Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8667

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P99/2746
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In aangifte over 1997 dividend uit beleggingsinstelling aangegeven, zonder vermelding van de status in 1996. In aangifte wordt bijzonder tarief 25% gevraagd. Inspecteur volgt de aangifte. Daarna komt hij op de hoogte van de status van de vennootschap in 1996. Nieuw feit.

In artikel 57a(3) wordt van het 25%-tarief uitgezonderd onder meer het reguliere voordeel dat wordt genoten binnen acht maanden nadat de uitkerende vennootschap de status van fiscale beleggingsinstelling heeft verloren. Deze uitzondering geldt ook in een geval als het onderhavige waarin het in juli 1997 uitgekeerde dividend niet voortvloeide uit een doorstootverplichting over 1996. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2001/32
V-N 2001/2.5.1
V-N 2001/13.2.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk P99/2746

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 24 augustus 1999, ingediend door mr. A (B Advocaten Belastingadviseurs) te P als gemachtigde en aangevuld bij brief van 15 oktober 1999.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 23 augustus 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997.

Aan belanghebbende is oorspronkelijk een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 260.088, waarvan ƒ 150.225 werd belast volgens het bijzondere tarief van artikel 57a, tweede lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Vervolgens heeft de inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd, eveneens berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 260.088, doch nu met toepassing van het evengenoemde bijzondere tarief op een bedrag van ƒ 41.160. Na bezwaar tegen de navorderingsaanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vernietiging van de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak.

Ter zitting van 13 oktober 2000 zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, tot zijn bijstand vergezeld van mr. C, alsmede, namens de inspecteur, mr. D, tot zijn bijstand vergezeld van mr. E. Op verzoek van het Hof heeft de gemachtigde voorafgaand aan de zitting per faxbericht van 12 oktober 2000 enkele stukken overgelegd. Deze stukken heeft hij tevens aan de inspecteur gezonden, die daardoor van deze stukken kennis heeft kunnen nemen. De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De genoemde stukken worden tot de gedingstukken gerekend. Met toestemming van partijen heeft het onderzoek ter zitting openbaar plaatsgevonden.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende hield in het onderhavige jaar 20,35% van de aandelen in F B.V., gevestigd te Q (hierna: de BV). Door de wijziging van de ter zake geldende bepalingen werd belanghebbende met ingang van 1 januari 1997 houder van een aanmerkelijk belang in de BV in de zin van artikel 20a, derde lid, van de Wet.

2.2. De BV was tot en met 31 december 1996 een beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De BV verloor deze status op verzoek per 1 januari 1997, door gebruik te maken van de overgangsregeling van artikel XII van de Wet van 13 december 1996, Stb. 652, ten gevolge waarvan haar herbeleggingsreserve en afrondingsreserve in de winst van het jaar 1997 werden begrepen en werden afgerekend tegen een tarief van 15%.

2.3. Op 1 juli 1997 heeft de BV een interim-dividend betaalbaar gesteld. Aan belanghebbende kwam van deze winstuitdeling een bedrag toe van ƒ 109.065. Op 15 december 1997 werd nogmaals een dividend betaalbaar gesteld. Belanghebbende deelde hierin tot een bedrag van ƒ 41.160. In totaal ontving belanghebbende in 1997 van de BV een bedrag van ƒ 150.225 aan dividenden.

2.4. In de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige jaar, welke aangifte werd verzorgd door de heer G van B.V. H Beheer, werd vraag 11a (Is er door de wetswijziging op 1 januari 1997 een aanmerkelijk belang ontstaan) met ‘ja’ beantwoord. Bij vraag 11b (Reguliere voordelen uit aanmerkelijk belang) werd het onder 2.3. vermelde bedrag van ƒ 150.225 verantwoord. Bij vraag 23 (Bijzondere situaties) werd bij onderdeel b als bijzonder-tariefinkomen het bedrag van ƒ 150.225 opgegeven.

2.5. De regeling van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende vond plaats op 2 april 1999. De aanslag werd met dagtekening 19 april 1999 opgelegd en was conform de ingediende aangifte.

2.6. Op 9 april 1999 ontving de inspecteur een brief van zijn ambtgenoot van de Belastingdienst Grote ondernemingen te P, gedateerd 8 april 1999, met - voor zover hier van belang - de volgende inhoud:

“Zoals telefonisch besproken gaat hierbij de correspondentie. [Belanghebbende] (…) heeft een 20,35% aandelenbezit in [de BV]. Mevr. J (…) heeft een 7,62% belang. Zij heeft via haar moeder (…) een fictief aanmerkelijk belang ex. art. 20a, lid 5 IB. Beiden genieten in 1997 een tweetal dividenduitkeringen welke tegen een verschillend tarief belast zijn. Zie bijgaande stukken.”.

