was van een gecontroleerde aflevering van een hoeveelheid heroïne door de politie, waarvoor geen toestemming door de Centrale Toetsings Commissie was gegeven. Daarnaast persisteert de raadsman bij het verzoek om de Engelse stukken die betrekking hebben op deze gecontroleerde uitvoer, aan het dossier toe te (laten) voegen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Slechts indien er sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van de goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan, dient dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te leiden.

Het enkele ontbreken van de toestemming van de Centrale Toetsings Commissie voor een gecontroleerde aflevering van een geringe hoeveelheid heroïne – gesteld dat een dergelijke toestemming volgens de desbetreffende interne richtlijnen van het openbaar ministerie nodig zou zijn – kan in het onderhavige geval niet leiden tot de slotsom dat daardoor aan het recht van verdachte op een eerlijke behandeling is tekort gedaan. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet gesteld of gebleken.

Het in dit verband door de verdediging herhaalde verzoek tot overlegging van de – kort gezegd – “Engelse stukken” wordt afgewezen op dezelfde gronden als vermeld in het tussenarrest van 11 mei 2000. Kennisneming van die stukken is niet van belang voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing.

Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk en voor toepassing van enige andere sanctie als bedoeld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering bestaat geen aanleiding.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

in de periode van 1 november 1997 tot en met 31 augustus 1998 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door [medeverdachte]. en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en anderen en tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het telkens opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van handelshoeveelheden heroïne en welke deelneming bestond uit het:

- maken en ontwikkelen van plannen om voornoemde misdrijven te plegen en/of

- doen inpakken van heroïne en/of

- het aanwezig zijn bij ontmoetingen en/of afspraken en/of

- plegen van (telefonisch) overleg en/of

- het geven van aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijven;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 13 oktober 1998 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 181 pillen bevattende MDMA;

ten aanzien van het onder 3 tenlastgelegde:

op 13 oktober 1998 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 849 gram hennep;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:

in de periode van 1 augustus 1998 tot en met 31 augustus 1998 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.

Hetgeen meer of anders onder 1, 2, 3 en 4 is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende langere tijd deelgenomen aan een misdadige organisatie, die zich bezighield met de in- en uitvoer van grote hoeveelheden heroïne. De heroïne was kennelijk, gezien de hoeveelheid, bestemd voor verdere verspreiding onder handelaren en verslaafden. Heroïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. Het gebruik van en de handel in verdovende middelen gaat bovendien veelal gepaard met vermogens- en andere vormen van criminaliteit.

Verdachte heeft tevens een voor verdere verspreiding geschikte hoeveelheid XTC-pillen en een grote hoeveelheid hennep voorhanden gehad.

Verdachte handelde kennelijk uit louter financieel gewin in allerhande verdovende middelen.

Uit een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 4 april 2000 blijkt dat verdachte reeds eerder meermalen is veroordeeld tot gevangenisstraffen, waaronder een langdurige gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet.

Het voorgaande in aanmerking genomen acht het hof oplegging van een langdurige gevangenisstraf als na te melden passend en geboden.

Zoals reeds voortvloeit uit hetgeen hiervoor onder het hoofdstuk “de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie” is overwogen bestaat er geen aanleiding voor toepassing van het bepaalde in artikel 359a lid 1, aanhef en

sub a Wetboek van Strafvordering.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van NEGEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de bij hem in beslag genomen administratie (nota’s, bankafschriften, documenten).

Beveelt de gevangenneming van verdachte, welke beslissing bij afzonderlijke beslissing is geminuteerd.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Bockwinkel, Schreuder en Van Altena, in tegenwoordigheid van mr. Van Stein Callenfels als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 augustus 2000.

Mrs. Bockwinkel en Van Altena zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.