Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AD8530

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-05-2000
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-001749-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen (als organisator) van gijzeling van achtjarige jongen voor losgeld van DM 1.500.000 (€ 766.937,82). Medeplegen voorhanden hebben van stroomstootwapen en vuurwapens.

Verwerping verweer dat getuigen met elkaar hebben afgesproken terug te komen op hun eerdere verklaringen en in strijd met de waarheid voor verdachte belastende verklaringen af te leggen.<>br>

9 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-001749-99

datum uitspraak 22 mei 2000

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van

de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 22 juni 1999 in de strafzaak onder parketnummer 13/077033-99 tegen

[verdachte],

geboren te [...] (Turkije) 1958,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Arnhem.

De omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van onderscheidenlijk de officier van justitie en de verdachte is blijkens mededeling ter terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 juni 1999 en in hoger beroep van 15 december 1999, 6 maart 2000 en 8 mei 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding onder 1 en 3. Van de dagvaarding is een kopie als bijlage I aan dit arrest gehecht. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen voor wat betreft het onder 1 en 3 ten laste gelegde.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis van de eerste rechter - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen omdat het zich daar niet mee verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 is ten laste gelegd, dat

1. Hij in de periode van 05 maart 1999 tot en met 9 maart 1999 te Amsterdam, Tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] (geboren 7 september 1990), wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk anderen, te weten ouders van die [slachtoffer], te dwingen een geldbedrag van 1,5 miljoen in Duitse marken, te overhandigen aan hem, verdachte en zijn mededaders, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders die [slachtoffer] in een bus geduwd en vervolgens tape over de mond van die [verdachte], geplakt en vervolgens die [verdachte] in een tas gestopt en vervolgens die [verdachte] naar een woning, gelegen aan de [adres] te Amsterdam, gebracht en vervolgens die [slachtoffer] met een ketting en sloten aan een bed geketend;

3. Hij in de periode van 1 augustus 1998 tot en met 9 maart 1999 te Amsterdam tezamen en invereniging met anderen, een wapen van categorie II, te weten een maginepistool, merk Fabrique Mational, kaliber 9 mm x 19 ato Luger, en wapens van categorie III, te weten:

1) een pistool, merk Arms Compagny Morgan, kaliber 9 mm Luger en

2) een pistool, merk Walther, kaliber 9 mm k. en

3) een pistool, merk Pietro Beretta, kaliber 6.35 mm

en daarbij voor die wapens geschikte minutie van categorie III,

te weten:

1) 87, althans een aantal scherpe patronen, kaliber 9 mm en

2) 8, althans een aantal scherpe patronen, kaliber 380 en

3) 19, althans een aantal scherpe patronen, kaliber 25 auto en

4) 4, althans een aantal scherpe patronen, kaliber 6.35 mm

en een wapen van categorie II onder 5, te weten een voorwerp waarmee door een electrische stroomstoot personen weerloos kunen worden gemaakt of pijn kan worden toegebacht, voorhanden hebben gehad;

Hetgeen onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft betoogd dat de getuigen [getuige] en [getuige] met elkaar hebben afgesproken terug te komen op hun eerdere verklaringen en in strijd met de waarheid voor de verdachte belastende verklaringen af te leggen. Zij hebben daartoe de gelegenheid gehad, aldus de raadsman, toen zij voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 15 december 1999 in afwachting van de behandeling van hun eigen strafzaken in hoger beroep in het cellenblok van het paleis van justitie verbleven.

Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

De enkele omstandigheid dat de getuigen [getuige] en [getuige] op enig moment in de gelegenheid zijn geweest met elkaar te spreken, rechtvaardigt niet de conclusie van de verdediging dat dit ertoe heeft geleid dat zij valse verklaringen hebben afgelegd voor zover deze belastend zijn voor de verdachte. De raadsman heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die zijn standpunt een begin van aannemelijkheid verschaffen. Zijn stelling dat de belastende verklaringen het resultaat zijn van het contact tussen de getuigen op 15 december 1999 bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, dient te worden verworpen.

