Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AD8524

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2000
Datum publicatie
11-10-2004
Zaaknummer
23-002476-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van opzettelijk invoeren van heroïne (meermalen gepleegd) en deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verwerping verweer dat verklaringen op onrechtmatige wijze zijn verkregen.

5 jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002476-99

datum uitspraak 2 mei 2000

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 6 augustus 1999 in de strafzaak onder parketnummer 13-037639-98

tegen

[verdachte],

geboren te [...] (Turkije) op [...] 1975,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring De Schans te Amsterdam.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 juli 1999 en 23 juli 1999 en in hoger beroep van 18 april 2000.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

Behandeling van een ter terechtzitting gevoerd verweer

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de bekennende verklaringen van verdachte en van [medeverdachte], afgelegd bij de politie op 24 augustus 1998, van de bewijsvoering dienen te worden uitgesloten. De raadsman voert daartoe het volgende aan:

- de bedoelde verklaring van [medeverdachte] is op onrechtmatige wijze verkregen vanwege de ontoelaatbare druk die op haar is uitgeoefend, doordat haar de toezegging is gedaan dat zij zou worden vrijgelaten indien zij opening van zaken zou geven en haar rol in het geheel zeer gering zou zijn;

- de bedoelde verklaring van verdachte is op onrechtmatige wijze verkregen, nu bij het bedoelde verhoor van verdachte geen tolk in de Turkse taal aanwezig was, zodat hij de strekking van hetgeen de politie heeft gerelateerd niet heeft begrepen. Derhalve is gehandeld in strijd met artikel 6 van het EVRM en met het bepaalde in het Kamasinski arrest (EHRM 19 december 1989, NJ 1994,26), aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt:

Niet aannemelijk is geworden de stelling dat op verdachte en [medeverdachte] zodanige (psychische) druk is uitgeoefend dat niet gezegd kan worden dat zij hun verklaringen op 24 augustus 1998 in vrijheid hebben afgelegd. De stukken in het dossier, waaronder de verklaringen van de verbalisanten ter overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken inzake de door hen afgenomen verhoren op 24 augustus 1998, en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep waar de videoband van de confrontatie tussen verdachte en [medeverdachte] welke op 24 augustus 1998 heeft plaatsgevonden, is getoond, geven aan die stelling geen steun. De getoonde videobeelden laten zien dat [medeverdachte] geëmotioneerd is, dat zij verdachte vraagt opening van zaken te geven en dat zij hem na zijn weigering toeroept dat zij dat zelf zal doen indien hij hiertoe niet bereid is. Van de zijde van de verbalisanten is medegedeeld dat het uitgangspunt de bewaring van beide verdachten is maar dat, in overleg met de officier van justitie, schorsing voor [medeverdachte] gevraagd zal worden indien opening van zaken wordt gegeven en de rol van [medeverdachte] gering blijkt. Dat de zwangere [medeverdachte] de druk van de omstandigheden, waaraan de verbalisanten part nog deel hadden, als zwaar heeft ervaren laten de beelden genoegzaam zien. Geen aanknopingspunten zijn echter te vinden dat - anders dan de druk van de omstandigheden - door de verbalisanten op ontoelaatbare wijze (psychische) druk is uitgeoefend op verdachte en [medeverdachte] om een bekennende verklaring af te leggen. De verklaringen zijn derhalve op rechtmatige wijze verkregen.

De verklaring afgelegd door verdachte op 24 augustus 1998 - wat van de inhoud daarvan ook zij - zal het hof niet voor het bewijs bezigen omdat deze is afgelegd zonder bijstand van een tolk in de Turkse taal. Ook het proces-verbaal van bevindingen van dezelfde datum zal het hof bij de bewijsvoering buiten beschouwing laten, nu dat proces-verbaal kennelijk de neerslag vormt van een onderhoud met de verdachte dat eveneens zonder bijstand van een tolk in de Turkse taal heeft plaatsgevonden.

De bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. 2. en 3. is tenlastegelegd, met dien verstande dat

1. hij in de periode van 19 augustus 1998 tot en met 22 augustus 1998 te Amsterdam en te Harderwijk en op andere plaatsen in Nederland en in Turkije tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, mede als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 66 kilo van een materiaal bevattende heroïne, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk een Volkswagenbus met kenteken [kenteken], waarin die heroïne geborgen was, vanuit Turkije binnen het grondgebied van Nederland gebracht en heeft verdachte die heroïne overgepakt in twee koffers en afgeleverd op het adres [adres] te [plaats];

