Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8205

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/3424
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbendes bezwaar en beroep tegen de aanslag onroerendezaakbelastingen 1997 betreft alleen de waarde van de woning. Ingevolge artikel 220c van de Gemeentewet is het bezwaar en het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/3424

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES -VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de directeur van de Gemeentebelastingen van de gemeente P, verweerder, gedagtekend 13 oktober 1999, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen 1997.

Het beroep is behandeld op de zitting van 10 oktober 2000.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak a-straat 1 te P (hierna: de woning). Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag onroerendezaakbelastingen (eigenarenbelasting) ten bedrage van ƒ 767,25 opgelegd, gedagtekend 30 april 1997. De aanslag is berekend op basis van een waarde van de woning van ƒ 378.000, vastgesteld bij beschikking krachtens de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) van 10 maart 1997.

2. Het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag is bij de bestreden uitspraak ontvankelijk verklaard met voorts de mededeling dat aan het bezwaar niet wordt tegemoetgekomen en met de beslissing dat de aanslag wordt gehandhaafd. Het bezwaar betrof de waarde van de woning.

3. Belanghebbendes beroep betreft eveneens de waarde van de woning. Hij meent dat deze gesteld moet worden op ƒ 224.000. Verweerder stelt primair dat belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn beroep, omdat de waarde van de woning niet aan de orde kan komen in een beroepsprocedure die een aanslag onroerendezaakbelastingen betreft. Subsidiair is verweerder van mening dat het beroep niet gegrond is.

4. Op grond van artikel 231, eerste lid van de Gemeentewet - voor zover hier van belang - geschiedt de heffing van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). In artikel 23, eerste lid van de AWR is bepaald dat hij die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag een bezwaarschrift kan indienen. Hierop doet het belasting-heffende bestuursorgaan uiterlijk binnen een jaar uitspraak. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de AWR staat tegen een zodanige uitspraak beroep open. Nu belanghebbende tijdig, binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak, beroep heeft ingesteld, is er geen reden hem niet-ontvankelijk in zijn beroep te verklaren. Immers de genoemde wetsbepalingen leiden ertoe dat het Hof heeft te onderzoeken of de uitspraak van het bestuursorgaan in stand kan blijven. Tot dat onderzoek behoort ook de vraag of belanghebbende terecht ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar.

5. Naar het oordeel van het Hof dient de bezwaarfase ervoor om de grieven van een belastingplichtige goed in beeld te krijgen en aan de hand daarvan het bestuursorgaan de gelegenheid te bieden de opgelegde aanslag zonodig te herzien. Als het bestuursorgaan van oordeel is dat de bezwaren van de belastingplichtige niet kunnen worden gehonoreerd op grond van het bepaalde in artikel 220 c van de Gemeentewet, dient het bestuursorgaan niet over te gaan tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, maar tot ongegrondverklaring daarvan. In zoverre is de bestreden uitspraak daarom juist.

6. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het Hof evenmin reden ziet belanghebbende niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, ook al zouden zijn grieven alleen berusten op de vastgestelde waarde van de woning. Waar niet gebleken is van andere grieven dan die waarop artikel 220 c van de Gemeentewet het oog heeft en die alleen aan de orde kunnen komen in een procedure inzake een WOZ-beschikking, is het beroep van belanghebbende ongegrond. Het gelijk is aan verweerder.

7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 24 oktober 2000 door mr. Dutmer, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.