2.7. Op 14 april 1999 heeft de inspecteur een brief geschreven aan de heer G van B.V. H Beheer, met - voor zover hier van belang - de volgende inhoud:

“Ik heb het voornemen uw cliënt [belanghebbende] (…) een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 op te leggen.

De navorderingsaanslag wil ik opleggen omdat gebleken is uit een schrijven van Grote ondernemingen/P dat de in 1997 genoten dividenduitkeringen belast zijn tegen een verschillend tarief. Volgens artikel 57a, lid 3, letter b, Wet inkomstenbelasting 1964, geldt voor dividenduitkeringen binnen 8 maanden na 1 januari 1997 (statusverlies van genoemde beleggingsinstellingen) het progressieve tabeltarief. Voor de dividenduitkering van 17 juli 1997 geldt derhalve het progressieve tabeltarief. (…)”.

2.8. De navorderingsaanslag werd zonder verhoging opgelegd met dagtekening 23 juli 1999. Na bezwaar werd de navorderingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

a. Beschikte de inspecteur over het voor het opleggen van de navorderingsaanslag benodigde zogenaamde ‘nieuwe feit’?

b. Indien de vorige vraag ontkennend moet worden beantwoord, is de navordering dan toch toegestaan, omdat de inspecteur belanghebbende vóór ontvangst op de hoogte heeft gesteld van de onjuistheid van de primitieve aanslag (verg. BNB 1999/381)?

c. Is het bijzondere tarief van artikel 57a, tweede lid, van de Wet van toepassing op de dividenduitkering ad ƒ 109.065?

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering ervan wordt verwezen naar de stukken van het geding. Ter zitting is daaraan - zakelijk weergegeven - nog het volgende toegevoegd:

door de gemachtigde:

De BV genoot in 1996 een winst van ƒ 30.009. Na verrekening van verlies werd het belastbare bedrag nihil. Ik constateer nu ook dat bij de aanslag het belastbare bedrag is vastgesteld op ƒ 30.009. Ik heb daarvoor geen verklaring. Mijn standpunt is dat er over 1996 geen sprake was van een doorstootverplichting.

De stukken die ik aan het Hof heb gezonden zouden zo geïnterpreteerd kunnen worden dat bij de BV ten onrechte de deelnemingsvrijstelling is toegepast. Als dat zo is, zou er mogelijk een doorstootverplichting over 1996 geweest zijn. Maar ik vermoed dat er een andere verklaring is, bijvoorbeeld een correctie ter voorkoming van dubbeltelling van winst van de gevoegde dochtervennootschap.

Ik heb er bezwaar tegen dat de inspecteur, die er eerst met mij van uitging dat er geen doorstootverplichting was over 1996, nu alsnog betwist dat de dividenduitkering in 1997 geschiedde uit nieuwe winst van na 1996. Die omslag acht ik tardief. Als het Hof daar een andere visie op heeft, wil ik in de gelegenheid worden gesteld alsnog op dat punt te reageren.

De BV had al jaren de status van beleggingsinstelling. Ik erken dat dit in de aangifte van belanghebbende niet werd vermeld. Daarin staat wel: “AANMERKELIJK BELANG t.g.v. WETSWIJZIGING”, maar de status van de BV is niet genoemd.

De inspecteur stelt dat hij niet anders weet dan dat de heer G de gemachtigde van belanghebbende is. Als dat zo is, dan wist de inspecteur ook dat de BV een beleggingsinstelling was. G voerde namelijk het beheer over de BV. De vermelding als “belastingconsulent” op het aangiftebiljet betekent nog niet dat de betrokkene ook gemachtigde is.

door de inspecteur:

Ik reageer eerst op enkele punten in de pleitnota van de gemachtigde:

(2 en 17) De gegevens van de aanslagregeling zijn op 12 april 1999 opgenomen in het geautomatiseerde systeem van de Belastingdienst. De aanslag kan dan niet vóór 12 april 1999 naar belanghebbende zijn gezonden. Waarschijnlijker is, gelet op de handelingen die ‘Apeldoorn’ dan nog moet verrichten, dat de aanslag enkele dagen na 12 april 1999 aan belanghebbende is verzonden. Ik betwist dus dat, zoals de gemachtigde stelt, belanghebbende de aanslag al had voordat hij de brief van 14 april 1999 ontving.

