Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AD3506

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
13-09-2001
Zaaknummer
99/00211
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 1996 zijn bestaande hypothecaire lening met ¦ 30.000 verhoogd. Hof acht niet aannemelijk gemaakt dat de verhoging van de lening is bestemd voor onderhoud of verbetering van de eigen woning van belanghebbende in 1997. De voor de berekening van de rentevrijstelling op deze lening betrekking hebbende rente is gesaldeerd met de in 1997 ontvangen rente. Ook beroep op vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-1787

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES -VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur, gedagtekend 5 januari 1999, inzake de aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 1997.

Het beroep is behandeld op de zitting van 12 mei 2000.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 65.132. In deze aangifte is een aftrekpost eigen woning begrepen van ƒ 10.831 (ƒ 10.295 betaalde hypotheekrente en ƒ 536 taxatiekosten). De taxatiekosten en een deel van de betaalde hypotheekrente hebben betrekking op een verhoging van de bestaande hypothecaire lening met ƒ 30.000 in 1996.

2. Volgens een toelichting bij de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverze-keringen 1996 heeft belanghebbende deze extra lening (hierna: de lening) in 1996 afgesloten met de bedoeling er de studiekosten van zijn zoon mee te betalen. Belanghebbende heeft het bedrag van ƒ 30.000 op een spaarrekening gezet. Belanghebbende heeft verklaard dat hij met dit geld in de jaren 1997 tot en met 1999 kosten van huisonderhoud en huisinrichting heeft betaald, volgens door hem ter zitting overgelegde overzichten ongeveer ƒ 12.000 in totaal. De rest van het geld is volgens belanghebbende bestemd voor een in het jaar 2000 geplande verbouwing. Belanghebbende heeft de met het afsluiten van de lening verband houdende kosten in zijn aangifte 1996 opgevoerd als kosten van schulden in verband met de eigen woning, hetgeen door de inspecteur niet is gecorrigeerd.

3. Belanghebbende heeft in 1997 een bedrag van ƒ 1.423 aan rente ontvangen dat volgens de aangifte onder de rentevrijstelling valt.

4. Vanaf september 1997 heeft belanghebbendes zoon recht op studiefinanciering. Bij zijn aangifte 1997 heeft belanghebbende verklaard dat de lening bestemd was voor onderhoud en verbetering van zijn woning. Desgevraagd heeft gemachtigde ter zitting verklaard dat de verhoging van de hypothecaire lening in 1996 bestemd was voor de financiering van de studie van belanghebbendes zoon, maar dat deze bestemming is gewijzigd in een bestemming voor de verbetering en het onderhoud van de woning toen de zoon voor studiefinanciering in aanmerking kwam.

5. Bij het vaststellen van de aanslag 1997 heeft de inspecteur een bedrag van ƒ 2.130 (7,1 % van ƒ 30.000) niet aangemerkt als aftrekpost eigen woning maar als rente van schulden, omdat hij niet aannemelijk acht dat de lening is aangegaan voor verbetering of onderhoud van belanghebbendes huis. Door de saldering van de rente van schulden met de ontvangen rente ad ƒ 1.423 is de rentevrijstelling vervallen.

6. In geschil is de onder 5 genoemde correctie van de rentevrijstelling en de hieruit voortvloeiende verhoging van de drempel voor de uitgaven ter zake van ziekte.

7. Volgens artikel 42b, vijfde lid van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dat in werking is getreden vanaf 1 januari 1997, is rente betaald op een hypothecaire lening die is bestemd voor verbetering of onderhoud van de eigen woning voor de berekening van de rentevrijstelling slechts van saldering met ontvangen rente uitgesloten, voor zover de verbetering of het onderhoud met schriftelijke bescheiden worden gestaafd.

8. Zo al aannemelijk moet worden geacht dat de lening vanaf september 1997 niet meer bestemd was voor betaling van de studiekosten van belanghebbendes zoon, zoals belanghebbende heeft gesteld, welke stelling - gelet op het navolgende oordeel - in het midden kan blijven, volgt daaruit nog niet dat de verhoging van de hypothecaire lening vanaf dat moment bestemd is voor de verbetering of het onderhoud van de eigen woning. Teneinde dit verband te staven heeft belang-hebbende verwezen naar de overzichten als vermeld onder 2. Uit deze overzichten blijkt dat de vanaf september tot en met december 1997 voor onderhoud van het huis gedane uitgaven circa ƒ 530 bedroegen. Gelet op de geringe omvang van dit bedrag, waarvan overigens - ter staving - ook geen onderliggende bescheiden zijn overgelegd, acht het Hof het 'bestemd zijn' van de verhoging van de hypothecaire lening ten behoeve van het onderhoud dan wel de verbetering van de eigen woning voor het onderhavige jaar niet op de vereiste wijze door belanghebbende gestaafd. Hieruit volgt dat voor de berekening van de rentevrijstelling de in 1997 op de lening betaalde rente terecht gesaldeerd is met de in 1997 ontvangen rente.

9. Belanghebbende beroept zich voorts op gewekt vertrouwen, omdat de inspecteur tot 31 december 1995 een soepel beleid zou hebben gehanteerd en omdat de inspecteur de in 1997 aangebrachte splitsing van de door belanghebbende betaalde hypotheekrente bij het opleggen van de aanslag over 1996 niet heeft toegepast. Deze stellingen falen evenwel, omdat, zoals de inspecteur heeft betoogd, de in geschil zijnde correctie voortvloeit uit de met ingang van 1997 gewijzigde wet, als vermeld onder 7. Voorzover al kan worden aangenomen dat door de belastingdienst ter zake van de toepassing van de onder 7 genoemde wetswijziging een soepel standpunt is - dan wel zou worden - ingenomen, betreft dit naar het oordeel van het Hof niet leningen dan wel uitbreidingen van leningen die, zoals in het onderhavige geval, in 1996 zijn totstandgekomen.

10. Uit het voorgaande volgt dat het gelijk aan de inspecteur is.

11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

De uitspraak is gedaan op 26 mei 2000 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht f 150.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.