Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA9107

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P99/02874
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of de bijtelling op grond van artikel 42, derde lid, Wet IB terecht is. Op basis van gedingstukken ingebracht door de inspecteur en door belanghebbende oordeelt het Hof dat de inspecteur, op wie de bewijslast rust, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de werkgever aan belanghebbende een ‘auto van de zaak’ ter beschikking heeft gesteld.

Belanghebbende was in het onderhavige jaar in dienst van de BV waarvan zijn vader en broer directieleden zijn. Sinds belanghebbende niet meer in dienst is van BV en hij naar een concurrent is overgestapt heeft hij geen contact meer met zijn familie. Het Hof acht het niet nodig om de vader van belanghebbende als getuige op te roepen omdat het zijn verklaring vanwege de verstoorde familierelatie bij voorbaat onvoldoende objectief acht. Het Hof ziet ervan af om de controller van BV als getuige op te roepen omdat het niet aannemelijk acht dat deze meer of anders zou verklaren dan hij schriftelijk reeds gedaan heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1920
V-N 2001/19.1.2

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk: P99/02874

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 7 september 1999, ingediend door A als zijn gemachtigde, en aangevuld bij schrijven van 18 oktober 1999. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 4 augustus 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 64.505, waarbij ook rekening is gehouden met een dotatie aan de FOR van ƒ 91. De boete wegens navordering bedraagt ƒ 4.022, waarvan 75% is kwijtgescholden. Na bezwaar heeft de inspecteur de navorderingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.705 en tot vermindering van de boete tot nihil.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 30 augustus 2000 is verschenen belanghebbende in persoon, alsmede de voornoemde gemachtigde. Op verzoek van belanghebbende heeft B een gedeelte van de zitting bijgewoond. Hij heeft een mondelinge verklaring afgelegd, waarvan de inhoud hierna onder 4. is opgenomen. Namens de inspecteur zijn verschenen (…). Het beroep is met instemming van alle partijen gelijktijdig behandeld met de beroepszaken van belanghebbende die bij het Hof zijn geadministreerd onder de nummers (…).

Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 13 september 2000. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is op 22 september 2000 aan partijen verzonden. Ter griffie is op 17 oktober 2000 van de inspecteur per fax het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht is tijdig voldaan (ƒ 315).

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 55.596. Tijdens een controle in 1998 heeft de Belastingdienst geconstateerd dat belanghebbende gedurende 1996 een door C B.V. (hierna: BV) ter beschikking gestelde auto heeft gehad. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur op grond van artikel 42, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB) ƒ 9.000 bijgeteld en de onder 1. genoemde navorderingsaanslag en boete opgelegd.

2.2. Belanghebbende is geboren in 1969 en is gehuwd.

2.3. In 1990 is belanghebbende als commercieel medewerker bij BV in dienst getreden. De directie van BV bestaat uit de vader en de broer van belanghebbende.

2.4. BV houdt zich onder meer bezig met het verhuren van personenauto’s. Tot het vermogen van BV behoorde in de jaren 1994 tot en met 1996 een auto met kenteken … (hierna: de personenauto).

2.5. Op de jaaropgaven 1994 en 1995 die BV aan belanghebbende verstrekt heeft, staat over een ‘auto van de zaak’ niets vermeld. Op de jaaropgaaf 1996 staat dat aan belanghebbende geen auto van de zaak ter beschikking is gesteld. Belanghebbende en zijn echtgenote beschikten in het onderhavige jaar steeds over een auto die hun eigendom was. Vanaf 30 september 1996 heeft BV aan belanghebbende een auto ter beschikking gesteld: een auto met een cataloguswaarde van ƒ 64.000.

2.6. Vanaf april 1997 is belanghebbende niet meer werkzaam bij BV. Hij werkt thans bij een autobedrijf te Y.

2.7. Tot de gedingstukken behoort:

(a) een kopie van de brief van 16 november 1998 van D, belastingadviseur van BV, aan de Belastingdienst Ondernemingen Utrecht. In deze brief staat onder meer: “In 1994 is voor X de personenauto aangeschaft, (…). Het gebruik van deze auto was niet exclusief voor hem in die zin dat deze auto wel aan derden op dagbasis door BV werd verhuurd.”

(b) een kopie van een handgeschreven notitie, opgemaakt op papier voorzien van het logo van BV, kennelijk ter zake van het privé-gebruik auto voor de omzetbelasting. Hierop staat onder meer: “X (kenteken) personenauto t/m 31-12-95”.

(c) een kopie van een brief van 23 augustus 2000 van E aan de gemachtigde van belanghebbende. In deze brief staat het volgende:

“Ik ben werkzaam geweest bij BV van 1 maart 1993 tot 1 september 1999 als verhuur-medewerker. Daar heb ik +/- 5 jaar samengewerkt met X, die eerst werkzaam was als financieel medewerker en daarna is gepromoveerd tot controller.

In zijn laatste functie had X veel kontakt met cliënten en leveranciers. Daar hij geen auto van de zaak had, kwam hij bij de afdeling verhuur regelmatig een huurauto halen voor zijn zakelijke afspraken. Wanneer hij terug was, leverde hij volgens afspraak bij ons de auto weer in. ’s Avonds reed hij dan met zijn vrouw mee naar huis (zij had een winkel in hetzelfde pand). Ik heb hem in de periode dat ik met hem gewerkt heb, nooit met een auto van BV naar huis zien gaan.”

