Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA9220

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/2914
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, afkomstig van Ghana, brengt f 4.950 in aftrek ter zake van - naar hij stelt - zijn in Ghana woonachtige zoon (geboren 22 oktober 1988). Het Hof verwerpt het beroep op aftrek ingevolge art. 45, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Wet IB 1964, omdat belanghebbende niet aannemelijk maakt dat tussen hem en de ondersteunde sprake is van een relatie als bedoeld in voornoemde bepaling. Het Hof acht de in aftrek gebrachte kosten ook niet aftrekbaar op grond van art. 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, van de Wet IB 1964, omdat belanghebbende niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat hij tot het verstrekken van ondersteuning gehouden was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2914

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur, gedagtekend 31 augustus 1999, betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksver-zekeringen over het jaar 1997.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 september 2000.

BESLISSING

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

GRONDEN

1. Belanghebbende, afkomstig uit Ghana en geboren 16 juli 1964, heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ƒ 4.950 als buitengewone lasten in aanmerking genomen ter zake van de kosten van levensonderhoud van - zoals belanghebbende stelt - zijn zoon A, geboren 22 oktober 1988. In het beroepschrift is vermeld dat Jesse een natuurlijk niet-erkend kind van belanghebbende is, en dat hij in Ghana bij zijn oma van moederskant woont.

2. De inspecteur heeft het bedrag van in totaal ƒ 4.950 dat in kleinere eenheden op verschillende tijdstippen naar diverse personen in Ghana is overgemaakt, niet in aftrek toegestaan.

3. Op 13 april 1999 schrijft belanghebbende onder meer het volgende aan de inspecteur:

"Ik ben naar de SVB (...) gegaan om een brief aan te vragen waarin blijk dat ik geen kinderbijslag krijg (...). Ik heb aanvraag formulier (...) gekregen en ingevuld (...), maar ik moet nog het geboorte acte van mij kind laten legaliseren bij Nederlandse Consulaat in Accra. het geboorte acte is naar de consulaat gestuurd (...) dus ik moet nog afwachten. Zodra ik het geboorte acte van mij kind krijg, dan kan ik wel mij aanvraag indienen bij SVB."

4. In een brief van 13 augustus 1999 aan belanghebbende afkomstig van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Accra (Ghana) is onder meer het volgende vermeld:

"Re Application for Legalisation on behalf of A, date of birth 22.10.88

I herewith confirm receipt of your request for legalisation of a document(s) under filenumber 990605.

Please note that the verification procedure might take up to three months, due to local circumstances."

5. Bij het beroepschrift is een verklaring gevoegd van 7 oktober 1999 welke onder meer als volgt luidt:

"I, MADAM B of (...) Mamprobi-Accra, in the Greater Accra Region of Republic of Ghana do solembly and sincerely declare as follows:-

That I am the Declarant herein and a Ghanaian by birth and Nationality.

That A is my grandson and his father is Mr. X who is currently residing in Holland.

That I am the Grandmother A, I am taking care of him while his father is in Holland.

That his father X has been remiting me at all times upkeeping of his son A."

5. Belanghebbende heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ondersteuning van zijn zoon ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de inkomsten-belasting 1964 (hierna: de Wet) als persoonlijke verplichting aftrekbaar is. In dit verband wijst belanghebbende onder meer op het bepaalde in artikel 394, Boek 1, BW. Ter zitting heeft de gemachtigde hieraan toegevoegd dat belanghebbende Jesse als zijn kind naar Ghanees recht heeft erkend.

6. De inspecteur heeft bestreden dat belanghebbende de natuurlijke vader is van Jesse. Ter zitting heeft de inspecteur hieraan toegevoegd dat jegens belanghebbende geen vordering tot het doen van betalingen op grond van artikel 394, Boek 1, BW is ingesteld, en dat er ook geen overeenkomst is die dergelijke betalingen tot gevolg heeft. Voorts heeft de inspecteur gesteld dat de voor periodieke uitkeringen en verstrekkingen vereiste periodiciteit ontbreekt.

7. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet gelden periodieke uitkeringen en verstrekkingen als zijn bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet als persoonlijke verplichtingen. In artikel 30, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet zijn de niet als winst uit onderneming, als winst uit aanmerkelijk belang of als inkomsten uit arbeid aan te merken periodieke uitkeringen en verstrekkingen welke rechtstreeks voortvloeien uit het familierecht aangemerkt als inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Hiervan zijn evenwel periodieke uitkeringen en verstrekkingen die afkomstig zijn van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn uitgezonderd. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat tussen hem en A sprake is van een relatie die op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet kwalificeert voor belastbaarheid van de in die bepaling bedoelde inkomsten. In het bijzonder is tegenover de betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende op grond van het gestelde in artikel 394, Boek 1, BW, dan wel op grond van een met artikel 394, Boek 1, BW vergelijkbare bepaling, gehouden is tot het onderhouden van A. In dit verband is ook van belang dat artikel 394, Boek 1, BW betrekking heeft op de verplichting tot onderhoud van een natuurlijk, niet erkend kind. De stelling dat belanghebbende uit hoofde van deze dan wel een daarmee vergelijkbare bepaling verplicht is tot het onderhouden van de ondersteunde is niet goed te rijmen met de verklaring van gemachtigde ter zitting, inhoudende dat belanghebbende de ondersteunde naar Ghanees recht heeft erkend.

8. Belanghebbende heeft subsidiair gesteld dat op grond van artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 1°, van de Wet ƒ 2.700 aftrekbaar is als buitengewone last. De inspecteur heeft deze aftrekpost niet aanvaard. De inspecteur heeft onder meer gesteld dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat A zijn eigen kind of pleegkind is als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1°, van de Wet in verbinding met artikel 9, eerste lid, Uitvoeringsbeschikking inkomstenbelasting 1990.

9. Het Hof verstaat het standpunt van de inspecteur aldus, dat belanghebbende beoordeeld naar Nederlands recht dan wel op grond van een met het ter zake geldende Nederlandse recht vergelijkbare bepaling gehouden is tot het verstrekken van ondersteuning aan het ondersteunde kind. Naar het oordeel van het Hof ligt het in eerste instantie op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij gehouden is tot het verstrekken van die ondersteuning. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende hierin niet geslaagd. De onder 5 aangehaalde verklaring acht het Hof in dit verband niet voldoende als bewijs. Een kopie van een geboorte-akte is niet overgelegd, zo al uit een dergelijke akte zonder meer zou zijn af te leiden dat sprake is van een kind waarvoor op belanghebbende een zorg- dan wel onderhoudsverplichting rust.

10. Dat belanghebbende in 1999 een document betreffende de geboorte van A heeft toegezonden aan de Nederlandse ambassade te Accra (Ghana) doet aan het overwogene onder 9 niet af. Bezien in het licht van de onder 4 aangehaalde brief mag er, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan niet is gebleken, van worden uitgegaan dat belanghebbende in de loop van 1999 weer de beschikking heeft gekregen over het betreffende document, al dan niet voorzien van nadere verklaringen van de Nederlandse ambassade te Accra (Ghana). Gelet op deze omstandigheid, en veronderstellende dat belanghebbende daarmee zijn standpunt kan ondersteunen, is niet in te zien waarom belanghebbende evenbedoeld document niet heeft overgelegd.

11. Het Hof komt tot de conclusie dat de naar diverse personen in Ghana overgemaakte bedragen van in totaal ƒ 4.950 niet aftrekbaar zijn als buitengewone last. De stelling van de inspecteur dat deze bedragen niet kunnen worden aangemerkt als zijnde betaald ten behoeve van de ondersteunde, behoeft verder geen behandeling.

12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 29 september 2000 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door voornoemd lid en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is griffierecht verschuldigd. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.