Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA9219

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/2843
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een stichting, exploiteert een in 1910 gebouwde salonboot. De inspecteur stelt dat de stichting een onderneming drijft en derhalve in het jaar 1995 aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen. Het schip wordt ter beschikking gesteld aan sponsors. Voorts verzorgt belanghebbende de catering aan boord. In de jaren 1995 - 1997 heeft belanghebbende een positief bedrijfsresultaat behaald. De kosten van de restauratie van het schip kunnen - in het kader van de beoordeling van de belastingplicht - niet op de bedrijfsresul-taten in mindering worden gebracht op het moment dat die kosten worden gemaakt. Naar het oordeel van het Hof drijft belanghebbende een onderneming en is zij belastingplichtig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/56
V-N 2001/9.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2843

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de Stichting X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 3 september 1999, ingediend door mr. A (Belastingadviesbureau Mr. A) te Q als haar gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur met dagtekening 11 augustus 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting over 1995.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar bedrag van

ƒ 46.022, met een boete van ƒ 920 in verband met het niet binnen de daarvoor geldende termijn doen van de aangifte vennootschapsbelasting, en met ƒ 13 aan heffingsrente. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar tegen de aanslag afgewezen.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 27 juni 2000 zijn verschenen en gehoord B, penningmeester van belanghebbende, alsmede C, secretaris van belanghebbende, D, directeur exploitatie boot, E, loonadministrateur, F en voornoemde gemachtigde, alsmede de inspecteur. Namens belanghebbende is een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. Van de bij de pleitnota van gemachtigde gevoegde bijlagen heeft de inspecteur kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, een stichting opgericht bij notariële akte verleden op 17 maart 1995, heeft in 1995 de restanten van een zogenoemde salonboot uit 1910 aangeschaft, het ms. Y. Na een volledige restauratie in de periode 1995-1996 is de Y op 21 juni 1996 weer in de vaart genomen. De kosten van de restauratie bedroegen ongeveer ƒ 143.000. Deze kosten zijn als actiefpost op de balans van belanghebbende verantwoord. Per 31 december 1996 bedraagt de balanspost ‘Voortbrengingskosten schip’ ƒ 140.794,56.

2.2. De oprichtingsakte van belanghebbende vermeldt onder meer het volgende:

"DEFINITIES

ARTIKEL 1.

Waar in deze statuten gesproken wordt van:

(...)

b. "het schip" wordt bedoeld het stalen motorjacht Y (...);

c. "deelgerechtigde" wordt bedoeld een natuurlijk persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de stichting op basis van door de stichting gehanteerde administratievoorwaarden het schip verkrijgt en exploiteert;

d. "participatiebewijs" wordt bedoeld het aan een deelgerechtigde uitgegeven bewijs van deelgerechtigdheid;

e. "participatiebewijs A" wordt bedoeld een niet vrij verhandelbaar participatiebewijs op naam uitgegeven aan een deelgerechtigde waaraan stemrecht is verbonden;

f. "participatiebewijs B" wordt bedoeld een niet verhandelbaar participatiebewijs op naam uitgegeven aan een deelgerechtigde waaraan geen stemrecht is verbonden;

(...)

ARTIKEL 3.

Het doel van de stichting is het bevorderen van de belangstelling voor, en het in de vaart brengen en houden van historische schepen en het waarnemen van de belangen van deelgerechtigden van het door de stichting voor rekening van de deelgerechtigden gehouden schip.

ARTIKEL 4.

De stichting tracht haar doel te verwezenlijken door het aankopen en restaureren van het schip voor rekening van de deelgerechtigden, het administreren van dat schip en van de eventueel daaruit voortvloeiende revenuen alsmede het verdelen daarvan onder de betrokken deelgerechtigden, zomede het verrichten van alle overige handelingen, welke het doel van de stichting kunnen bevorderen.

(...)

ARTIKEL 6.

(...)

2. Bestuursleden worden benoemd door de vergadering van deelgerechtigden (...)

VERGADERING VAN DEELGERECHTIGDEN

ARTIKEL 12.