Reeds op de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 1999 zijn brieven van de raadslieden van de getuigen aan de orde gesteld, ingekomen ter griffie van het hof op 13 december 1999, inhoudende dat de getuigen verklaringen willen afleggen die afwijken van de eerder door hen afgelegde verklaringen, met dien verstande dat zij de waarheid beloven te spreken zonder daarbij de verdachte te ontzien. Deze brieven zijn aanleiding geweest de zaak te verwijzen naar de rechter-commissaris tegenover wie de getuigen hun voor de verdachte belastende verklaringen hebben afgelegd. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de getuigen zijn overeengekomen op elkaar afgestemde verklaringen af te leggen die in strijd met de waarheid belastend zijn voor de verdachte.

Het hof heeft de voor de verdachte belastende verklaringen van [getuige] en [getuige] met de vereiste behoedzaamheid beoordeeld en bruikbaar bevonden voor het bewijs.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven op:

1 medeplegen van gijzeling;

3 medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd,

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot meer dan één vuurwapen van categorie III, en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van de feiten 1 en 3 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met verbeurdverklaring van inbeslaggenomen voorwerpen. De officier van justitie en de verdachte hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald

op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden

waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met anderen een jongen die toen acht jaar oud was, op klaarlichte dag op weg naar school ontvoerd en gevangen gehouden teneinde diens vader te bewegen een bedrag van 1.500.000 Duitse marken af te staan in ruil voor de invrijheidstelling van de jongen. Het slachtoffer is met een afgeplakte mond in een tas naar een woning vervoerd, alwaar hij geketend aan een bed een aantal dagen heeft doorgebracht.

Aldus hebben de verdachte en zijn mededaders om geldelijk gewin een jong kind blootgesteld aan een psychisch en fysiek zeer bedreigende situatie. Uit een door de psycholoog mw. drs. C.J.E. Punt op 3 juni 1999 opgemaakt rapport blijkt dat er aanwijzingen zijn dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis bij het slachtoffer, dat hij een aantal malen contact heeft gehad met een kinderpsychiater en dat geconti-nueerde begeleiding zeker geïndiceerd is. Een feit als het onderhavige pleegt ook zeer aangrijpend te zijn voor naaste familieleden van het slachtoffer.

In de woning waar het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd werd gehouden, hebben de verdachte en de mededaders een stroomstootwapen en een aantal vuurwapens met voor deze vuurwapens geschikte munitie voorhanden gehad. Hierdoor is een uiterst gevaarzettende situatie in het leven geroepen.

Nu de rechtsorde ernstig is geschokt door het handelen van verdachte en de mededaders, is een langdurige vrijheids-benemende straf gerechtvaardigd. Gelet op de organiserende rol die de verdachte heeft gespeeld bij de gijzeling, acht het hof een gevangenisstraf van negen jaar passend en geboden.

Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die een strafverminderende invloed uitoefenen.

De voorwerpen, vermeld onder de nummers 11, 12, 16, 17, 20, 33, 35, 38, 41 en 43 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen die als bijlage III aan dit arrest is gehecht, dienen te worden verbeurd verklaard. Met behulp van deze voorwerpen is het onder 1 bewezen verklaarde feit begaan. Voor zover deze voorwerpen niet aan de verdachte toebehoren, geldt dat niet is kunnen worden vastgesteld aan wie zij wel toebehoren.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 282a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hierboven

omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van NEGEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de voorwerpen, vermeld onder de nummers 11, 12, 16, 17, 20, 33, 35, 38, 41 en 43 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen die als bijlage III aan dit arrest is gehecht.

Gelast de teruggave van de voorwerpen, vermeld onder de nummers 27 en 28 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen die als bijlage III aan dit arrest is gehecht, aan [getuige].

Gelast de teruggave van de voorwerpen, vermeld onder de nummers 7 en 37 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen die als bijlage III aan dit arrest is gehecht, aan [getuige].

Gelast de teruggave van de overige voorwerpen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen die als bijlage III aan dit arrest is gehecht, aan de veroordeelde.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Lingen, Haentjens en Korvinus, in tegenwoordigheid van Van Gorp als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 mei 2000.

Mr. Korvinus is verhinderd dit arrest te ondertekenen.