3. Geschil

In geschil is of BV gedurende het gehele onderhavige jaar aan belanghebbende een personenauto ter beschikking heeft gesteld, of dat dat pas vanaf 30 september 1996 het geval is geweest. In het geval dat aan belanghebbende gedurende het gehele onderhavige jaar een personenauto ter beschikking gesteld is geweest, is voorts in geschil of belanghebbende in 1996 meer dan 1.000 kilometer privé-kilometers in de ter beschikking gestelde auto(‘s) heeft gereden. Tevens is in geschil of de boete ter zake van de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Ter zitting hebben partijen en B daaraan - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

de inspecteur:

Belanghebbende heeft voor privé-gebruik auto in zijn eigen handschrift zijn naam bij de personenauto vermeld, zie bijlage 19 bij het verweerschrift.

Ik verzoek het Hof om, indien namens belanghebbende getuigen worden gehoord, ook D en/of de directeur van BV als getuige op te roepen.

belanghebbende:

In april 1997 ben ik bij BV weggegaan. Daarna ben ik bij een concurrent van BV gaan werken en ik heb sinds die tijd, na onenigheid hierover, geen contact meer met mijn familie gehad. Mogelijk is de oorzaak van het onderhavige geschil daarin gelegen.

BV heeft mij geen auto ter beschikking gesteld als bedoeld in artikel 42, derde lid, Wet IB. Ik heb overdag weliswaar huurauto’s -waaronder de personenauto- van BV gebruikt om naar klanten van BV te gaan, maar ik heb deze auto’s nooit privé gebruikt. Voor privé-gebruik beschikten mijn vrouw en ik over een prima andere auto, die ons eigendom was.

Met betrekking tot de opmerking van de inspecteur over bijlage 19 bij het verweerschrift en mijn handschrift merk ik op dat het inderdaad mijn handschrift betreft maar niet mijn berekening, noch mijn aangifte, noch een verklaring van privé-gebruik auto is. Ik ben nooit controller van BV geweest. Dat was D.

B:

Ik heb drie jaar voor BV gewerkt. Ik ben niet meer in dienst bij BV.

De directeur van BV reed in een auto van de zaak.

Er was een aantal auto’s waarover werknemers van BV konden beschikken om bijvoorbeeld even een boodschap te doen. Ik heb in dat kader wel eens in de personenauto gereden. Belanghebbende zal er ongetwijfeld ook wel eens in gereden hebben maar de personenauto was niet specifiek aan iemand toegewezen. De personenauto was niet een ‘auto van de zaak’ zoals dat in het algemeen wordt opgevat.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Het Hof acht het onnodig om D en/of de directeur van BV als getuigen op te roepen. Het Hof acht het namelijk niet aannemelijk dat D ter zitting meer of anders zou verklaren dan hij schriftelijk reeds gedaan heeft. Gezien de verstoorde familierelatie tussen belanghebbende en zijn vader, tevens directeur van BV, acht het Hof een getuigenverklaring van de laatste bij voorbaat onvoldoende objectief.

5.2. Het ligt op de weg van de inspecteur om te bewijzen dat aan belanghebbende in verband met het verrichten van arbeid een personenauto ter beschikking is gesteld.

5.3. Met betrekking tot de periode van 1 januari 1996 tot en met 29 september 1996 overweegt het Hof als volgt. Als bewijs (zie 5.2.) heeft de inspecteur onder meer de uitgebreide verklaring als genoemd onder 2.7(a) en de verklaring genoemd onder 2.7(b) aangevoerd. Uit de arbeidsovereenkomst tussen BV en belanghebbende blijkt niet dat aan belanghebbende gedurende die periode een auto ter beschikking wordt gesteld en de inspecteur heeft evenmin een stuk van de werkgever omtrent de terbeschikkingstelling gedurende die periode van een auto zelf ingebracht. Het Hof oordeelt, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, dat de inspecteur tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan belanghebbende in de genoemde periode van het onderhavige jaar een auto ter beschikking is gesteld. De bijtelling van ƒ 9.000 (zie 2.1.) dient derhalve te vervallen.

5.4. Met betrekking tot de periode van 30 september 1996 tot en met 31 december 1996 overweegt het Hof als volgt. Nu tussen partijen vaststaat dat BV gedurende deze periode aan belanghebbende een auto met een cataloguswaarde van ƒ 64.000 ter beschikking heeft gesteld, dient op grond van artikel 42, derde lid, Wet IB een bedrag van (ƒ 64.000 x 0,2 x 3/12 =) ƒ 3.200 tot belanghebbendes inkomen te worden gerekend. Belanghebbende heeft niet aangetoond dat hij op jaarbasis minder dan 1.000 privé-kilometers in die auto heeft gereden en kan zich derhalve niet met succes op artikel 42, vijfde lid, Wet IB beroepen.

5.5. Het geschil over het aantal privé-kilometers dat belanghebbende in de periode van 1 januari 1996 tot en met 29 september 1996 zou hebben gereden en het geschil over de boete behoeven gezien het vorenoverwogene geen behandeling. Het beroep is gegrond.

5.6. Waar het Hof in het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 13 september 2000 in de zaak met hofkenmerk … onder ‘Beslissing’ en hierna onder 7. spreekt van ‘vermindert de aanslag’ moet worden gelezen ‘vermindert de navorderingsaanslag’.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van belanghebbende die bij het Hof zijn geadministreerd onder de nummers … en 99/02874 zijn samenhangende zaken en het Hof heeft in de zaak … aan belanghebbende reeds een proceskostenvergoeding toegekend.

7. Beslissing

Het Hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 58.705 zonder boete wegens navordering;

gelast de inspecteur het betaalde griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 8 december 2000 door mr. Kwantes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 13 september 2000.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.