1. De stichting kent een vergadering van deelgerechtigden die wordt gevormd door de deelgerechtigden tezamen. (...)"

2.3. Op de balans van belanghebbende zijn de volgende bedragen opgenomen als bijdragen afkomstig van deelgerechtigden:

Balansdatum Deelgerechtigden A Deelgerechtigden B Totaal

31 december 1995 ƒ 6.100 ƒ 14.500 ƒ 20.600

31 december 1996 6.100 15.910 22.010

31 december 1997 6.100 15.960 22.060

31 december 1998 6.100 15.960 22.060

2.4. Door middel van een folder heeft belanghebbende sponsors aangezocht. De tekst van deze folder luidt onder meer als volgt:

"Het begon...1910, op een scheepswerf in R. Specifiek vakmanschap levert naar een uniek ontwerp één van de grootste salonboten af. 13.50 meter lang, 2.50 breed en met een salon van 5 meter. Een klipperkop en een overhangend hek (een zogeheten geveegde kont) (...). Maar met de vaart der volkeren ging veel schoons verloren. Alle goede bedoelingen ten spijt vond het Ms Y, via Limburg een (voorlopig) einde op het droge! Op een parkeerterrein (...).

Toen...1994, 14 (...) bootliefhebbers vonden een bonk vergane glorie. Van de opbouw en de aandrijving was niets bewaard gebleven. Roest, waar alleen met (...) moed een nieuwe toekomst (...) in te herkennen viel. (...) Voor fl. 1500,- verwisselde het casco, inclusief de bijbehorende meetbrief (...), van eigenaar. (...)

De (...) Stichting Y bracht het startkapitaal op en werkte een (...) plan uit dat zou leiden tot een werkschema en een presentatie voor het genereren van nieuwe Sponsors. (...)

Nu...Vaart er een (...) stuk historie, vakmanschap en schoonheid door de (...) grachten. Voorbehouden aan de leden van de Stichting en haar Sponsors. Ms Y wordt niet commercieel geëxploiteerd. Vrijwilligers houden haar in de vaart ter dekking van de kosten van onderhoud en bieden op deze manier de Sponsors een fantastische ambiance voor haar zakenrelaties. Als ontvangstruimte voor buitenlandse gasten, als vergaderplaats met een frisse wind, als restaurant voor een intiem dinner, als veilige haven voor jubileum/personeelsfeestjes met oorlam, als...

De Sponsors bepalen hun wensen, compleet met catering en vaarroute op maat."

2.5. In een ongedateerd geschrift van belanghebbende, met als opschrift "ALGEMENE SPONSORVOORWAARDEN", is onder meer het volgende vermeld:

"1. In principe heeft een f 5000,- sponsor vijfmaal de beschikking over het schip (met kapitein). De tijd die men per keer wil varen kan de sponsor zelf bepalen tot een maximum van zes aaneengesloten uren (de gemiddelde prijs per uur om van een vergelijkbare salonboot gebruik te maken is circa f 400,-).

2. De periode waarbinnen de rondvaarten moeten worden afgenomen is in beginsel vrij en kan worden genoten zolang het schip in de vaart is. Het is wel raadzaam om ruim van te voren te reserveren."

De naam van een sponsor wordt een jaar lang vermeld op een zogenoemd sponsorbord op de boot. Indien een sponsor van de boot gebruik maakt is het gebruikelijk dat de zogenoemde ‘catering’ aan boord door belanghebbende wordt verzorgd.

2.6. Aan de namens belanghebbende bij brief van 5 april 1999 aan de inspecteur toegezonden jaarrekeningen kunnen de volgende gegevens worden ontleend:

Jaar Sponsorgeld/omzet Overige ontvangsten Kosten Resultaat

1995 ƒ 55.915 ƒ 1.510 ƒ 11.403 ƒ 46.022

1996 100.267 14.109 59.852 54.524

1997 73.750 34.419 71.509 36.660

1998 35.613 20.745 86.075 -/- 29.717

De ‘cateringopbrengst’ is opgenomen onder de ‘overige ontvangsten’.

Bij de berekening van bovenstaande resultaten zijn alle kosten met betrekking tot het schip die zijn gemaakt tot 1 juli 1996 beschouwd als voortbrengingskosten van het schip en is de afschrijving van deze kosten gebaseerd op een levensduur van twintig jaar en een restwaarde van het schip van ƒ 40.000.

2.7. In de brief van 5 april 1999 is onder meer het volgende vermeld:

"Over 1995 en een belangrijk deel van 1996 zijn de resultaten geflatteerd. Het feit, dat alle restauratiekosten als ‘voortbrengingskosten’ dienen te worden geboekt en aldus te worden geactiveerd, zorgen er voor dat de resultaten over die jaren een te rooskleurig beeld geven.

Gedurende de jaren 1997 en 1998, nadat het (...) schip (...) in de vaart werd genomen, ontstaat een meer realistische kijk op de activiteiten van de stichting.