2. hij omstreeks december 1997 en omstreeks februari/maart 1998 te Amsterdam en op andere plaatsen in Nederland telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, mede als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid heroïne, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens opzettelijk een auto (een oranje Volkswagenbusje), waarin telkens die heroïne geborgen was, vanuit Turkije binnen het grondgebied van Nederland gebracht en die heroïne telkens afgeleverd op het adres [adres] te [plaats]

3. hij in de periode van 1 augustus 1997 tot en met 22 augustus 1998 te Amsterdam en elders in Nederland en in Turkije, heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door hem, verdachte, en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet en

- het telkens opzettelijk verkopen en/of verstrekken en/of afleveren en/of vervoeren en/of opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden van een materiaal bevattende heroïne, welke deelneming bestond uit het meedoen aan genoemde misdrijven en het uit de opbrengst van voornoemde misdrijven voordeel trekken en uit het voorhanden hebben van geldbedragen welke verkregen waren door voornoemde misdrijven en uit het verrichten van hand- en spandiensten.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1. en 2. bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 3. bewezenverklaarde levert op:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest en tot een geldboete van f 50.000,=, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 180 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een misdadige organisatie, die zich op systematische en professionele wijze in Nederland en in het buitenland bezig heeft gehouden met het plegen van misdrijven, met name het invoeren in Nederland van hoeveelheden heroïne en de distributie in Nederland van die heroïne. Verdachte bekleedde in deze organisatie een uitvoerende rol, namelijk als degene die de heroïne, in een daartoe speciaal verbouwde bus, van Turkije naar Nederland vervoerde.

In dat verband heeft verdachte samen met zijn mededaders een transport van 66 kilo heroïne verzorgd vanuit Turkije naar Nederland. Verdachte is met zijn familie met een Volkswagenbus vanuit Turkije naar Nederland gereden. In die Volkswagenbus was van te voren een geheime bergplaats ingebouwd en daarin werden de 66 kilo heroïne verborgen. Tevens heeft hij een dergelijk transport van heroïne tweemaal eerder verzorgd. Tevoren werd afgesproken waar verdachte de ingevoerde heroïne moest afleveren en er werden afspraken gemaakt met betrekking tot de door verdachte te ontvangen beloning voor de transporten. De verdachte heeft kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld. Behalve de speciaal verbouwde Volkswagen Transporter is bij verdachte een BMW cabrio aangetroffen die hem in eigendom toebehoort en waarin eveneens een geheime bergplaats was ingebouwd.

Heroïne vormt een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het gebruik daarvan en de handel daarin zijn ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport d.d. 16 februari 1999 en de door verdachte opgestelde brief d.d. 5 januari 2000.

Tevens heeft het hof gelet op een verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 6 maart 2000, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van het plegen van misdrijven is veroordeeld.

Het voorgaande overwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals in eerste aanleg door de rechtbank opgelegd alleszins passend en geboden. Anders dan door de advocaat-generaal gevorderd vindt het hof geen aanleiding om tevens een geldboete op te leggen.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een sleutelbos van een Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] (nummer 1 op de als bijlage 1 aangehechte beslaglijst);

- de sleutels van een Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken], welke sleutels zich bevinden aan de sleutelbos genoemd onder nummer 2 op de als bijlage 1 aangehechte beslaglijst, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien de sleutels behoren bij de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] en met behulp van die Volkswagen Transporter het onder 1. bewezenverklaarde feit is begaan. Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met het algemeen belang.

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

- een sleutelbos van een gele BMW met kenteken [kenteken] (nummer 3 op de als bijlage 1 aangehechte beslaglijst),

die aan de verdachte toebehoort en die bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan hij wordt verdacht is aangetroffen, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien die sleutelbos behoort bij een BMW met kenteken [kenteken], en deze BMW - waarin een geheime bergplaats is ingebouwd - kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Het ongecontroleerde bezit van de daarbij behorende sleutelbos is in strijd met het algemeen belang.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1. 2. en 3. tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. 2. en 3. meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (VIJF) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een sleutelbos van een Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] (nummer 1 op de als bijlage 1 aangehechte beslaglijst);

- de sleutels van een Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken], welke sleutels zich bevinden aan de sleutelbos genoemd onder nummer 2 op de als bijlage 1 aangehechte beslaglijst;

- een sleutelbos van een gele BMW met kenteken [kenteken] (nummer 3 op de als bijlage 1 aangehechte beslaglijst).

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van een kentekenbewijs, zijnde deel I, II, kopie deel III, gr.kaart.keuringsbewijs (nummer 51 op de als bijlage 1 aangehechte beslaglijst).

Gelast de teruggave aan verdachte van de resterende op de als bijlage 1 aangehechte beslaglijst vermelde goederen.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Bockwinkel, Van Altena en Nuis, in tegenwoordigheid van mr. Kubbinga als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 mei 2000.