(4) De aanslagregelaar wist bij het regelen van de aanslag niet dat de BV een fiscale beleggingsinstelling was. Pas door de informatie die werd ontvangen van de Belastingdienst Grote ondernemingen werd hem dit bekend.

(9) De omstandigheid dat op mijn eenheid op de aangifte de woorden “voorcontrole opnieuw uitgevoerd” zijn geschreven, zegt niets over de grondigheid van de aanslagregeling. De voorcontrole is een handeling in het kader van het intoetsen van gegevens uit de aangifte in de systemen van de Belastingdienst. Ook het “afvinken” van het bedrag van ƒ 150.225 in de verzamelstaat en het daarnaast noteren “57A 25%” wijst er niet op dat bijzondere aandacht aan de aard van het dividend is besteed.

(10) De contacten met de collega van de Belastingdienst Grote ondernemingen betroffen niet een wijziging van inzicht bij de aanslagregelaar. Door de informatie van die inspecteur kwam hij er gewoon achter dat de BV een beleggingsinstelling.

(18) B.V. H Beheer staat overal als gemachtigde vermeld. Alle contacten lopen via de heer G van B.V. H Beheer. Op het omslagvel van het originele aangiftebiljet dat ik hier heb staat B.V. H Beheer als belastingconsulent vermeld.

(20) De heer G is geen fiscale leek. Hij had bij het invullen moeten weten dat het ging om een aanmerkelijk belang in een beleggingsinstelling.

(26) In zijn Besluit van 29 september 1997, DB97/2742M, geeft de staatssecretaris van Financiën als uitvoerder van de wet uitleg aan de bedoeling van de wetgever.

(55) De suggestie die de gemachtigde aanreikt om de volgens hem aanwezige ongelijkheid op te heffen blijft niet beperkt tot enkele belastingplichtigen. Alleen al bij deze BV gaat het om acht aandeelhouders.

Ik weet niet precies hoe de winstberekening van de BV over 1996 luidde. Ik zie ook de discrepantie tussen de bijlage bij de aangifte vennootschapsbelasting over 1996 en de vastgestelde aanslag. Ik heb daarvoor op dit moment geen verklaring. Op grond van de inhoud van de kort voor de zitting overgelegde stukken moet ik hier nu wel betwisten dat de dividenduitkering in juli 1997 werd geput uit winst van 1997.

5. Beoordeling van het geschil

5.1.1. De inspecteur heeft gesteld dat de aanslagregelaar ten tijde van het regelen van de aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslag er niet van op de hoogte was dat de BV in 1996 de status van beleggingsinstelling in de zin van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 had en dat hij pas na het opleggen van die aanslag door inlichtingen van zijn ambtgenoot van de Belastingdienst/Grote ondernemingen te weten kwam dat de BV die status had.

5.1.2. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag bekend was of had moeten zijn met de status die de BV sinds 1970 had. Hij voert hiervoor aan dat de status, gelet op de bijzondere fiscale regels die voor dergelijke vennootschappen gelden, waaronder het nul-tarief, ter inspectie bekend moet zijn geweest, dat in 1994 uitvoerig overleg met de Belastingdienst heeft plaatsgevonden over het behoud van de status, zulks in verband met de inhoud van de statuten, dat aannemelijk is dat ook in voorgaande jaren renseignering heeft plaatsgevonden door de voor de vennootschapsbelasting bevoegde inspecteur, dat de aangifte voor de dividendbelasting met betrekking tot de uitdeling van 1 juli 1997 al op 17 juli 1997 werd ingediend en dat de inspecteur niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

5.1.3. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat de aanslagregelaar bij het regelen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van belanghebbende over 1997 onbekend was met de status van de BV. Die status was niet in de aangifte vermeld. Wel werd in de aangifte vermeld dat er door wetswijziging een aanmerkelijk belang in de BV was ontstaan, maar zulks levert geen enkele aanwijzing op voor het vermoeden dat het een beleggingsinstelling zou betreffen. De inspecteur heeft ontkend dat over voorgaande jaren renseignering van dividenden heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Bovendien valt niet in te zien welke wetenschap de inspecteur aan een renseignering van dividend zou moeten ontlenen omtrent de status van de BV indien deze daarbij niet uitdrukkelijk zou worden vermeld. Dat dit zou zijn gebeurd is gesteld noch gebleken. Voor de heffing van inkomstenbelasting over de uitgekeerde dividenden was immers tot 1997 de status van de uitkerende vennootschap niet van belang. Weliswaar droeg uiteraard de inspecteur die bevoegd is voor de vennootschapsbelasting kennis van de status van de BV (het Hof leidt uit de mededelingen van belanghebbende af dat het overleg in 1994 ook met deze inspecteur is gevoerd), maar deze kennis valt niet aan de inspecteur toe te rekenen. Voorts kan niet worden gezegd dat op de inspecteur van de vennootschapsbelasting de plicht rustte om de voor de aandeelhouders van de BV bevoegde inspecteurs in te lichten over de status van de BV. Niet valt in te zien welke betekenis voor de hier te beantwoorden vraag moet toekomen aan de omstandigheid dat reeds in juli 1997 aangifte voor de dividendbelasting werd gedaan. Gesteld noch gebleken is dat deze aangifte ter kennis van de inspecteur van belanghebbende is gekomen en of deze aangifte uitwijst dat de BV de status van beleggingsinstelling had.