Bovendien werd tot 1 september 1997 het schip bestuurd door vrijwilligers/bestuursleden van de stichting. Dit bleek slecht te werken (...). Mede om de veiligheid op het water te kunnen waarborgen, heeft het bestuur zich genoodzaakt gevoeld, vanaf 1 september 1997 een betaalde kracht in dienst te nemen om het schip te laten varen."

2.8. Een door de belastingdienst aan belanghebbende toegezonden formulier ‘Opgaaf Gegevens startende onderneming’ is door haar op 14 oktober 1996 ingevuld geretourneerd.

2.9. Op 19 april 1997 schrijft gemachtigde aan de inspecteur een brief waarin onder meer wordt geconcludeerd dat belanghebbende niet belastingplichtig is in de zin van de Wet.

2.10. Op 20 en 24 maart 1998 heeft de inspecteur aangiftebiljetten vennootschapsbelasting 1995 en 1996 aan belanghebbende toegezonden. Deze biljetten zijn niet geretourneerd.

2.11. De bestreden aanslag vennootschapschapsbelasting is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 46.022.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het jaar 1995 belastingplichtig is in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet).

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4.2. Ter zitting is hieraan namens belanghebbende nog het volgende toegevoegd.

Het streven van belanghebbende is niet het behalen van winst, maar het in de vaart houden van het scheepje. Er worden niet meer vijftig sponsors aangenomen. Daarmee kan het schip in de vaart blijven. De stichting is juridisch eigenaar van het schip. De economische eigendom berust bij de veertien deelgerechtigden A. Deze participanten hebben ieder ƒ 2.000 ingelegd. De participanten B hebben per deelname ƒ 100 ingelegd. De participanten varen ook; één à twee keer per jaar. Er zijn ook giften ontvangen waar geen participatiebewijzen tegenover staan. Alleen de deelgerechtigden en de sponsors kunnen met het schip varen. Het schip is niet te huur. Gemiddeld worden er per jaar 90 tochten voor sponsors gemaakt. De sponsors worden geworven via het netwerk van belanghebbende. Er kan alleen een sponsor bijkomen als er een bestaande sponsor uitvalt. Er is een wachtlijst van sponsors. De sponsors zijn veelal bedrijven, maar ook particulieren.

4.3. De inspecteur heeft nog het volgende verklaard.

Het Besluit van de staatssecretaris van 9 april 1999 (nr. DB99/1333M) mist in dit geval betekenis. Bij belanghebbende staat de behartiging van een algemeen culturele belang niet op de voorgrond. Het is een hobbyclub van mensen die sponsors hebben gezocht om hun hobby te financieren. De inleg van de deelgerechtigden is niet in de belastbare winst betrokken. Deze inleg is te vergelijken met het kapitaal van een vennootschap. De sponsorgelden zijn wel in het belaste resultaat betrokken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende exploiteert een salonboot, het Ms. Y (hierna: het schip). In dat verband heeft belanghebbende sponsors aangetrokken. Deze sponsors, veelal bedrijven maar ook een aantal particulieren, verwerven tegen betaling van een vergoeding van ƒ 5.000 het recht om vijfmaal over het schip te beschikken en mogen tijdens het varen op een sponsorbord op het schip hun naam vermelden. Voorts verzorgt belanghebbende de ‘catering’ aan boord van het schip. Vanaf 1 september 1997 heeft belanghebbende een betaalde kracht als schipper aangesteld, omdat het, zoals weergegeven in de brief van 5 april 1999 als vermeld onder 2.7, niet langer verantwoord was om het schip uitsluitend met behulp van vrijwilligers in de vaart te houden. Uit de jaarrekeningen van belanghebbende blijkt dat zij met de sponsorgelden en overige ontvangsten, als vermeld onder 2.6, in de jaren 1995 - 1997 een positief resultaat heeft behaald. In 1998 is het resultaat negatief, maar dit negatieve resultaat wordt ruimschoots overtroffen door de positieve resultaten uit de drie voorgaande jaren. Het door belanghebbende voor 1999 gestelde exploitatietekort van ƒ 4.077 maakt zulks niet anders.

5.2.1. Belanghebbende heeft primair gesteld dat zij niet belastingplichtig is, omdat geen winst wordt beoogd en een eventueel positief saldo niet wordt verdeeld onder de organen van de vereniging. Belanghebbende stelt dat de inspecteur eraan voorbijgaat dat er gedurende de jaren 1995 en 1996 zeer hoge herstelkosten nodig waren om het schip in de originele staat terug te brengen. Door deze herstelkosten op de balans te activeren ontstaat er volgens belanghebbende een schijnwinst. Voorts betwist belanghebbende dat zij in concurrentie treedt met rondvaartbedrijven en charterbootmaatschappijen.

