Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA8203

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
P99/3096
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 35, eerste lid, Wet IB. Belanghebbende is President Directeur van een grote BV. Uit hoofde van zijn functie heeft hij in 1996 verscheidene conferenties bezocht. Zijn echtgenote heeft hem daarbij een aantal malen vergezeld: 2 maal bij conferenties in Frankrijk en 1 maal bij een conferentie in de VS. Voorts heeft zij hem vergezeld op een reis naar Belle Plagne (Frankrijk), waar belanghebbende enkele informele gesprekken voerde met topfunctionarissen van andere ondernemingen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de reis- en verblijfkosten van de echtgenote uitgaven zijn die belanghebbende voor een behoorlijke vervulling van zijn dienstbetrekking heeft moeten maken. Veeleer liggen deze kosten in de persoonlijke levenssfeer. De kosten van de echtgenote die betrekking hebben op de conferenties kunnen niet als beroepskosten op het inkomen van belanghebbende in aftrek komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

Kenmerk: P99/3096

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen P, de inspecteur, gedagtekend 23 augustus 1999, betreffende de ten name van belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

Het beroep is behandeld ter zittingen van 28 juni en 6 oktober 2000.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 278.593. In zijn aangifte heeft belanghebbende onder meer een bedrag van ƒ 8.466 op zijn inkomen in mindering gebracht. Dit bedrag betreft door de echtgenote van belanghebbende (hierna: de echtgenote) gemaakte kosten (vliegtickets en hotelnota’s) in verband met conferenties e.d. die belanghebbende uit hoofde van zijn functie bezocht heeft en waarbij de echtgenote hem vergezeld heeft. De inspecteur heeft, met dagtekening 13 april 1999, de aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 288.109 vastgesteld. Na bezwaar heeft de inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. In geschil is of belanghebbende het voornoemde bedrag van ƒ 8.466 als beroepskosten op zijn inkomen in aftrek kan brengen, welke vraag belanghebbende bevestigend en de inspecteur ontkennend beantwoordt.

3. Belanghebbende, geboren in 1952, is gehuwd met mevrouw Y. Hij is President Directeur van A B.V., een grote onderneming die zich richt op de ontwikkeling, productie en commercialisering van innovatieve producten, op basis van geavanceerde technologieën. Belanghebbende genoot in 1996 een brutoloon van ƒ 369.607.

4. Uit hoofde van zijn functie heeft belanghebbende in 1996 verscheidene conferenties bezocht. De echtgenote heeft hem vergezeld bij een conferentie te Cannes in Frankrijk, bij een andere conferentie in Frankrijk en bij een conferentie in de Verenigde Staten van Amerika. Voorts heeft de echtgenote belanghebbende vergezeld op een reis naar Belle Plagne (Frankrijk) in december 1995/januari 1996, alwaar belanghebbende enkele informele gesprekken voerde met topfunctionarissen van andere ondernemingen.

Vaststaat dat de genoemde reis- en verblijfkosten (hierna: de kosten) van de echtgenote betrekking hebben op deze conferenties en dat de kosten niet zijn vergoed door de werkgever van belanghebbende.

5. De gemachtigde van belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de niet vergoede kosten van de echtgenote zakelijk zijn. Hij heeft gesteld dat belanghebbende goede zakelijke redenen heeft om van verhaal van de kosten op zijn werkgever af te zien en dat de kosten derhalve ‘drukken’ als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB). Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat het binnen de groep van A B.V. gebruikelijk is dat een functionaris de kosten voor een meereizende partner zelf betaalt, dat belanghebbende een voorbeeldfunctie heeft binnen die groep en het gezien zijn functie niet wenselijk heeft geacht om de kosten van de echtgenote, ondanks de mogelijkheid daartoe, te declareren (onder meer ter voorkoming van precedentwerking naar ander personeel) en dat de aanwezigheid van de echtgenote bij de conferenties een positieve uitstraling heeft op de groep van A B.V. onder meer gezien de aanwezigheid van partners en echtgenoten van andere deelnemers.

6. Ter zitting heeft belanghebbende het belang van de aanwezigheid van de echtgenote bij de conferenties benadrukt door te verklaren dat de relaties met de ‘driehoek industrieën, overheden en de zorgsectoren’ voor A B.V. van groot belang zijn. Wat de zorgsectoren betreft, zijn goede relaties met (inter)nationale organisaties, welke A B.V.’s markt representeren, essentieel. De echtgenote is daarin zeer actief, aldus de verklaring van belanghebbende.

7. Primair heeft de inspecteur gesteld dat de uitgaven ter zake van de kosten van de echtgenote tot de persoonlijke levenssfeer van belanghebbende behoren en daarom in de sfeer van de inkomensbesteding liggen. Subsidiair heeft hij gesteld dat de kosten niet drukken omdat deze gedeclareerd hadden kunnen worden. Meer subsidiair heeft hij gesteld dat, mochten de kosten aftrekbaar zijn, het maximum van artikel 36, tweede lid, aanhef en onderdeel g, Wet IB van toepassing is. Tenslotte heeft hij gesteld dat de kosten van de echtgenote representatiekosten zijn in de zin van artikel 36, eerste lid, onderdeel h, Wet IB.

8. Ingevolge artikel 35, eerste lid, Wet IB zijn aftrekbare kosten ‘de op de inkomsten drukkende kosten voor zover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die inkomsten en in hun totale omvang niet overtreffen hetgeen gebruikelijk is. (…).’

9. Het staat de inspecteur vrij om in zijn verweerschrift en in de beroepsfase daarna de zakelijkheidsvraag op te werpen, waar hij zich daarvóór voornamelijk concentreerde op de vraag of de kosten al dan niet ‘drukken’.

10. Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de kosten van de echtgenote uitgaven zijn die belanghebbende voor een behoorlijke vervulling van zijn dienstbetrekking heeft moeten maken. Veeleer is het meegaan van de echtgenote naar de verschillende bestemmingen gelegen in de persoonlijke levenssfeer, waartoe ook kan worden gerekend de omgang in de persoonlijke sfeer met collega’s en vakgenoten, ook al vindt die omgang plaats ter gelegenheid van zakelijke conferenties. De uitgaven hebben derhalve het karakter van inkomensbesteding, en niet van op belanghebbendes inkomsten drukkende kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, Wet IB. Belanghebbende heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de echtgenote de activiteiten als beschreven onder 6. daadwerkelijk ontplooid heeft. Het Hof overweegt voorts dat deze activiteiten nog niet de hier aan de orde zijnde kosten als zakelijke bestempelen. Het bedrag ad ƒ 8.466 komt derhalve niet voor aftrek in aanmerking.

11. Nu het gelijk aan de inspecteur is, acht het Hof geen termen aanwezig om de inspecteur te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 19 oktober 2000 door mr Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr Van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.