5.1.4. Verder kan de inspecteur niet worden verweten dat hij is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht. De aangifte van belanghebbende over het onderhavige jaar was goed verzorgd, uitgebreid toegelicht en gaf geen onregelmatigheden te zien. Op geen enkele wijze kan de inspecteur worden verweten dat hij geen onderzoek instelde naar de status van de BV. Voor een dergelijk onderzoek was, mede gelet op het eenduidige aangiftegedrag van belanghebbende op het punt van het uit de BV genoten dividend, geen aanleiding. De verantwoording van het dividend op de verschillende plaatsen in het aangiftebiljet en in de toelichting wierp op zichzelf geen vragen op.

5.1.5. Het vorenstaande houdt in dat het Hof de stelling van belanghebbende, dat bij de inspecteur sprake is geweest van een wijziging van inzicht, verwerpt. Van een wijziging van inzicht kan slechts sprake zijn indien de inspecteur steeds is uitgegaan van hetzelfde feitencomplex. Dat is hier niet het geval. De inspecteur ging er bij de aanslagregeling van uit dat de BV een volgens de normale regels belaste BV was. De bij de aanslagregeling op het aangiftebiljet gemaakte aantekeningen wijzen er naar het oordeel van het Hof ook op geen enkele manier op dat de aanslagregelaar zich had vergewist van de status van de BV en daaraan bepaalde - onjuiste - juridische conclusies had verbonden.

5.1.6. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de inspecteur beschikte over het voor het opleggen van de navorderingsaanslag benodigde nieuwe feit.

5.2. In verband met het vorenstaande kan het antwoord op de bij onderdeel 3. hiervóór onder b. genoemde vraag in het midden blijven.

5.3.1. Belanghebbende heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het door belanghebbende in juli 1997 ontvangen dividend in aanmerking komt voor toepassing van het bijzondere tarief van 25% als bedoeld in artikel 57a, tweede lid, van de Wet. Hij voert hiertoe aan dat sprake is van een kennelijke omissie van de wetgever, die abusievelijk heeft verzuimd vennootschappen die gebruik maken van de overgangsregeling van artikel XII van de Wet van 13 december 1996, Stb. 652, uit te zonderen van, wat belanghebbende noemt, de achtmaandsbeperking van artikel 57a, derde lid, onderdeel b, van de Wet.

5.3.2. Het Hof kan belanghebbende niet volgen in zijn opvatting. Immers, niet valt in te zien waarom een vennootschap die tot en met 31 december 1996 beleggingsinstelling was en met toepassing van de overgangsregeling in 1997 afrekent over haar herbeleggingsreserve en afrondingsreserve, zou moeten worden uitgezonderd van de achtmaandsbeperking van artikel 57a, derde lid, onderdeel b, van de Wet. Indien een dergelijke vennootschap over het jaar 1996 aan aandeelhouders ter beschikking te stellen winst in de zin van artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna ook: een doorstootverplichting) heeft, zal zij, wil zij haar status over 1996 niet verliezen, binnen acht maanden na 1996 haar winst moeten uitkeren. In het door de wetgever ontworpen regime zal dit dividend bij een aandeelhouder/aanmerkelijkbelanghouder moeten worden uitgezonderd van het tarief van 25%. De omstandigheid dat de vennootschap gebruik maakt van meervermeld artikel XII, na 1996 geen beleggingsinstelling meer is en bij de heffing van vennootschapsbelasting over 1997 afrekent over de hiervóór vermelde reserves, doet hieraan niet af.