5.2.2. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden doordat op de brief van gemachtigde van 30 maart 1997 eerst in maart 1998 is gereageerd, en doordat eerst vanaf 1998 aangiftebiljetten omzetbelasting zijn uitgereikt. Tevens stelt belanghebbende dat de inspecteur niet heeft gemotiveerd waarom er sprake zou zijn van belastingplicht voor de vennootschapsbelasting.

5.3. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende een onderneming drijft als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet, en dat belanghebbende in concurrentie treedt met andere verwante ondernemingen. Voorts bestrijdt de inspecteur dat jegens belanghebbende sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet, zijn onder meer als binnenlandse belastingplichtigen aan de belasting onderworpen de in Nederland gevestigde andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen, indien en voor zover zij een onderneming drij-ven. Tot deze categorie belastingplichtigen behoort ook belanghebbende, indien zij een onderneming drijft.

5.5.1. Naar het oordeel van het Hof leidt hetgeen onder 5.1 omtrent de activiteiten en de resultaten van belanghebbende is vermeld tot geen andere conclusie dan dat zij een onderneming drijft en dat zij mitsdien op grond van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet, als belastingplichtig in de zin van de Wet moet worden aangemerkt.

5.5.2. Nu belanghebbende over de jaren 1995 - 1997, bezien ook in verhouding tot de onder 2.1 vermelde voortbrengingskosten van het schip, een substantieel bedrijfsresultaat heeft gerealiseerd, doet aan het overwogene onder 5.5.1 niet af dat belanghebbende - naar zij heeft gesteld - geen winst heeft beoogd. In dit verband acht het Hof het overigens van belang dat in artikel 4 van de oprichtingsakte van belanghebbende zoals aangehaald onder 2.2 de mogelijkheid van het behalen van revenuen en het verdelen van die revenuen onder de deelgerechtigden is vermeld. Dat voordelige bedrijfsresultaten uitsluitend zullen worden aangewend ten dienste van het doel van belanghebbende, als vermeld onder 2.2, staat dan ook geenszins vast.

5.5.3. Dat de resultaten van belanghebbende, zoals namens haar is gesteld, geen realistisch beeld geven van de door haar behaalde resultaten en er - zo begrijpt het Hof haar standpunt - geen sprake zou zijn van een situatie waarin structureel een positief resultaat wordt gerealiseerd, is door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Gelet op hetgeen onder 2.4 is vermeld omtrent de toestand van het schip ten tijde van de verwerving van het casco en de aanschafprijs van ƒ 1.500, is niet aannemelijk dat er economische gronden zijn om de kosten van de restauratie van het schip in de jaren waarin die kosten door belanghebbende zijn gemaakt rechtstreeks ten laste van de winst te brengen.

5.5.4. Het vorenoverwogene houdt in dat belanghebbende een onderneming drijft en de vraag of belanghebbende met verwante bedrijven in concurrentie treedt zoals is bedoeld in artikel 4, aanhef en onderdeel a, van de Wet, geen beantwoording behoeft.

5.5.5. Dat de activiteiten van belanghebbende een beroep rechtvaardigen op toepassing van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 9 april 1999, nr. DB99/1333M, is door haar niet gesteld en is overigens, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt.

5.6. Het beroep van belanghebbende op schending van het vertrouwensbeginsel is naar het oordeel van het Hof ongegrond, nu de inspecteur gemotiveerd heeft weersproken dat hij tussen de brief van gemachtigde van 19 april 1997 en een brief van de inspecteur van 30 maart 1998 zou hebben stilgezeten, zo al belanghebbende aan een zodanig stilzitten een in rechte te beschermen vertrouwen zou kunnen ontlenen. Dat de bestreden aanslag niet voldoende zou zijn gemotiveerd is door de inspecteur eveneens voldoende weersproken, onder meer onder verwijzing naar het verslag van een bespreking met belanghebbende op 13 augustus 1998 (bijlage 19 bij het verweerschrift).

5.7. Het vorenoverwogene brengt het Hof tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof verlaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 17 oktober 2000 door mr. Dutmer, voorzitter, mr. Van der Ouderaa en dr. Blokland, leden, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk - Vencken als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proces-kosten.