Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8942

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/P988
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende en zijn echtgenote, die lijden aan de groeistoornis achondroplasie, dezelfde kleding kopen als belastingplichtigen met een normale lichaamslengte en tegen betaling laten vermaken. Dat betekent dat zij door hun geringe lichaamslengte extra kosten hebben gemaakt in verband met het verstellen van kleding. Op grond van artikel 12, lid 1, van de Uitvoeringsregeling is dan het forfait van ¦ 630 van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/10.28 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk 00/P988

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de inspecteur te P

Beslissing

Het Hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 44.048;

gelast verweerder het gestorte griffierecht ad ƒ 60 aan belanghebbende te vergoeden, en;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van ƒ 25 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1.1. Belanghebbende, zijn echtgenote en hun in 1997 geboren kind hebben de groeistoornis achondroplasie (dwerggroei).

1.2. Over het jaar 1998 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van ¦ 43.418. Daarbij heeft hij een bedrag van ¦ 9.782 minus ¦ 8.653 (drempel) = ¦ 1.129 opgevoerd als buitengewone lasten op grond van artikel 46, eerste lid, onderdeel a, 2e, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

2. Bij de aanslagregeling is de aftrek wegens buitengewone lasten vervallen. Het belastbaar inkomen is vastgesteld op ¦ 44.547.

3. In geschil is of belanghebbende voor zichzelf, voor zijn echtgenote en voor hun kind, recht heeft op aftrek wegens extra uitgaven voor kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 46, derde lid, onderdeel d, van de Wet, juncto artikel 12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

4.1. Belanghebbende stelt dat het in verband met de groeistoornis van hemzelf, zijn echtgenote en zijn kind noodzakelijk is om kleding te laten maken of te laten verstellen. In speciaalzaken is aangepaste, duurdere kleding te koop. Daarnaast stelt hij dat zij door hun manier van lopen (zij hebben o-benen en lopen op de buitenkant van de voet) hun schoenen dermate verslijten dat zij per jaar 5 a 6 paar schoenen moeten aanschaffen.

4.2. Ter zitting heeft belanghebbende nog verklaard dat zijn lengte 1.32 meter en de lengte van zijn echtgenote 1:35 meter bedraagt. Hij heeft aangegeven dat de verstelkosten van kleding voor zijn kind in 1998 minimaal waren.

4.3. Belanghebbende heeft geen betalingsbewijzen van kleding en beddengoed overgelegd. Hij stelt dat hij op grond van de uitspraak van dit Hof van 5 maart 1981, nr. 323/97, BNB 1982/86, zonder meer recht op aftrek heeft van het forfaitaire bedrag van ¦ 630 voor alle drie personen.

5.1. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van extra uitgaven. Met name bij het kind is volgens de inspecteur geen sprake geweest van extra kosten vergeleken met baby’s die niet achondroplasten zijn.

5.2. Mocht het Hof van mening zijn, dat rekening moet worden gehouden met extra uitgaven voor kleding, dan dient volgens de inspecteur de post orthopedisch schoeisel voor belanghebbende, van ¦ 647,55, uit de buitengewone lasten te worden geëlimineerd omdat uitgaven van schoeisel volgens hem vallen onder de kledingkosten.

6. Bij extra uitgaven is het van belang dat belanghebbende hogere uitgaven heeft gehad dan belastingplichtigen die niet ziek of invalide zijn, maar overigens wat financiële en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren als belanghebbende. Voorts moeten de uitgaven niet geacht kunnen worden tot het normale bestedingspatroon te behoren.

7. Het Hof acht het aannemelijk dat belanghebbende en zijn echtgenote dezelfde kleding kopen als belastingplichtigen met een normale lichaamslengte en tegen betaling laten vermaken. Dat betekent dat zij door hun geringe lichaamslengte extra kosten hebben gemaakt in verband met het verstellen van kleding. Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling is dan het forfait van ¦ 630 van toepassing. Hieraan doet niet af dat belanghebbende geen betalingsbewijzen van alle kleding van hem en zijn echtgenote kan overleggen. Ten aanzien van het kind acht het Hof het niet aannemelijk dat er sprake is geweest van extra kosten vergeleken met kinderen van dezelfde leeftijd die niet aan een groeistoornis lijden. Belanghebbende heeft gesteld dat hij en zijn echtgenote ieder 5 à 6 paar schoenen per jaar aanschaffen. De inspecteur heeft verklaard dat het niet gebruikelijk is om een dergelijk aantal schoenen per jaar te verslijten en aan te schaffen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende en zijn echtgenote ook door toedoen van deze extra uitgaven voor schoenen in aanmerking komen voor het forfait.

8. Het Hof kan de stelling van de inspecteur, dat de post orthopedisch schoeisel als buitengewone last moet worden gebracht onder het forfait voor de extra uitgaven voor kleding, niet volgen aangezien orthopedisch schoeisel een hulpmiddel betreft in de zin van artikel 46, derde lid, onderdeel a, van de Wet.

9. Nu voor belanghebbende en zijn echtgenote beiden het forfait van ¦ 630 toegepast dient te worden, bedraagt de aftrek wegens buitengewone lasten ¦ 9.152 minus ¦ 8.653 (drempel) = ¦ 499. Het belastbaar inkomen bedraagt mitsdien ¦ 44.048.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof de kosten vast op ¦ 25, zijnde de (geschatte) reiskosten per openbaar vervoer, tweede klasse.

De uitspraak is gedaan op 8 november 2000 door mr. Van Ballegooijen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Milder-Wolbers als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.