Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8668

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P99/03298
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft het motorrijtuig, een Landrover, onder de vigeur van de huidige Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 aanvankelijk aangemerkt als kampeerauto. Op grond van de overgangsregeling in het Besluit van 1 juni 1999, nummer VB 98/2647 (onderdeel 3, letter a) kon de inspecteur niet overgaan tot intrekking van de beschikking tot kwalificatie als kampeerauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2001/7.3.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

kenmerk P99/03298

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Centraal bureau motorrijtuigenbelasting, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Belanghebbende heeft bij het gerechtshof Arnhem een beroepschrift ingediend op 12 oktober 1999. De griffier van het gerechtshof Arnhem heeft het beroepschrift doorgezonden aan het gerechtshof te Amsterdam waar het op 18 oktober 1999 is binnengekomen.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur gedagtekend 31 augustus 1999, betreffende de beschikking van 28 juni 1999 waarbij de inspecteur de kwalificatie van het motorrijtuig XX-00-XX als kampeerauto heeft ingetrokken.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en hierin concludeert hij tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 20 juni 2000 zijn verschenen belanghebbende en mr. A.J. van Lohuizen namens de inspecteur. Ter zitting heeft belanghebbende alsnog de bijlagen bij het verweerschrift ontvangen en hij heeft zich hierover kunnen uitlaten. Belanghebbende heeft een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De inspecteur heeft een viertal uitspraken van het gerechtshof te Arnhem overgelegd waarbij de kwalificatie kampeerauto eveneens in geschil was. Belanghebbende heeft op deze stukken kunnen reageren en hij heeft zich erover kunnen uitlaten.

Op 4 juli 2000 heeft het hof mondeling uitspraak gedaan waarvan het proces-verbaal op 18 juli 2000 aangetekend aan partijen is verzonden.

Op 15 augustus 2000 heeft de inspecteur verzocht de mondelinge uitspraak te vervan-gen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde grif-fierecht ad f 315,- is tijdig op de rekening van het gerechtshof ontvangen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende staat sinds 23 februari 1994 ingeschreven in het kentekenregister als houder van een personenauto met het kenteken XX-00-XX; dit kenteken is afgegeven voor een motorrijtuig van het merk Landrover, type 109, waarvoor deel I is afgegeven op 7 december 1979. De auto is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en voorzien van kook- en slaapgelegenheid. Na keuring in december 1994 door de Rijksdienst voor het wegverkeer is het kentekenbewijs voorzien van de aanduiding "kampeerauto". De auto rijdt gemiddeld 3.400 kilometer per jaar.

2.2. Belanghebbende betaalde aanvankelijk motorrijtuigenbelasting op basis van het "zestigdagentarief", genoemd in het tot 1 april 1995 geldende artikel 22, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking Algemene wet inzake rijksbelastingen 1964. De inspecteur heeft het motorrijtuig onder de vigeur van de huidige Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (de Wet) aanvankelijk aangemerkt als kampeerauto. Op 16 juli 1998 heeft de inspecteur de auto nader getoetst met betrekking tot de kwalificatie als kampeerauto en nadien hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd.

Op 28 juni 1999 heeft de inspecteur de in geschil zijnde beschikking genomen waarbij uitsluitend omdat de auto niet over voldoende stahoogte zou beschikken, de kwalificatie als kampeerauto met ingang van 7 maart 1999 niet meer zou gelden.

3. Geschil

In geschil is de vraag of de inspecteur terecht bij beschikking op grond van het bepaalde in artikel 6, achtste lid, van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (tekst 1999) het motorrijtuig niet langer heeft aangemerkt als kampeerauto. Belanghebbende beroept zich voor zijn standpunt dat het motorrijtuig als kampeerauto moet worden aangemerkt mede op de overgangsregeling in het Besluit van 1 juni 1999, VB 98/2647.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten wordt verwezen naar de gedingstukken.

Ter zitting heeft belanghebbende in aanvulling op de pleitnotitie nog verklaard dat de Landrover niet van fabriekswege als kampeerauto is uitgerust; dat de binnenhoogte ongeveer 160 cm is omdat er sprake is van een verdiepte vloer.

De inspecteur heeft nog verklaard dat gewone stationwagens, voorzien van kook- en slaapgelegenheid, geen kampeerauto's zijn; dat het erom gaat dat kampeerauto's niet geschikt zijn voor dagelijks gebruik; dat de Landrover zeker geen 160 cm binnenhoogte heeft; dat hij verwijst naar de overgelegde uitspraken van het gerechtshof Arnhem.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur heeft gesteld dat hij bij de invoering van de Wet op 1 april 1995 zonder toetsing het kwarttarief, genoemd in artikel 30, eerste lid, van de Wet, heeft gehanteerd en daarbij geen specifieke beschikking heeft afgegeven. Gelet op deze werkwijze bij de wijziging van het wettelijk regime en het feit dat de inspecteur thans een intrekkingbeschikking heeft gegeven gaat het Hof er in casu van uit dat de inspecteur op 1 april 1995 bij de invoering van de Wet aan belanghebbende zonder een daaraan ten grondslag liggend verzoek vergunning heeft verleend tot betaling van het kwarttarief ter zake van het motorrijtuig.

5.2. Nu belanghebbende heeft gesteld dat de binnenhoogte ongeveer 160 cm bedraagt en de inspecteur deze hoogte betwist ligt het voor de hand ter zake van partijen een eenduidige opgave te vragen van de maten van het onderhavige motorrijtuig om zodoende enig zicht te krijgen op de vraag of sprake is van een motorrijtuig dat kan dienen als een kleine mobiele woning waarvoor een zekere leefruimte en de mogelijkheid voor een volwassen persoon om min of meer rechtop te kunnen staan vereist is (zie hof Arnhem 10 maart 1999, nummer M97/20752). Gelet op het hierna overwogene zal het hof echter afzien van het vragen van een dergelijke opgave.

5.3. Het Besluit van 1 juni 1999, nummer VB 98/2647, bevat in onderdeel 3, letter a, een overgangsregeling op grond waarvan het "rechthoekig blok vereiste" en daarmee de 170 cm stahoogte niet geldt voor auto's waarvoor de inspecteur een eerdere vergunning tot betaling van het kwart/halftarief had afgegeven.

De inspecteur heeft niet gesteld dat hij in 1995 met betrekking tot de stahoogte enig criterium hanteerde op grond waarvan hij destijds geen beschikking zou hebben verleend voor toepassing van het kwarttarief. De inspecteur heeft voor het onderhavige motorrijtuig wel een beschikking verleend tot het hanteren van dit kwarttarief zonder dat enig feit aannemelijk is geworden dat de inspecteur zulks ten onrechte heeft gedaan op grond van destijds geldende criteria. Het Hof is daarom van oordeel dat de inspecteur ten onrechte is overgegaan tot intrekken van de beschikking.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht nu belanghebbende niet heeft gesteld dat er sprake is van voor vergoeding in aanmerking komende kosten en de reiskosten vanaf de woonplaats van belanghebbende slechts minimaal zijn.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van de inspecteur;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad f 60,- aan belanghebbende te vergoeden.

Deze schriftelijke uitspraak is vastgesteld op 30 oktober 2000 door mr. Boersma, in tegenwoordigheid van mr. Van Aalst als griffier, zulks ter vervanging van de onder 1 genoemde mondelinge uitspraak. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat tenminste:

a- de naam en het adres van de indiener;

b- een dagtekening;

c- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt u een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.