Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AD8533

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2000
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-002901-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk invoeren van cocaïne.

4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002901-99

datum uitspraak 20 juni 2000

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Haarlem van 5 oktober 1999

in de strafzaak onder parketnummer 15/030698-99

tegen

[verdachte],

geboren te [...] (Ghana) 1975,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de P.I. Haarlem.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 21 september 1999 en in hoger beroep van 6 juni 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet geheel verenigt.

De bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

hij op 14 juni 1999 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en in de gemeente Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 8897 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de wet behorende lijst I, immers heeft verdachte opzettelijk:

- meermalen telefonisch contact gehad met mededader [mededader] en met mededader [mededader] en

- zich met mededader [mededader] begeven naar de luchthaven Schiphol en

- in een vrachtloods in gebruik bij de KLM samen met mededader [mededader] volgens afspraak contact gehad met mededader [mededader] met betrekking tot voornoemde cocaïne.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van invoer van een grote hoeveelheid cocaïne. Verdachte, net als zijn mededaders, was medewerker van KLM en in die hoedanigheid gewoonlijk werkzaam in de vrachtloods, waar de reguliere vracht met daarin verstopt de partij cocaïne werd verwerkt. Bij het invoeren van de cocaïne is door verdachte en zijn mededaders misbruik gemaakt van de voor hen toegankelijke computer- en andere faciliteiten die hen door hun werkgever werden geboden. Verdachte heeft bovendien voor zichzelf de risico’s willen beperken door een van zijn mededaders de partij cocaïne daadwerkelijk in ontvangst te laten nemen. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. Gelet op de door de verdachte ingevoerde hoeveelheid cocaïne moet deze bestemd zijn geweest voor de handel en verdere verspreiding onder dealers en gebruikers.

Gelet op het voorgaande is oplegging van de gevangenisstraf, zoals door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van 4 (VIER) JAREN en 6 (ZES) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Manen, Boersma en Veldhuisen, in tegenwoordigheid van mr. Van Iperen als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2000.

De griffier is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van .

De samenstelling van het gerechtshof is als volgt:

mr. , vice-president, voorzitter,

mrs. raadsheren.

en mr. als griffier.

Als advocaat-generaal fungeert mr.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter/oudste/jongste raadsheer spreekt het arrest.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.