5.3.3. De omstandigheid dat, naar het Hof hier veronderstellenderwijs zal aannemen, de in juli 1997 uitgekeerde winst niet was terug te voeren op een uitdelingsverplichting over 1996, maar werd geput uit winsten die door de BV in 1997 werden behaald, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Naar de duidelijke tekst van de wet is een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang dat wordt genoten binnen acht maanden na het einde van het tijdvak waarover het lichaam als beleggingsinstelling is aangemerkt van toepassing van het bijzondere tarief van 25% uitgezonderd. Zulks leidt ertoe dat in voorkomend geval niet slechts een uit een doorstootverplichting voortvloeiend dividend met het tabeltarief wordt belast, maar ook een dividend dat in de genoemde periode uit anderen hoofde wordt uitgekeerd. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat, gemeten naar haar ratio, de werking van de bepaling van artikel 57a, derde lid, onderdeel b, van de Wet dan te ruim is, maar deze enkele constatering rechtvaardigt niet de bepaling voor gevallen als de onderhavige buiten toepassing te laten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de gesignaleerde onbedoelde werking van artikel 57a, derde lid, onderdeel b, van de Wet kan worden vermeden door in de achtmaandsperiode na het vervallen van de status van beleggingsinstelling geen andere dividenden aan de aandeelhouders te laten toekomen dan dividenden die moeten worden uitgekeerd om de status over het laatste jaar als beleggingsinstelling te behouden. De omstandigheid dat de wetgever bij de regeling van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting in artikel 13, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor een vergelijkbare kwestie een meer verfijnde regeling heeft ontworpen, kan niet tot de gevolgtrekking leiden dat de wetgever in artikel 57a van de Wet een min of meer vergelijkbare regeling had dienen neer te leggen en dat, nu de wetgever dat niet heeft gedaan, de rechter aan artikel 57a van de Wet een invulling moet geven die op vergelijkbare leest is geschoeid als de bepaling van genoemd artikel 13, vijfde lid.

5.3.4. Het Hof verwerpt het beroep van belanghebbende op het in artikel 14 van het EVRM en/of artikel 26 van het BUPO-verdrag neergelegde gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende trekt de vergelijking met de aanmerkelijkbelanghouder in een reguliere kapitaalvennootschap waarvan de winsten onderworpen zijn aan de heffing van vennootschapsbelasting. Onder verwijzing naar hetgeen hiervóór onder 5.3.2. werd overwogen, geeft het Hof als zijn oordeel dat in de achtmaandsperiode die volgt op het laatste jaar waarin de vennootschap als beleggingsinstelling werd aangemerkt niet sprake is van juridisch vergelijkbare gevallen. Voor zover belanghebbende stelt dat wel sprake is van vergelijkbare gevallen indien bij de desbetreffende vennootschap in het laatste jaar waarin zij de status van beleggingsinstelling heeft geen sprake is van aan de aandeelhouders ter beschikking te stellen winst, is het Hof van oordeel dat in een dergelijk geval de juridische ongelijkheid van de gevallen in beginsel onverkort blijft bestaan en sprake is van een door de omstandigheden ontstane feitelijke gelijkheid, waarbij het de wetgever vrijstond om, zonder met het gelijkheidsbeginsel in strijd te komen, bij het ontwerpen van de regeling van artikel 57a, derde lid, van de Wet uit te gaan van de veronderstelling dat de in de meerbedoelde achtmaandsperiode te genieten voordelen zouden zijn terug te voeren op ter beschikking van de aandeelhouders te stellen winst als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onderdeel b, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

5.3.5. Belanghebbende heeft in de pleitnota nog doen stellen dat door enerzijds de regeling die is neergelegd in artikel 13, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, en anderzijds het bepaalde in artikel 57a, derde lid, onderdeel b, van de Wet, er een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds aandeelhouders van een beleggingsinstelling die aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen en anderzijds aandeelhouders van een beleggingsinstelling die aan de heffing van inkomstenbelasting zijn onderworpen. Naar het oordeel van het Hof is niet sprake van een verboden discriminatie. In de regeling zoals die geldt voor de vennootschapsbelasting is ervoor gezorgd dat recht werd gedaan aan het uitgangspunt van de deelnemingsvrijstelling, namelijk het voorkomen van dubbele heffing in concernverhoudingen, waardoor bepaalde voordelen buiten de heffingsgrondslag moeten blijven. Deze zorg noopt ertoe in voorkomende gevallen, zoals bij de toepassing van de deelnemingsvrijstelling vaker gebeurt, een voordeel te compartimenteren. Bij de aandeelhouder die aan de heffing van inkomstenbelasting is onderworpen staat vast dat het voordeel tot de heffingsgrondslag dient te behoren en gaat het verder om een tariefkwestie.

5.4. Op grond van het vorenstaande komt het Hof tot de slotsom dat het gelijk aan de inspecteur is.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 24 november 2000 door mrs. Schaap, Kwantes en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.